Uitspraak · Vreemdelingenrecht

Rechtbank Den Haag, 22 oktober 2026

ECLI:NL:RBDHA:2026:31449Zaaknummer NL25.50163

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
22 oktober 2026
Publicatiedatum
27 oktober 2026
Zaaknummer
NL25.50163
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats
Middelburg
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Visum kort verblijf; reisdoel familiebezoek; sociale binding; hoorplicht; gegrond.

De uitspraak is bekendgemaakt op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. [eiseres] , eiseres
  2. Procesverloop
  3. Overwegingen
  4. Beslissing

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.50163

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , eiseres

V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. P.H. Hillen),

en

de minister van Buitenlandse zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. F.E.M. Wintjes).

Procesverloop

Bij het bestreden besluit van 20 oktober 2025 heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag om verlening van een visum voor kort verblijf kennelijk ongegrond verklaard.[_5b0affc2-b670-441b-ac59-7ef01a9761ca]

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft het beroep op 8 oktober 2026 op zitting behandeld in Breda. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres, referent en de gemachtigde van verweerder.

Overwegingen

1. Eiseres is geboren op [geboortedag] 1978 en heeft de Marokkaanse nationaliteit. Zij heeft op 19 februari 2025 verzocht om afgifte van een visum kort verblijf om haar zus en haar zwager, [referent] (referent), te bezoeken.

2. Verweerder heeft de afwijzing van de visumaanvraag bij het bestreden besluit gehandhaafd, onder verwijzing naar artikel 32, eerste lid, aanhef en onder a, onder ii en iii, en onder b, van de Visumcode. Eiseres heeft het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf onvoldoende aangetoond en er bestaat redelijke twijfel over het voornemen van eiseres om het grondgebied van het Schengengebied vóór het verstrijken van de geldigheidsduur van het visum te verlaten. Er bestaat redelijke twijfel aan haar tijdige terugkeer naar Marokko, omdat zij onvoldoende sociale en economische binding met dat land heeft aangetoond. Haar gestelde werkzaamheden en opleiding zijn niet met objectieve stukken onderbouwd. De betrouwbaarheid van referent en de eerdere visumverlening aan haar moeder maken dit niet anders, omdat iedere aanvraag individueel wordt beoordeeld. Verder stelt verweerder dat op grond van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb[_7708a06e-676c-44f1-b112-a2ca879b94ee] van horen mocht worden afgezien. Eiseres heeft voldoende gelegenheid gehad om bewijsstukken over te leggen, maar heeft daarvan onvoldoende gebruikgemaakt. Ook heeft zij niet concreet gemaakt wat een hoorzitting aan de beoordeling had kunnen toevoegen.

3. Eiseres is het niet eens met het bestreden besluit en stelt dat verweerder haar bezwaar ten onrechte kennelijk ongegrond heeft verklaard. Volgens eiseres zijn het reisdoel en de familierelatie met referent in bezwaar voldoende onderbouwd. Verweerder heeft bovendien onvoldoende gewicht toegekend aan de betrouwbaarheid van referent en aan de omstandigheid dat haar moeder, voor wie dezelfde persoon referent was, driemaal een visum heeft gekregen en telkens tijdig naar Marokko is teruggekeerd. Verder stelt eiseres dat verweerder de hoorplicht heeft geschonden door haar, ondanks herhaalde verzoeken, niet te horen. Tijdens een hoorzitting had zij haar standpunten nader kunnen toelichten.

De rechtbank oordeelt als volgt.

4. Op grond van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb kan verweerder van het horen afzien indien er, naar objectieve maatstaven bezien, op voorhand in redelijkheid geen twijfel mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend besluit.

5. De Afdeling[_8810126c-67b2-4371-aace-e5a4d3bce628] heeft op 6 juli 2022 een uitspraak gedaan over de hoorplicht in vreemdelingenzaken.[_c789da93-cdfd-4798-8152-f5bcde43aa0e] Daaruit volgt dat het uitgangspunt is dat een vreemdeling wordt gehoord in bezwaar. Dit uitgangspunt geldt te meer in zaken waarin er beoordelingsruimte is en de beslissing sterk afhankelijk is van de omstandigheden van het geval. Verder volgt uit de uitspraak van 6 juli 2022 dat terughoudend moet worden omgegaan met uitzonderingen op de hoorplicht. De vraag of van een gehoor kan worden afgezien, is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval. Als relevante omstandigheid heeft de Afdeling onder meer genoemd de mate waarin een vreemdeling bereidwillig en actief de inspanningen heeft verricht die redelijkerwijs van hem verwacht kunnen worden bij het verkrijgen en tijdig aanleveren van de verzochte informatie. De vuistregel is dat naarmate een vreemdeling meer inspanningen heeft verricht om de benodigde informatie te verkrijgen en daarover heeft gecommuniceerd, het meer in de rede ligt om hem uit te nodigen voor een hoorzitting.

