Uitspraak · Personen- en familierecht
Rechtbank Den Haag, 21 september 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:30973Zaaknummer C/09/697738 / FA RK 26-389
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum uitspraak
- 21 september 2026
- Publicatiedatum
- 28 oktober 2026
- Zaaknummer
- C/09/697738 / FA RK 26-389
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Personen- en familierecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig, Beschikking
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Gezag en omgang. Gezamenlijk gezag toegewezen, beslissing definitieve zorgregeling aangehouden.
Beslissing
De rechtbank – met wijziging in zoverre van de beschikking van deze rechtbank van 30 november 2021 –:
bepaalt dat voortaan aan de vader, gezamenlijk met de moeder, het gezag zal toekomen over de minderjarige [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2019 te [geboorteplaats];
*
bepaalt dat [minderjarige] voorlopig bij de vader zal zijn iedere dinsdag na school tot 19:00 uur en om de week op zondag 10:00 uur tot 15:00 uur, en in de vakanties iedere dinsdag 10:00 uur tot 15:00 uur en om de week op zondag van 10:00 uur tot 15:00 uur,
waarbij de vader [minderjarige] haalt aan het begin van de omgang en de moeder [minderjarige] haalt aan het einde van de omgang;
*
stelt vast dat de ouders overeengekomen zijn dat de vader aanwezig kan zijn bij de hockeytrainingen/hockeywedstrijden;
*
houdt iedere verdere beslissing ten aanzien van de definitieve zorgregeling aan tot 1 mei 2027 pro forma.
| Deze beschikking is gegeven door mr. A.S. Perniciaro, kinderrechter, bijgestaan door mr. J.R. Hokwerda als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 september 2026. |
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 26-389
Zaaknummer: C/09/697738
Datum beschikking: 21 september 2026
Gezag, zorg c.q omangsregeling
Beschikking op het op 7 januari 2026 ingekomen verzoek van:
[de vader],
de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. B. Beekman te Noordwijk.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de moeder],
de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. L.E. Vries te Amsterdam.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
- het verzoekschrift, ingekomen op 7 januari 2026;
- het bericht van 19 januari 2026, met bijlagen, van de zijde van de vader;
- het bericht van 19 februari 2026, van de zijde van de moeder;
- het bericht van 20 februari 2026, van de zijde van de vader;
- de brief van 11 mei 2026, van de zijde van de vader;
- de brief van 11 augustus 2026, met bijlage, van de zijde van de vader;
- het verweerschrift, ingekomen op 13 augustus 2026.
Op 21 augustus 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
- [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming.
Feiten
- Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.
- Zij zijn de ouders van [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2019 te [geboorteplaats].
- De man heeft [minderjarige] erkend.
- De vrouw oefent van rechtswege het eenhoofdig gezag uit over [minderjarige].
- [minderjarige] staat ingeschreven op het adres van de vrouw.
- Ouders hebben overeenkomstig het bepaalde in artikel 1:247a BW een ouderschapsplan opgesteld, welke bij beschikking van deze rechtbank van 30 november 2021 is bekrachtigd; hierin zijn ouders – voor zover hier van belang – het volgende overeengekomen:
- ouders kiezen nog niet voor gezamenlijk ouderlijk gezag, maar zij zullen hierover binnen zes maanden, althans op een door hun in overleg te bepalen moment, overleg voeren of op dat moment gezamenlijk gezag geëigend is;
- een zorgregeling, waarbij [minderjarige] bij de vader zal zijn de ene week op zaterdag van 10:00 uur tot 17:00 uur voor het eten en dinsdag na de opvang om 12:00 uur tot 18:30 ~ 19:00 uur na het eten, en in de andere week op zondagochtend van 9:30 uur tot 13:00 uur en op dinsdag na de opvang om 12:00 uur tot 18:30 ~ 19:00 uur na het eten;
- ouders zullen na zes maanden de zorgregeling evalueren, alsmede zullen ouders dan opnieuw overleg voeren over gezamenlijk ouderlijk gezag.
- Bij beschikking van deze rechtbank van 18 maart 2026 zijn ouders – voor zover hier van belang – naar de voor hen bekende mediator verwezen om onderlinge communicatie te verbeteren en afspraken te maken over [minderjarige].
