Uitspraak · Vreemdelingenrecht
Rechtbank Den Haag, 23 oktober 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:31491Zaaknummer NL26. 10378 en NL26.10379
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum uitspraak
- 23 oktober 2026
- Publicatiedatum
- 27 oktober 2026
- Zaaknummer
- NL26. 10378 en NL26.10379
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig, Mondelinge uitspraak, Proces-verbaal, Voorlopige voorziening
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
asiel; mondelinge uitspraak; geen aanknopingspunten dat Casematcher is gebruikt; voldoende rekening gehouden met referentiekader; de minister heeft eisers asielrelaas terecht ongeloofwaardig geacht; beroep ongegrond, vovo afgewezen.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en dat het bestreden besluit in stand blijft.
8. Omdat er uitspraak is gedaan op het beroep, bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De rechtbank wijst het verzoek daarom af.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 23 juni 2026 door mr. J.C.E. Krikke, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. M.A. Hollander, griffier.
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:
[document]
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen twee weken na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen zelfstandig rechtsmiddel open.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
proces-verbaal uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht
Zaaknummers: NL26.10378 (beroep)
NL26.10379 (voorlopige voorziening)
V-nummer: [V-nummer]
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
[eiser 1] , geboren op 24 april 2003, met de Marokkaanse nationaliteit [eiser 1]
[eiser 2]
eiser en verzoeker, hierna: eiser (gemachtigde: mr. J.E. Groenenberg),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder, hierna: de minister (gemachtigde: mr. M. van Boheemen).
Procesverloop
1. Met het besluit van 24 februari 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister de aanvraag van eiser voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen als kennelijk ongegrond.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Ook heeft eiser de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen, ertoe strekkende dat hij de behandeling van zijn beroep in Nederland mag afwachten.
De rechtbank en voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) hebben het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 23 juni 2026 op zitting behandeld. Partijen zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen.
Na afloop van de behandeling van de zaak op zitting heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beslissing
2. De rechtbank verklaart het beroep in de zaak met nummer NL26.10378 ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek in de zaak met nummer NL26.10379 af.
Overwegingen
3. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.
Procesbelang
4. Op 1 juni 2026 heeft de minister informatie geüpload in het digitale dossier waaruit volgt dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken. De gemachtigde van eiser heeft op 8 juni 2026 aan de rechtbank laten weten dat hij nog contact heeft met eiser. De rechtbank neemt daarom aan dat eiser nog steeds prijs stelt op een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep. De rechtbank neemt daarom ook aan dat eiser nog procesbelang heeft en beoordeelt het beroep dan ook inhoudelijk.
Casematcher
5. Eiser heeft aangevoerd dat niet duidelijk is of de minister gebruik heeft gemaakt van Casematcher, terwijl hij hier wel naar gevraagd heeft. Eiser heeft hierbij verwezen naar uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, waarin de rechtbank zich kritisch heeft uitgelaten over het gebruik van AI.
De rechtbank laat in het midden of Casematcher moet worden gekwalificeerd als AI. Zij komt namelijk tot de conclusie dat er geen concrete aanknopingspunten zijn voor het oordeel dat de minister in deze zaak Casematcher heeft gebruikt. De rechtbank heeft voorafgaand aan de zitting de minister schriftelijk verzocht om bij de medewerkers, die bij de beoordeling van eisers aanvraag betrokken waren, na te gaan of zij gebruik hebben gemaakt van Casematcher. De gemachtigde van de minister heeft in een eveneens schriftelijke reactie laten weten dat er geen gebruik is gemaakt van Casematcher bij de beoordeling van eisers aanvraag. De rechtbank ziet geen reden om hieraan te twijfelen. Deze grond slaagt niet.
Referentiekader
6. Eiser heeft verder aangevoerd dat de minister niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom eiser een gemiddeld referentiekader zou hebben. Daarnaast is het geschetste referentiekader incompleet. Geen enkele van de hiervoor relevante aspecten die zijn benoemd in WI 2024/61 worden in het voornemen benoemd.
