Uitspraak · Personen- en familierecht
Rechtbank Den Haag, 22 september 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:31139Zaaknummer C/09/688415 / FA RK 25-5300
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum uitspraak
- 22 september 2026
- Publicatiedatum
- 28 oktober 2026
- Zaaknummer
- C/09/688415 / FA RK 25-5300
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Personen- en familierecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig, Beschikking
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Vaststelling zorgregeling met opbouw en onder regie van de jeugdbeschermer
De rechtbank:
*
bepaalt dat de minderjarige [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2019 in
[geboorteplaats] contact met de moeder zal hebben:
- via (video)bellen, eventueel via de ‘veilige telefoon’;
- daarna ook, voor zover de jeugdbeschermer dat veilig en in het belang van [minderjarige] acht, door middel van begeleide omgang bij een omgangshuis één keer in de twee weken voor één uur per keer, waarbij de duur en frequentie van de contactmomenten worden bepaald zoals de jeugdbeschermer en/of de professionele instantie als passend ziet;
*
verklaart deze beschikking in zoverre uitvoerbaar bij voorraad;
*
wijst af het meer of anders verzochte.
| Deze beschikking is gegeven door mr. A.M. van der Vliet, kinderrechter, bijgestaan door mr. P.M.A. van Oosten als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 22 september 2026. |
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 25-5300
Zaaknummer: C/09/688415
Datum beschikking: 22 september 2026
Verdeling zorg- en opvoedingstaken
Beschikking op het op 12 juli 2025 ingekomen verzoek van:
[de moeder],
de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. S.K. Gopal in Den Haag.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de vader],
de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. A.G. de Jong in Den Haag.
Procedure
Bij beschikking van 20 november 2025 van deze rechtbank is:
- bepaald dat de minderjarige [minderjarige] (hierna: [minderjarige]), zodra de daarvoor benodigde hulpverlening beschikbaar is, voorlopig eens per twee weken voor de duur van één uur contact zal hebben met de moeder, onder begeleiding van een professionele instantie, welk contact de ouders in onderling overleg en eventueel onder begeleiding van de Raad kunnen uitbreiden;
- de Raad voor de Kinderbescherming verzocht een onderzoek te verrichten met het hiervoor omschreven doel en daarover aan de rechtbank te rapporteren en advies uit te brengen;
- iedere verdere beslissing ten aanzien van de verdeling van zorg- en opvoedingstaken aangehouden tot 15 juni 2026 pro forma;
- aan de vader toestemming verleend – die de toestemming van de moeder vervangt - om voor [minderjarige] een legitimatiebewijs aan te vragen.
De rechtbank heeft wederom kennisgenomen van de stukken, waaronder nu ook het rapport en advies van de Raad voor de Kinderbescherming regio Haaglanden (hierna: de Raad) van
21 juli 2026, kenmerk KZ-1-697PMTI.
Op 8 september 2026 is de behandeling op de zitting voortgezet en zijn zowel het onderhavige verzoek als het verzoek van de Raad tot ondertoezichtstelling van [minderjarige] (jeugdzaak met zaak- en rekestnummer C/09/709864 / JE RK 26-1330) gecombineerd behandeld. De kinderrechter heeft op de zitting mondeling uitspraak gedaan in de jeugdzaak en [minderjarige] onder toezicht gesteld van Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden van 8 september 2026 tot [geboortedatum] 2027.
Op de zitting zijn verschenen: de moeder (digitaal aanwezig) met haar advocaat, de vader met zijn advocaat, [naam 1] namens de Raad voor de Kinderbescherming en [naam 2] namens Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden (hierna: de gecertificeerde instelling).
Beoordeling
De rechtbank handhaaft al hetgeen bij haar beschikking van 20 november 2025 is overwogen en beslist.
Uit het raadsrapport blijkt het volgende. Op de vorige zitting was besproken dat de ouders zich zouden aanmelden bij [zorginstantie] voor omgangsbegeleiding. De moeder heeft zich echter niet kunnen aanmelden bij [zorginstantie], omdat haar adresgegevens volgens [zorginstantie] niet afgeschermd konden worden, aldus moeder. De vader heeft zichzelf ook niet aangemeld.
De politie is de afgelopen jaren meerdere malen bij het gezin aan huis geweest, meestal vanwege een huiselijke twist tussen de ouders of vanwege broer [broer]. Ook bij Veilig Thuis zijn meldingen bekend van ruzies tussen ouders. Veilig Thuis en [opvanglocatie], de huidige opvang van de moeder, hebben zorgen over de veiligheid van de moeder, maar zij hebben alleen met de moeder gesproken. De politie ziet geen signalen van intieme terreur. De moeder, [opvanglocatie] en Veilig Thuis zijn van mening dat er nog altijd een reëel risico bestaat dat de vader, zijn familie en de kinderen proberen te achterhalen waar de moeder verblijft, ook al ontkent de vader dit ten zeerste. De Raad is van mening dat de (on)veiligheid van moeder serieus genomen moet worden en dat er naar oplossingen gezocht moet worden waarbij alle betrokkenen zich veilig voelen.