Verzoek en verweer
De vader heeft na wijziging verzocht:
- te bepalen dat de vader in het vervolg samen met de moeder wordt belast met het ouderlijk gezag over de minderjarige [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2019 te [geboorteplaats];
- de omgangsregeling uit het ouderschapsplan te wijzigen, inhoudende dat [minderjarige] bij de vader is:
primair,
- gedurende acht maanden bij de vader iedere dinsdag na school tot 19:00 uur en om de week op zondag van 10:00 uur tot 15:00 uur, terwijl in de vakanties geldt dat [minderjarige] iedere dinsdag 10:00 uur tot 15:00 uur bij de vader is en om de week op zondag van 10:00 uur tot 15:00 uur, onder aanhouding van de procedure alvorens over een vervolgopbouw/uitbreiding wordt beslist;
subsidiair, indien de procedure niet wordt aangehouden verzoekt de vader uw rechtbank de volgende opbouwregeling vast te stellen,
- gedurende acht maanden is [minderjarige] bij de vader iedere dinsdag na school tot 19:00 uur en om de week op zondag van 10:00 uur tot 15:00 uur, terwijl in de vakanties geldt dat [minderjarige] iedere dinsdag 10:00 uur tot 15:00 uur bij de vader is en om de week op zondag van 10:00 uur tot 15:00 uur;
- gedurende de volgende vijf maanden is [minderjarige] bij de vader in de ene week op dinsdag na school tot 19:00uur na het eten en in de andere week van zaterdag 10:00 uur tot zondag 19:00 uur na het eten;
- gedurende de volgende vijf maanden is [minderjarige] bij de vader in de ene week op dinsdag na school tot woensdag voor school en in de andere week van zaterdag 10:00 uur tot zondag 19:00 uur na het eten;
- vervolgens is [minderjarige] bij de vader in de ene week op dinsdag na school tot woensdag voor school en in de andere week van zaterdag 10:00 uur tot dinsdag naar school;
- aldus te bepalen dat [minderjarige] in de kerstvakantie één week aangesloten bij de vader is en in de zomervakantie drie weken, waarvan twee weken aangesloten, bij de vader is;
te bepalen dat de vader [minderjarige] haalt aan het begin van de omgang en de moeder [minderjarige] haalt aan het einde van de omgang;
- de vader toestemming te geven om op woensdagen en op zaterdagen aanwezig te zijn op de hockeytraining/hockeywedstrijden van [minderjarige];
een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.
De moeder heeft verweer gevoerd, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Beoordeling
Gezag
Wettelijk kader
Op grond van artikel 1:253c lid 1 van het Burgerlijke Wetboek (BW) kan de tot het gezag bevoegde ouder van het kind, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder uit wie het kind is geboren heeft uitgeoefend, de rechtbank verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag over het kind te belasten. Het verzoek wordt op grond van artikel 1:253c lid 2 BW slechts afgewezen indien a) er een onaanvaardbaar risico bestaat dat het kind klem of verloren zal raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zal komen, of b) afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
Standpunt vader
De vader wil graag mede met het gezag over [minderjarige] worden belast. De vader heeft aangegeven dat hij meerdere malen heeft geprobeerd om met de moeder hierover in gesprek te gaan. De moeder weigert dit. Volgens de vader zijn er geen contra-indicaties voor het uitoefenen van gezamenlijk gezag over [minderjarige]. Integendeel, volgens hem zijn er duidelijke aanwijzingen waarom er gezamenlijk gezag nodig is. Dit is onder andere van belang om te voorkomen dat de moeder zonder overleg met de vader beslissingen over [minderjarige] neemt. Daarnaast geeft de vader aan dat hij niet wordt geïnformeerd door de moeder over school en over vakanties van [minderjarige] met de moeder.
Standpunt moeder
De moeder betwist dat zij de vader onvoldoende op de hoogte houdt van belangrijke informatie over [minderjarige]. Zij geeft aan dat zij de vader informeert over belangrijke zaken rondom [minderjarige] en dat het juist de vader is die de communicatie tussen ouders verstoort. Daarnaast geeft de moeder aan dat zij de vader heeft meermaals gewezen op de weerstand die [minderjarige] bij hem ervaart. Volgens de moeder erkent de vader deze zorgen onvoldoende en vat hij deze veelal op als een persoonlijke aanval. De gebrekkige communicatie heeft er mede toe geleid dat de huidige situatie heeft kunnen ontstaan en vormt volgens de moeder een duidelijke indicatie dat ouders onvoldoende in staat zijn om het gezamenlijk gezag op constructieve wijze uit te oefenen.
