Uitspraak · Vreemdelingenrecht

Rechtbank Den Haag, 5 oktober 2026

ECLI:NL:RBDHA:2026:31262Zaaknummer AWB 26/14390

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
5 oktober 2026
Publicatiedatum
27 oktober 2026
Zaaknummer
AWB 26/14390
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats
Arnhem
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

pkv-verzoek; coa; toegewezen.

Beslissing

De rechtbank veroordeelt het COa in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 934,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Gaastra, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Lange, griffier.

griffierrechter

Uitgesproken in het openbaar op 5 oktober 2026

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. [eiser] , v-nummer: [x] , eiser
  2. Inleiding
  3. Beoordeling door de rechtbank
  4. Beslissing
  5. Informatie over verzet

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 26/14390

uitspraak van de rechtbank van 5 oktober 2026 in de zaak tussen

[eiser] , v-nummer: [x] , eiser

(gemachtigde: mr. M. Stoetzer – van Esch),

en

het bestuur van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het verzoek van eiser om een veroordeling van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COa) in de proceskosten. Eiser heeft dit verzoek gedaan bij de intrekking van zijn beroep in verband met de mededeling van het COa van 18 augustus 2026 dat eisers recht op verstrekkingen op grond van de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005 (Rva) op 9 september 2026 eindigt, en hij dan ook uiterlijk op die datum de asielopvang moet verlaten. Eiser heeft het verzoek ingetrokken omdat het COa op 3 september 2026 heeft meegedeeld niet langer het standpunt te handhaven dat eisers recht op verstrekkingen op 9 september 2026 eindigt.

1.1.

De rechtbank heeft het COa in de gelegenheid gesteld te reageren op het verzoek om veroordeling in de proceskosten. Het COa heeft de rechtbankop 16 september 2026 meegedeeld dat het zich refereert aan haar oordeel.

1.2.

De rechtbankrechtbank doet zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.[_f074999e-2916-4ea5-b582-afe9f7670d6c]

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenveroordeling toe. Zij legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.

3. Als een beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het verzoekschrift is tegemoetgekomen, kan dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak worden veroordeeld in de proceskosten.[_1dbeaa88-c47a-41a5-9b03-dac8032cf31c]

4. Naar het oordeel van de rechtbank is het COa tegemoetgekomen aan het beroepschrift van eiser. Het COa heeft immers op 3 september 2026 erkend dat eisers recht op Rva-verstrekkingen pas eindigt vier weken nadat negatief wordt beslist op zijn beroep tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag, en niet al op 9 september 2026 – vier weken na de definitieve afwijzing van zijn aanvraag om uitstel van vertrek[_a63735ec-3486-409c-8dfa-e83700c852c0] van 11 augustus 2026.

5. Gelet hierop bestaat er aanleiding om het COa te veroordelen tot het vergoeden van eisers proceskosten in verband met het beroep. Deze vergoeding bedraagt € 934,-, omdat de gemachtigde een beroepschrift heeft ingediend.

6. Voor zover in het verzoek wordt gerefereerd aan een proceskostenveroordeling in de voorlopige voorziening, overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank heeft het verzoek om een voorlopige voorziening aangemerkt als een beroep tegen de mededeling van het COa. Eiser heeft hier geen bezwaar tegen gemaakt en ook geen apart verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. Er zijn daarom geen in het verzoek gemaakte proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.

Beslissing

De rechtbank veroordeelt het COa in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 934,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Gaastra, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Lange, griffier.

griffierrechter

Uitgesproken in het openbaar op 5 oktober 2026

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

  1. Met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, in samenhang met artikel 8:75a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
  2. Dit volgt uit artikel 8:75a van de Awb en is nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).
  3. Op grond van artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.