Uitspraak · Personen- en familierecht
Rechtbank Den Haag, 21 september 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:30999Zaaknummer C/09/708523 / KG ZA 26-763 en C/09/710875 / KG ZA 26-893
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum uitspraak
- 21 september 2026
- Publicatiedatum
- 22 oktober 2026
- Zaaknummer
- C/09/708523 / KG ZA 26-763 en C/09/710875 / KG ZA 26-893
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Personen- en familierecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig, Kort geding
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Eindvonnis na mondelinge tussenuitspraak in KG.
4 De beslissing
De voorzieningenrechter:
In zaak I:
vernietigt het op 21 mei 2026 tussen partijen gewezen verstekvonnis van de voorzieningenrechter van deze rechtbank met zaak- en rolnummer C/09/703517 / KG ZA 26-404;
en opnieuw rechtdoende:
wijst het gevorderde af;
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt;
In zaak II
wijst het gevorderde af;
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.J. Hoekstra-van Vliet en in het openbaar uitgesproken op 21 september 2026.
MS
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
Rechtbank den haag
Team handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/708523 / KG ZA 26-763 (zaak I) en C/09/710875 / KG ZA 26-893 (zaak II)
Vonnis in kort geding van 21 september 2026
in de zaak van
[de man] te [woonplaats 1],
opposant in zaak I/ eiser in zaak II,
advocaat: mr. S. Kandemir te Dordrecht,
tegen:
[de vrouw] te [woonplaats 2],
geopposeerde in zaak I / gedaagde in zaak II,
advocaat: mr. F.K. Hartman te Leiderdorp (zaak I) en mr. L. de Roode te Leiderdorp (zaak II).
Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘de man’ en ‘de vrouw’.
1 De procedure
In zaak I:
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het op 21 mei 2026 door deze rechtbank gewezen verstekvonnis met zaak- en rolnummer C/09/703517 / KG ZA 26-404;
- de dagvaarding in verzet met producties;
- de op 10 augustus 2026 door de vrouw overlegde producties;
- de op 17 augustus 2026 door de man overgelegde aanvullende producties;
- de op 18 augustus 2026 gehouden mondelinge behandeling;
- het proces-verbaal van de mondelinge uitspraak in kort geding ter zitting van 18 augustus 2026;
- de brief van de vrouw van 9 september 2026;
- de brief van de man van 9 september 2026;
- de brief van de man van 10 september 2026 met productie;
- de brief van de vrouw van 10 september 2026 met producties;
- de brief van de man van 11 september 2026 met producties.
In zaak II:
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties;
- de door de vrouw overgelegde conclusie vóór alle weren;
- het op 12 augustus 2026 door de rechtbank Midden-Nederland gewezen doorverwijzingsvonnis in kort geding met zaak- en rolnummer C/16/614914 / KG ZA 26-458;
- de door de vrouw overgelegde conclusie van antwoord;
- de op 18 augustus 2026 gehouden mondelinge behandeling;
- het proces-verbaal van de mondelinge uitspraak in kort geding ter zitting van 18 augustus 2026.
2 De verdere feiten
Tijdens de zitting van 18 augustus 2026 heeft de voorzieningenrechter bij mondeling vonnis beslist dat de tenuitvoerlegging van het verstekvonnis wordt geschorst voor de duur van drie weken tot 8 september 2026 en dat indien de man vóór 8 september 2026 een bedrag van minimaal € 25.000,- aan de vrouw betaalt, verdere tenuitvoerlegging van de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland van 28 april 2023 wordt geschorst, in afwachting van de uitkomsten van de door de man gestarte bodemprocedure tot wijziging van de kinderalimentatie.
Op 9 september 2026 heeft de vrouw de rechtbank geïnformeerd dat de man niet vóór 8 september 2026 is overgegaan tot betaling van het bedrag van € 25.000,-. Op 9 september is door de advocaat van de man aan de advocaat van de vrouw verzocht om het rekeningnummer van de vrouw. De vrouw heeft de man op dat moment onder vermelding van het rekeningnummer een mogelijkheid geboden om het bedrag voor 9 september 2026 om 13.00 uur te betalen. Dit heeft de man niet gedaan. De man heeft uiteindelijk op 9 september 2026 om 20.25 uur het bedrag van € 25.000,- overgemaakt aan de vrouw.
Voor de overige feiten verwijst de voorzieningenrechter naar het proces-verbaal van de mondelinge uitspraak in kort geding ter zitting van 18 augustus 2026.
