Uitspraak · Vreemdelingenrecht

Rechtbank Den Haag, 6 oktober 2026

ECLI:NL:RBDHA:2026:31494Zaaknummer NL26.37258

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
6 oktober 2026
Publicatiedatum
27 oktober 2026
Zaaknummer
NL26.37258
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats
Arnhem
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

asiel Gambia, voldaan aan eerdere rechtbankuitspraak, in het midden laten geloofwaardigheid, zwaarwegendheid, ongegrond

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Hollebrandse, rechter, in aanwezigheid van

mr. K.H.M.M. Otten, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. [eiser] , v-nummer: [x] , eiser
  2. Samenvatting
  3. Procesverloop
  4. Beoordeling door de rechtbank
  5. Conclusie en gevolgen
  6. Beslissing

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.37258

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 oktober 2026 in de zaak tussen

[eiser] , v-nummer: [x] , eiser

(gemachtigde: mr. S.A.S. Jansen),

en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. R.M. Koning).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.

1.1.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. De rechtbank is namelijk van oordeel dat de minister heeft voldaan aan de opdracht van de rechtbank in een eerdere uitspraak. Ook mocht de minister de geloofwaardigheid van het asielrelaas in het midden laten en heeft de minister terecht de problemen van eiser niet zwaarwegend genoeg geacht. Daarom mocht de minister ook een terugkeerbesluit aan eiser opleggen. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

1.2.

Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.

Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 9 juni 2026 deze aanvraag afgewezen als ongegrond.

2.1.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

2.2.

De rechtbank heeft het beroep op 5 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Inleiding

3. Eiser heeft op 13 november 2023 asiel aangevraagd. Daarbij heeft hij gesteld dat hij geboren is op [geboortedag] 2006. Verder heeft hij aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij uit het dorp Kerr Pateh in de regio Baddibo in Gambia komt. Sinds de dood van zijn vader in 2010 woonden hij en zijn moeder samen met de familie van zijn oom. Eiser en zijn moeder werden door zijn oom mishandeld, Eiser heeft in april 2021, toen hij zag dat zijn oom zijn moeder mishandelende, zijn oom geslagen met een hark/stok. Omdat de oom hiervan aangifte heeft gedaan, was de politie op zoek naar eiser. Hij is daarom Gambia ontvlucht. Eiser vreest bij terugkeer naar Gambia voor zijn oom en voor de autoriteiten. Hij vreest te worden opgesloten in de gevangenis, omdat de broer van zijn oom een hoge positie heeft bij de overheid.

3.1.

Bij besluit van 16 juni 2025 heeft de minister deze aanvraag afgewezen als ongegrond. Daarbij heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat de nationaliteit en herkomst geloofwaardig zijn, maar de identiteit niet. Eiser heeft namelijk wisselend verklaard over zijn leeftijd en heeft zijn leeftijd niet onderbouwd met documenten. De minister is, op basis van de leeftijdsregistratie in Italië, uitgegaan van de geboortedatum van [geboortedag] 2005. Ook heeft de minister de problemen van eiser met zijn oom niet geloofwaardig bevonden. Tegen dit besluit heeft eiser beroep ingediend.

3.2.

De rechtbank heeft bij uitspraak van 17 september 2025 het beroep van eiser gegrond verklaard.[_43ba36ff-f36f-45cf-866a-5bc1cbf1c9ad] In deze uitspraak heeft de rechtbank, kort gezegd, geoordeeld dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij is uitgegaan van de Italiaanse registratie van de leeftijd van eiser. De minister is daarom door de rechtbank opgedragen om een nieuw besluit op de aanvraag te nemen. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep ingesteld, waarmee de uitspraak in rechte vast staat.

3.3.

De minister heeft vervolgens een nieuw voornemen en, na de zienswijze, een nieuw besluit genomen. Dat besluit ligt nu ter toetsing voor. In het bestreden besluit heeft de minister twee asielmotieven vastgesteld:

1. identiteit, nationaliteit en herkomst;

2. problemen met de oom van eiser.