6. In de bezwaarfase heeft eiseres zich actief ingespannen om haar reisdoel en de familierelatie tot referent voldoende duidelijk te maken. Zij heeft met geboorteaktes de familieband tot referent aangetoond. Hieruit blijkt dat de vrouw van referent en eiseres zussen zijn. Als reisdoel heeft eiseres toegelicht dat zij haar zus en zwager wil bezoeken in Nederland zodat zij haar neefje kan ontmoeten. Ook heeft eiseres ter zitting aangevoerd dat wel degelijk sprake is van sociale binding met Marokko. Zo is toegelicht dat eiseres bij haar ouders woont en een belangrijke rol vervult bij de verzorging van haar moeder. Zij woont bij haar ouders en binnen de familie wordt de zorg voor de ouders als een morele verplichting beschouwd. Referent heeft nader toegelicht dat de broer van eiseres werkzaam is als dokter. In de Marokkaanse cultuur is de man van het huis verantwoordelijk om de familie te voorzien van financieel onderhoud. Als ongehuwde vrouw ontfermt eiseres zich over de zorgtaken voor de moeder. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de gestelde zorgtaken niet met objectieve stukken zijn onderbouwd. Daarbij heeft verweerder erop gewezen dat de moeder van eiseres zelfstandig naar Nederland is gereisd, waardoor onduidelijk is in hoeverre zij daadwerkelijk afhankelijk is van de zorg van eiseres.

7. De rechtbank overweegt dat verweerder hiermee onvoldoende heeft gemotiveerd waarom op voorhand redelijkerwijs geen twijfel mogelijk was dat het bezwaar niet tot een ander besluit kon leiden. Vooropgesteld wordt dat eiseres het doel en de omstandigheden van de voorgenomen reis voldoende heeft aangetoond, zodat de daarmee samenhangende afwijzingsgrond niet langer houdbaar is. Daarbij komt dat de gestelde zorgtaken en familieverplichtingen relevant kunnen zijn voor de beoordeling van de sociale binding van eiseres met Marokko en daarmee voor de vraag of redelijke twijfel bestaat aan haar tijdige terugkeer. Dat deze omstandigheden niet met objectieve stukken zijn onderbouwd, betekent niet zonder meer dat een nadere toelichting tijdens een hoorzitting geen betekenis kon hebben. Juist omdat verweerder onduidelijk acht voor welke zorgtaken haar moeder van eiseres afhankelijk is, had een hoorzitting kunnen bijdragen aan de verduidelijking van deze omstandigheden. Daarbij betrekt de rechtbank dat de gemachtigde heeft gewezen op de leeftijd en persoonlijke omstandigheden van eiseres. Ook heeft haar zwager, die als referent ter zitting aanwezig was, benadrukt dat zodra de moeder van eiseres in Nederland is, zijn vrouw de zorg overneemt gedurende haar verblijf. Ook benadrukt hij garant te staan voor haar terugkeer en zijn eigen maatschappelijke positie niet in gevaar wil brengen. Hij is immers werkzaam als douane- en opsporingsambtenaar.

8. Gelet op het voorgaande kan niet worden gesproken van een kennelijk ongegrond bezwaar en had verweerder aanleiding moeten zien om eiseres, eventueel samen met referent, dan wel los van elkaar, te horen in de bezwaarfase. Dat eiseres bij de aanvraag heeft aangegeven bezig te zijn met een kappersopleiding en als doktersassistente heeft gewerkt, maakt horen niet overbodig maar juist aangewezen om eventuele onduidelijkheden daarover op te helderen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder ten onrechte heeft afgezien van het horen van eiseres in bezwaar. Het beroep van eiseres is gegrond.

9. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit omdat het is genomen in strijd met de artikelen 3:2 en 7:2 van de Awb. Dit betekent dat verweerder eiseres en/of referente alsnog moet horen en het bezwaar daarna opnieuw moet beoordelen. De rechtbank ziet daarom geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing te nemen. De rechtbank zal daarom verweerder opdragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

10. In de gegrondverklaring van het beroep tegen het bestreden besluit ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn vastgesteld op € 1.868 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 1). Daarnaast bepaalt de rechtbank dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van € 194 dient te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 20 oktober 2025;

- draagt verweerder op om een nieuw besluit te nemen, nadat eiser of referent is gehoord;

- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868 (achttienhonderdachtenzestig euro) aan

proceskosten aan eiser;

- bepaalt dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 194

(honderdvierennegentig euro) moet vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan op 22 oktober 2026 door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Gasi, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De uitspraak is bekendgemaakt op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

  1. Op grond van artikel 32, eerste lid, aanhef onder a, grond ii, en onder b, van de Verordening (EU) nr. 810/2009 (Visumcode).
  2. Algemene wet bestuursrecht.
  3. Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
  4. ECLI:NL:RVS:2022:1918.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Deze uitspraak verwijst naar

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.