3 De verdere beoordeling van het geschil
Nu beide zaken inhoudelijk nauw met elkaar samenhangen zullen die zaken hierna gezamenlijk worden besproken.
De voorzieningenrechter blijft bij hetgeen is overwogen en beslist in het proces-verbaal van de mondelinge uitspraak in kort geding ter zitting van 18 augustus 2026, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen of beslist.
Beoordeeld moet worden of de vrouw gerechtigd is de executie weer te hervatten omdat de man niet (tijdig) aan het vonnis van 18 augustus 2026 heeft voldaan.. De man betwist dat en stelt zich onder meer op het standpunt dat hij niet beschikte over het rekeningnummer van de vrouw zodat hij niet in staat was om het bedrag van € 25.000,- tijdig aan de vrouw over te maken. Nadat hij kennis had genomen van het rekeningnummer van de vrouw heeft het volgens hem enige tijd geduurd voordat het bedrag is overgemaakt, omdat de man zijn daglimiet moest wijzigingen. De vrouw betwist dat de man geen kennis had van haar rekeningnummer, omdat hij al eerder bedragen naar haar heeft overgemaakt. Daarnaast wijst de vrouw erop dat de man pas op 8 september 2026 heeft verzocht om het rekeningnummer, terwijl hij verplicht was om vóór 8 september 2026 het bedrag van € 25.000,- over te maken aan de vrouw.
De voorzieningenrechter stelt vast dat de man niet vóór 8 september 2026 een bedrag van € 25.000,- heeft overgemaakt aan de vrouw, maar dat hij dat bedrag pas op 9 september 2026 heeft betaald. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan in het midden blijven waarom de betaling een dag te laat heeft plaats gevonden. Weliswaar heeft de man met die verlate betaling niet exact voldaan aan de uitspraak van de voorzieningenrechter, maar de termijnoverschrijding van een dag acht de voorzieningenrechter onvoldoende zwaarwegend om het verstekvonnis te bekrachtigen en daarmee verdere executie te kunnen doen plaatsvinden middels lijfsdwang. Daargelaten dat het vooralsnog onduidelijk is wat de uitkomst van de bodemprocedure tot wijziging van de kinderalimentatie cijfermatig zal opleveren, acht de voorzieningenrechter het onder de gegeven omstandigheden in strijd met redelijkheid en billijkheid om het verstekvonnis te bekrachtigen. De vrouw heeft immers (slechts één dag later) het hele bedrag dat in het proces-verbaal van mondelinge uitspraak van 18 augustus is bepaald ontvangen. Haar belang bij verdere executie weegt nu dan ook minder zwaar dan de nadelige gevolgen van gijzeling voor de man en voor de kinderen. Bovendien moet voorkomen worden dat de man, als gevolg van lijfsdwang, zijn onderneming niet kan voortzetten en deze mogelijk ten gronde gaat. In dat geval zou er immers in het geheel geen inkomen meer door de man worden gegenereerd, wat niet in het belang is van de vrouw en de kinderen. Vast staat immers dat de man hoe dan ook een verplichting tot betaling van kinderalimentatie heeft en zal houden en dat die vooralsnog op grond van de thans nog geldende beschikking van de rechtbank Midden-Nederland van 28 april 2023 een bedrag van € 814,- per maand bedraagt.
De voorzieningenrechter zal daarom in zaak I het verstekvonnis van 21 mei 2026 vernietigen en opnieuw rechtdoende het door de vrouw gevorderde afwijzen. Onder deze omstandigheden heeft de man geen zelfstandig belang meer bij zijn vorderingen in zaak II, zodat de rechtbank deze zal afwijzen.
Omdat partijen een affectieve relatie met elkaar hebben gehad en omdat zij beiden gedeeltelijk in het gelijk en gedeeltelijk in het ongelijk zijn gesteld, wordt bepaald dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.
4 De beslissing
De voorzieningenrechter:
In zaak I:
vernietigt het op 21 mei 2026 tussen partijen gewezen verstekvonnis van de voorzieningenrechter van deze rechtbank met zaak- en rolnummer C/09/703517 / KG ZA 26-404;
en opnieuw rechtdoende:
wijst het gevorderde af;
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt;
In zaak II
wijst het gevorderde af;
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.J. Hoekstra-van Vliet en in het openbaar uitgesproken op 21 september 2026.
MS
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.