Het eerste motief heeft de minister geloofwaardig geacht, waarbij de minister de geboortedatum zoals deze door eiser in Nederland is opgegeven, heeft gevolgd. De geloofwaardigheid van het tweede motief heeft de minister in het midden gelaten. De minister heeft het asielmotief enkel beoordeeld op zwaarwegendheid. De minister stelt zich in dat kader op het standpunt dat eiser niet kan worden aangemerkt als vluchteling en ook geen reëel risico op ernstige schade loopt. De mishandelingen door de oom van eiser zijn namelijk niet te herleiden tot een van de gronden van het Vluchtelingenverdrag. Met betrekking tot de vrees voor strafvervolging, omdat eiser zijn oom heeft geslagen, stelt de minister zich op het standpunt dat, omdat dit een commuun delict betreft, dit enkel kan leiden tot vluchtelingschap wanneer aannemelijk is dat een dreigende bestraffing onevenredig zwaar zal zijn of sprake is van discriminatoire bestraffing. Daarvan is niet gebleken. Ook loopt eiser volgens de minister geen reëel risico op ernstige schade omdat de kans niet groot is dat zijn oom nog naar hem op zoek is. Daarbij komt dat eiser bescherming kan krijgen van de Gambiaanse autoriteiten. Verder is de mishandeling door de oom van eiser onvoldoende zwaarwegend om als schending van artikel 3 van het EVRM te worden aangemerkt. Eiser kan vanwege de mishandelingen door de oom namelijk de bescherming van de Gambiaanse autoriteiten inroepen. Daarbij komt dat niet aannemelijk is dat de mishandelingen zich opnieuw voor zullen doen, omdat eiser inmiddels meerderjarig is en dus verwacht kan worden dat hij zich kan onttrekken aan het gezin van zijn oom. Tot slot heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat eiser ook niet in aanmerking komt voor een reguliere verblijfsvergunning op grond van het buitenschuldbeleid voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen (amv).

Geboortedatum

4. De rechtbank stelt vast dat in het bestreden besluit verschil zit in de geboortedatum van de in de aanhef genoemde personalia van eiser en de geboortedatum die in de tekst van het besluit wordt genoemd. Tijdens de zitting heeft de minister bevestigd dat hij uitgaat van de geboortedatum van [geboortedag] 2006. Dat betekent dat er geen geschil (meer) is over de geboortedatum van eiser. Eiser was dus ten tijde van zijn asielaanvraag (op 13 november 2023) minderjarig.

Heeft de minister voldaan aan de opdracht van de rechtbank in de eerdere uitspraak?

5. Eiser betoogt dat de minister de uitspraak van de rechtbank van 17 september 2025 slechts formeel en niet materieel heeft uitgevoerd. Hoewel de minister formeel uitgaat van de geboortedatum [geboortedag] 2006, heeft de minister in het kader van de geloofwaardigheid, de bewijswaardering, het referentiekader, de beschermingsvraag, de beoordeling van artikel 3 van het EVRM en de beoordeling van de gestelde strafvervolging (de consequenties van) die minderjarigheid onvoldoende betrokken.

5.1.

Deze beroepsgrond slaagt niet. In de uitspraak van 17 september 2025 heeft de rechtbank geoordeeld dat de minister onvoldoende had gemotiveerd waarom hij van de Italiaanse registratie van de leeftijd van eiser is uitgegaan. Ook heeft de rechtbank overwogen dat de minister een nieuw besluit moet nemen waarin hij (nader) ingaat op de leeftijd van eiser. De minister is in het besluit dat nu ter toetsing voorligt, uitgegaan van de geboortedatum zoals deze door eiser is opgegeven in Nederland. De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende gevolg heeft gegeven aan de uitspraak van 17 september 2025. De minister is in de bestreden besluitvorming uitgegaan van de voor eiser meest gunstige geboortedatum. Ook heeft de minister, naar het oordeel van de rechtbank, bij de beoordeling van de asielaanvraag voldoende rekening gehouden met de minderjarigheid – ten tijde van de aanvraag – van eiser. De minister heeft namelijk de geloofwaardigheid van het asielrelaas in het midden gelaten en heeft de feiten en omstandigheden enkel beoordeeld op zwaarwegendheid. Bij die beoordeling moet de minister de verklaringen van eiser over zijn asielmotief als uitgangspunt nemen[_e4ed84e7-2a50-43cd-bc5a-eecd883e8386], waarmee in feite wordt uitgegaan van de verklaringen zoals eiser deze heeft afgelegd. Het betoog van eiser dat de minister, door de geloofwaardigheid van het relaas in het midden te laten, onvoldoende heeft onderzocht in hoeverre de minderjarigheid van eiser een rol heeft gespeeld bij de gebeurtenissen in het land van herkomst, slaagt daarom niet. Daarnaast heeft eiser op de zitting onvoldoende kunnen concretiseren op welke punten het bestreden besluit onvoldoende rekenschap heeft gegeven van de minderjarigheid. De rechtbank wijst er verder op dat de minister ook heeft getoetst aan het buitenschuldbeleid voor amv. De minister heeft daarmee ook in het kader van het terugkeerbesluit rekening gehouden met de minderjarigheid van eiser.