[minderjarige] geeft aan geen moeder meer te hebben en haar ook niet te willen zien. De Raad vindt opmerkingen als deze erg zorgelijk. Mogelijk heeft [minderjarige] het idee te moeten kiezen tussen de ouders. Mogelijk is het een reactie op eerdere ervaringen met de moeder, omdat zij hem volgens de vader hard vast gepakt zou hebben. De vader heeft hierdoor zorgen geuit over de fysieke veiligheid van [minderjarige] bij de moeder. De moeder ontkent echter dat zij de kinderen pijn zou hebben gedaan. Uit de informatie verkregen vanuit de politie en Veilig Thuis heeft de Raad hier niks over kunnen vaststellen dan wel uitsluiten.
De Raad is van mening dat geprobeerd moeten worden de relatie tussen [minderjarige] en de moeder te herstellen. Mede gezien zijn nog jonge leeftijd zijn hier nog voldoende mogelijkheden voor. De Raad maakt zich echter zorgen over de positie waarin [minderjarige] terecht komt als de omgang daadwerkelijk tot stand komt en hij na de omgangsmomenten terugkomt in het huis van de vader, waar een negatief beeld van de moeder heerst. De Raad vraagt zich af of [minderjarige] in de thuissituatie bij de vader genoeg ruimte en emotionele toestemming krijgt om contact te hebben met de moeder. Begeleide omgang bij een omgangshuis zou mogelijkheden bieden voor een neutrale plek waar omgang tussen [minderjarige] en de moeder plaats kan vinden. De Raad is van mening dat het contactherstel tussen [minderjarige] en moeder intensief begeleid moet worden. Een zorgregeling zou laagdrempelig moeten starten zodat [minderjarige] het contact met de moeder veilig en vertrouwd kan opbouwen. De Raad adviseert dat de zorgregeling tussen [minderjarige] en de moeder als volgt wordt verdeeld:
- Stap 1: (video)bellen via de ‘veilige telefoon’ om het eerste contact te leggen;
- Stap 2: begeleide omgang bij een omgangshuis, één keer in de twee weken; één uur per keer;
- Stap 3: duur en frequentie van begeleide omgang uitbreiden zoals het omgangshuis dit als passend ziet.
Als later blijkt dat de begeleide omgang niet op een voor de moeder veilige manier kan worden vormgegeven, ziet de Raad op dit moment geen andere optie dan de omgang enkel via (video)bellen te laten verlopen.
De moeder refereert zich aan het advies van de Raad.
De vader verweert zich tegen het advies van de Raad. Hoewel de vader in zijn verweerschrift op het verzoek tot ondertoezichtstelling betoogde dat hij wil meewerken aan contactherstel, is op de zitting duidelijk geworden dat de vader dat helemaal niet wil. De vader vindt dat de moeder eerst beter moet worden en dat [minderjarige] tot die tijd niet met de moeder geconfronteerd moet worden.
De rechtbank constateert dat er sinds de vorige beschikking geen omgang tussen [minderjarige] en de moeder tot stand is gekomen. De vader laat veel weerstand zien tegen contactherstel tussen [minderjarige] en de moeder. Daarnaast zijn er zorgen over de moeder, mede vanwege haar ziekte, over haar onvermogen en onmacht om initiatief te nemen in het contact(herstel) met [minderjarige]. Ook zijn er zorgen om de veiligheid van de moeder, die al langere tijd op een geheime locatie in een vrouwenopvang verblijft. Er is ontzettend veel wantrouwen tussen de ouders. Dit alles samen genomen maakt dat het de ouders niet lukt om samen contact tussen de moeder en [minderjarige] tot stand te brengen, ook niet via een omgangshuis. Om die reden heeft de kinderrechter een jeugdbeschermer voor [minderjarige] benoemd. De rechtbank acht het in het belang van [minderjarige] noodzakelijk dat geprobeerd wordt om de relatie tussen [minderjarige] en de moeder te herstellen. De rechtbank zal voor de opbouw van dit contact het advies van de Raad volgen, waarbij er wordt gestart met (video)bellen. Op de zitting heeft de moeder aangegeven dat dit vanuit haar opvang kan worden geregeld. De omgang zal verder onder de regie van de jeugdbeschermer worden opgestart en indien mogelijk uitgebreid.
Zolang de ondertoezichtstelling duurt, heeft de jeugdbeschermer de regie. De ouders zullen de aanwijzingen van de jeugdbeschermer moeten opvolgen. De rechtbank ziet, mede gelet op de betrokkenheid van de jeugdbeschermer, geen aanleiding om de zaak opnieuw aan te houden en zal een eindbeschikking geven. Met deze beschikking hebben de ouders voldoende handvatten om het contact tussen [minderjarige] en de moeder, voor zover dat mogelijk is, te herstellen.
Beslissing
De rechtbank:
*
bepaalt dat de minderjarige [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2019 in
[geboorteplaats] contact met de moeder zal hebben:
- via (video)bellen, eventueel via de ‘veilige telefoon’;
- daarna ook, voor zover de jeugdbeschermer dat veilig en in het belang van [minderjarige] acht, door middel van begeleide omgang bij een omgangshuis één keer in de twee weken voor één uur per keer, waarbij de duur en frequentie van de contactmomenten worden bepaald zoals de jeugdbeschermer en/of de professionele instantie als passend ziet;
*
verklaart deze beschikking in zoverre uitvoerbaar bij voorraad;
*
wijst af het meer of anders verzochte.
| Deze beschikking is gegeven door mr. A.M. van der Vliet, kinderrechter, bijgestaan door mr. P.M.A. van Oosten als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 22 september 2026. |
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.