Inhoudelijke beoordeling door de rechtbank
Het verzoek van de vader zal de rechtbank toewijzen. De rechtbank stelt in haar beoordeling voorop dat het wettelijk uitgangspunt is dat ouders gezamenlijk het gezag over hun kind uitoefenen, tenzij sprake is van een onaanvaardbaar risico dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten valt dat hier binnen afzienbare tijd voldoende verbetering in komt en/of behoud van het eenhoofdig gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is. De rechtbank ziet geen aanleiding om van dit uitgangspunt af te wijken. Zij is van oordeel dat het in deze procedure niet aannemelijk is geworden dat sprake is van één van deze weigeringsgronden. De rechtbank overweegt dat het juist in het belang van [minderjarige] is dat beide ouders betrokken zijn bij haar verzorging en opvoeding.
Wel is gebleken dat de communicatie tussen de ouders stroef verloopt. Op de zitting hebben de ouders daarom samen met hun advocaten afspraken over de toekomstige communicatie gemaakt. De rechtbank vertrouwt erop dat beide ouders hun uiterste best zullen doen om hun communicatie te verbeteren en dat zij zich aan hun afspraken zullen houden.
De rechtbank merkt tot slot nog op dat op de zitting is gebleken dat de vader geen bezwaar heeft tegen het inschakelen van een kinderpsycholoog voor [minderjarige] en een training bij de [training]. Deze vormen van hulpverlening kunnen dus worden gestart.
Zorgregeling
De vader heeft verzocht de regeling uit het ouderschapsplan te wijzigen. Primair heeft hij verzocht om gedurende acht maanden de volgende regeling te hanteren: [minderjarige] verblijft iedere dinsdag na schooltijd tot 19.00 uur bij de vader en om de week op zondag van 10.00 uur tot 15.00 uur. Tijdens de vakanties verblijft [minderjarige] iedere dinsdag van 10.00 uur tot 15.00 uur en om de week op zondag van 10.00 uur tot 15.00 uur bij de vader. Daarnaast heeft de vader verzocht om de beslissing ten aanzien van de definitieve zorgregeling voor een periode van acht maanden aan te houden.
Op de zitting is gebleken dat de ouders het eens zijn over deze voorlopige zorgregeling. Gelet hierop zal de rechtbank het primaire verzoek van de vader toewijzen en een voorlopige zorgregeling vaststellen. De rechtbank zal iedere verdere beslissing over de definitieve zorgregeling aanhouden in afwachting van het verloop van de voorlopige zorgregeling. De rechtbank benadrukt dat het in het belang van [minderjarige] is dat beide ouders de zorgregeling nakomen, zodat [minderjarige] de emotionele toestemming van de ene ouder in het contact met de andere ouder kan ervaren.
Vervangende toestemming hockey
De vader heeft vervangende toestemming verzocht om op woensdagen en op zaterdagen aanwezig te zijn bij de hockeytraining/hockeywedstrijden van [minderjarige]. Nu op de zitting is gebleken dat de moeder vindt dat het de vader vrij staat om hierbij aanwezig te zijn. Om toekomstige misverstanden te voorkomen, zal de rechtbank dit als overeenstemming tussen ouders opnemen in het dictum.
BeslissingDe rechtbank – met wijziging in zoverre van de beschikking van deze rechtbank van 30 november 2021 –:
bepaalt dat voortaan aan de vader, gezamenlijk met de moeder, het gezag zal toekomen over de minderjarige [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2019 te [geboorteplaats];
*
bepaalt dat [minderjarige] voorlopig bij de vader zal zijn iedere dinsdag na school tot 19:00 uur en om de week op zondag 10:00 uur tot 15:00 uur, en in de vakanties iedere dinsdag 10:00 uur tot 15:00 uur en om de week op zondag van 10:00 uur tot 15:00 uur,
waarbij de vader [minderjarige] haalt aan het begin van de omgang en de moeder [minderjarige] haalt aan het einde van de omgang;
*
stelt vast dat de ouders overeengekomen zijn dat de vader aanwezig kan zijn bij de hockeytrainingen/hockeywedstrijden;
*
houdt iedere verdere beslissing ten aanzien van de definitieve zorgregeling aan tot 1 mei 2027 pro forma.
| Deze beschikking is gegeven door mr. A.S. Perniciaro, kinderrechter, bijgestaan door mr. J.R. Hokwerda als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 september 2026. |
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.