De rechtbank is van oordeel dat ook deze grond niet kan slagen. De rechtbank betrekt bij haar oordeel de uitspraak van de Afdeling2 van 26 april 20233. Daaruit volgt dat de minister kenbaar rekening moet houden met wat, gezien de persoonlijke omstandigheden, achtergrond en leeftijd, van de vreemdeling mag worden verwacht.4 Uit het bestreden
besluit blijkt naar het oordeel van de rechtbank voldoende duidelijk wat de minister van eiser, die meerderjarig is en ten aanzien van wie op het eerste oog geen sprake is van in het oog springende persoonlijke omstandigheden, heeft verwacht, namelijk dat hij (tot op bepaalde hoogte) innerlijk en onderling consistent kan verklaren over zijn asielmotief. Ook
1. Werkinstructie 2024/6 Geloofwaardigheidsbeoordeling (asiel).
2 Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
4 Onder 3.1.
heeft de minister kenbaar rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van eiser. Eiser heeft niet geconcretiseerd van welk referentiekader de minister had moeten uitgaan, waarom dat van invloed is geweest op zijn vermogen om consistent te verklaren en welke verwachtingen van de minister ongerechtvaardigd zouden zijn en waarom. Gelet hierop bestaat er geen grond voor het oordeel dat de minister bij de bestreden besluiten is uitgegaan van ongerechtvaardigde verwachtingen over wat eiser, gezien zijn persoonlijke omstandigheden, achtergrond en leeftijd, heeft kunnen verklaren.
Voor zover eiser heeft aangevoerd dat zijn asielrelaas wel geloofwaardig moet worden geacht, overweegt de rechtbank als volgt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat het asielrelaas van eiser niet geloofwaardig is. Ten aanzien van zijn identiteit heeft de minister terecht overwogen dat eiser geen identificerende documenten heeft overgelegd, dat hij geen oprechte inspanningen heeft geleverd om zijn aanvraag op dit punt te staven en dat hij ook geen goede verklaring heeft voor het ontbreken van de documenten. Verder heeft verweerder terecht overwogen dat eiser in grote lijnen niet geloofwaardig heeft verklaard over zijn identiteit. Hij heeft namelijk gebruik gemaakt van aliassen. Ook eisers gestelde homoseksuele gerichtheid heeft de minister naar het oordeel van de rechtbank terecht als niet geloofwaardig beoordeeld. Zo heeft eiser wisselend verklaard over het moment waarop hij achter zijn homoseksualiteit kwam. Eiser heeft verschillende leeftijden genoemd. Tevens heeft eiser geen inzicht gegeven in zijn gedachtes en gevoelens rondom de ontdekking van zijn homoseksuele gerichtheid. Eiser blijft erg aan de oppervlakte als hem gevraagd wordt naar zijn gevoelens en geeft geen persoonlijke verklaringen. Daarbij heeft eiser weinig kunnen verklaren over zijn gestelde relatie met [partner]. Tot slot is eisers kennis over de situatie van lhbti'ers in Nederland en Marokko beperkt. Ten aanzien van de videobedreiging van anonieme afzenders is de rechtbank van oordeel dat de minister ook dit onderdeel van eisers asielrelaas terecht als niet geloofwaardig heeft bestempeld. Zo heeft de minister terecht opgemerkt dat eiser weinig kan vertellen over de bedreiging. Ook heeft de minister terecht opgemerkt dat eisers stelling dat deze bedreiging voor hem bedoeld is gebaseerd is op zijn eigen aannames.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en dat het bestreden besluit in stand blijft.
8. Omdat er uitspraak is gedaan op het beroep, bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De rechtbank wijst het verzoek daarom af.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 23 juni 2026 door mr. J.C.E. Krikke, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. M.A. Hollander, griffier.
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:
[document]
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen twee weken na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen zelfstandig rechtsmiddel open.
Deze uitspraak verwijst naar
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.