Mocht de minister de geloofwaardigheid van het asielrelaas in het midden laten?

6. Eiser betoogt dat de minister de geloofwaardigheid van het asielrelaas niet in het midden mag laten, omdat daarmee een essentieel onderdeel van de besluitvorming aan toetsing wordt onttrokken. De minister kan enkel de geloofwaardigheid in het midden laten als zonder twijfel de feiten nooit kunnen leiden tot vluchtelingschap of subsidiaire bescherming. Daarvan is in dit geval geen sprake. Daarnaast is het besluit innerlijk tegenstrijdig omdat de minister geen standpunt inneemt over de geloofwaardigheid van het relaas, maar wel toetst of het relaas zwaarwegend genoeg is voor het verlenen van een asielvergunning. Ook is volgens eiser geen sprake van een integrale beoordeling, omdat de zwaarwegendheid is beoordeeld zonder vaststelling van de relevante feiten.

6.1.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Bij uitspraak van 17 augustus 2022 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) zich uitgelaten over de werkwijze, zoals (nadien) opgenomen in paragraaf C1/4.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000), van de minister waarbij de geloofwaardigheid in het midden wordt gelaten en direct getoetst wordt of het asielrelaas zwaarwegend genoeg is om te kunnen leiden tot verlening van internationale bescherming.[_a23d688a-5593-4586-b73d-dc38f88af6e0] De Afdeling heeft in deze uitspraak geoordeeld dat de minister de geloofwaardigheid in het midden kan laten, mits aan een aantal (procedurele) waarborgen is voldaan. Daarnaast heeft deze werkwijze tot gevolg dat het er bij de rechterlijke toetsing van het standpunt van de minister in diens besluit voor moet worden gehouden dat hij de geloofwaardigheid van de door een vreemdeling gestelde feiten en omstandigheden heeft aangenomen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister de geloofwaardigheid van het asielrelaas – conform paragraaf C1/4.1 van de Vc 2000 – in het midden kunnen laten. Eiser heeft desgevraagd tijdens de zitting niet kunnen toelichten op welke wijze het bestreden besluit in strijd is met de uitspraak van de Afdeling. Dat betekent dat de rechtbank voor de beoordeling van het besluit uitgaat van de geloofwaardigheid van de feiten en omstandigheden zoals deze door eiser naar voren zijn gebracht. De rechtbank volgt het betoog van eiser over het gebrek aan integrale beoordeling evenmin. De problemen van eiser zijn door de minister onder één asielmotief benoemd, en worden voor deze rechterlijke beoordeling voor geloofwaardig gehouden.

Heeft de minister terecht gesteld dat het asielrelaas van eiser onvoldoende zwaarwegend is?

7. Eiser betoogt dat de minister bij de beoordeling van de zwaarwegendheid zijn voorgeschiedenis onvoldoende heeft betrokken en daarmee de kern van het relaas onvoldoende heeft vastgesteld. De minister heeft namelijk het relaas teruggebracht naar één gebeurtenis, namelijk het moment dat eiser zijn oom heeft geslagen. Daarover heeft de minister gesteld dat eiser niet kan worden aangemerkt als vluchteling omdat het gaat om een commuun delict, waarmee sprake is van normale strafvervolging. Daarmee miskent de minister dat eiser niet enkel is vertrokken vanwege mogelijke strafvervolging, maar ook vanwege (de voorgeschiedenis van) jarenlange mishandeling, vernedering, dwangarbeid en ongelijke behandeling. De minister heeft daarnaast onvoldoende gemotiveerd dat geen sprake is van een onevenredige bestraffing en onvoldoende onderzoek gedaan of sprake is van een normale bestraffing van een commuun delict. Eiser betoogt ook dat de minister onterecht stelt dat hij geen reëel risico op ernstige schade loopt, omdat ten onrechte is geconcludeerd dat eiser bescherming kan krijgen van de Gambiaanse autoriteiten. Er is enkel gekeken of formeel bescherming kan worden ingeroepen, terwijl relevant is of in de praktijk ook bescherming door de autoriteiten kan worden geboden. Dat is in geval van eiser niet zo, zoals hij ook verklaard heeft, omdat hij juist vreest voor de politie vanwege de invloedrijke positie van de broer van zijn oom. Ook vreest hij voor de autoriteiten. Ook hierbij is de minderjarigheid van eiser van belang. Van hem kon als minderjarige en slachtoffer van mishandeling niet worden verwacht dat hij zelfstandig de bescherming van de autoriteiten zou inroepen. Verder heeft de minister het vereiste van het minimumniveau van ernst van de mishandeling niet in samenhang beoordeeld, maar enkel gesteld dat de onderdelen op zichzelf niet voldoende ernstig zijn.

7.1.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer te vrezen heeft voor zijn oom of voor de Gambiaanse autoriteiten. Daarbij is allereerst van belang dat eiser inmiddels meerderjarig is en daarom dus niet terug hoeft naar zijn oom of diens woonplaats. Verder is van belang dat het incident met de hark/stok ruim vijf jaar geleden heeft plaatsgevonden. Eiser heeft verklaard dat nergens uit blijkt dat de politie naar hem op zoek is, maar dat hij dat enkel heeft vernomen van zijn moeder en een vriend.[_929a360e-b8c2-437a-ab2c-53a4b03d8f78] Zijn moeder woont echter niet meer in Gambia, maar in Senegal. En het bericht van zijn vriend heeft hij in 2023 gehoord, ook alweer jaren geleden. Hoewel geloofwaardig is dat de politie bij eisers woning is langs geweest in april 2021, is daarna niets meer voorgevallen. Omdat eiser de vrees niet aannemelijk heeft gemaakt, komt de rechtbank niet toe aan de vraag of eiser in Gambia bescherming van de autoriteiten kan krijgen.

7.2.

De rechtbank overweegt verder dat ook als ervan uit wordt gegaan dat eiser als gevolg van de geloofwaardig bevonden aangifte door de oom het risico loopt dat een strafrechtelijk onderzoek en/of vervolging gaat plaatsvinden, eiser daardoor niet kan worden aangemerkt als vluchteling dan wel dat sprake is van een reëel risico op ernstige schade. De minister heeft terecht overwogen dat de bescherming van het Vluchtelingenverdrag niet kan worden ingeroepen bij (vrees voor) strafvervolging van een commuun delict.[_1fa5dc87-ffcf-4141-a36f-4a097f0e7db8] Eiser heeft tijdens de zitting bevestigd dat het incident met de hark/stok als zodanig is aan te merken als een commuun delict. De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog dat als de voorgeschiedenis – zoals de mishandelingen en uitbuiting door zijn oom – worden betrokken niet langer kan worden gesproken van een commuun delict. Deze omstandigheden wijzigen namelijk de aard van het delict niet. Bovendien betreffen dit omstandigheden die betrokken kunnen worden bij een eventuele bestraffing van het delict. Ook maakt deze voorgeschiedenis niet dat eiser daardoor heeft te vrezen voor onevenredige en/of discriminatoire bestraffing. Dat eiser vanwege de invloedrijke positie van de broer van zijn oom te vrezen heeft voor een onevenredige en/of discriminatoire bestraffing, volgt de rechtbank niet. Het is namelijk enkel de subjectieve vrees van eiser dat hij daardoor onevenredig bestraft zal worden. Eiser heeft niet concreet kunnen maken hoe deze oom daadwerkelijk invloed heeft op een eventuele vervolging en/of bestraffing van eiser.

Mocht de minister een terugkeerbesluit opleggen?

8. Eiser betoogt dat de minister geen terugkeerbesluit kon opleggen omdat dat terugkeerbesluit volledig is gebaseerd op de conclusie dat eiser geen internationale bescherming nodig heeft. Deze conclusie is echter onvoldoende onderzocht en gemotiveerd. Daarbij verwijst eiser naar alles wat hij hiervoor heeft aangevoerd.

8.1.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Gelet op dat wat de rechtbank hiervoor heeft overwogen, heeft de minister terecht geconcludeerd dat eiser niet in aanmerking komt voor internationale bescherming. De minister kon om deze reden een terugkeerbesluit aan eiser opleggen.

Conclusie en gevolgen

9. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en het besluit in stand kan blijven. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Hollebrandse, rechter, in aanwezigheid van

mr. K.H.M.M. Otten, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

  1. Rb. Den Haag, zp. Arnhem, 17 september 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:17267.
  2. ABRvS 17 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2333, r.o. 8.6.
  3. ABRvS 17 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2333.
  4. Rapport nader gehoor, p. 21.
  5. Zie paragraaf C2/3.2.11 van de Vc 2000.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Deze uitspraak verwijst naar

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.