Uitspraak · Omgevingsrecht

Rechtbank Den Haag, 21 oktober 2026

ECLI:NL:RBDHA:2026:30947Zaaknummer SGR 26/6646

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
21 oktober 2026
Publicatiedatum
28 oktober 2026
Zaaknummer
SGR 26/6646
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Omgevingsrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig, Voorlopige voorziening
Zittingsplaats
Den Haag
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Vovo tegen een vijftal lasten onder dwangsom die het college verzoekers heeft opgelegd vanwege illegale bouwwerken bij woning gedeeltelijk toegewezen en voorlopige voorziening getroffen die inhoudt dat verzoekers gedurende de lopende beroepsprocedure slechts gedeeltelijk aan de opgelegde lasten hoeven te voldoen.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek gedeeltelijk toe;

- schorst bij wijze van voorlopige voorziening het bestreden besluit van 17 juni 2026 en het besluit van 9 maart 2026, voor zover daarin is gelast om het bouwwerk op het zij-erf, dat in strijd met artikel 22.26 van het omgevingsplan is opgericht (last 1), te verwijderen en nadien blijvend verwijderd te houden, tot de uitspraak in beroep;

- wijst het verzoek af voor het overige;

- bepaalt dat het college het griffierecht van € 200,- aan verzoekers moet vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H. Smits, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van drs. A.C.P. Witsiers, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 21 oktober 2026.

griffierde voorzieningenrechter is verhinderd

mede te ondertekenen

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. [verzoekers sub 1] en [verzoekers sub 2], te [woonplaats], verzoekers
  2. Samenvatting
  3. Procesverloop
  4. Beoordeling door de voorzieningenrechter
  5. Conclusie en gevolgen
  6. Beslissing
  7. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 26/6646

uitspraak van de voorzieningenrechter van 21 oktober 2026 in de zaak tussen

[verzoekers sub 1] en [verzoekers sub 2], te [woonplaats], verzoekers

en

het college van burgemeester en wethouders van Teylingen, het college

(gemachtigde: mr. D. van Werkhoven).

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over een vijftal lasten onder dwangsom die het college verzoekers heeft opgelegd. Verzoekers zijn het hier niet mee eens. Zij verzoeken daarom om een voorlopige voorziening en voeren daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of hij een voorlopige voorziening zal treffen of het beroep een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt hij aan de hand van de door verzoekers aangevoerde gronden.

De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek gedeeltelijk toe en treft een voorlopige voorziening die inhoudt dat verzoekers gedurende de lopende beroepsprocedure slechts gedeeltelijk aan de opgelegde lasten hoeven te voldoen. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Procesverloop

2. Een toezichthouder van de gemeente heeft naar aanleiding van een melding op 17 juni 2025 en 8 september 2025 controles uitgevoerd op het perceel [adres 1], waarbij onder meer is geconstateerd dat op het perceel zonder de vereiste omgevingsvergunning en in strijd met het bestemmingsplan (1) een uitbouw onder het balkon, (2) een aanbouw aan de achterzijde een (3) terrassteiger, (4) oeverbeschoeiing, (5) een berging aan de voorzijde van de woning en (6) een erfafscheiding waren gerealiseerd dan wel in stand werden gehouden.

Het college heeft met het besluit van 9 maart 2026 ten aanzien van de bouwwerken onder 2 tot en met 6 een last onder dwangsom opgelegd. Met het bestreden besluit van 14 augustus 2026 op het bezwaar van verzoekers is het college bij dit besluit gebleven. Verzoekers hebben hiertegen beroep ingesteld (zaak SGR 26/6644) en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.

Met het besluit van 7 september 2026 heeft het college de begunstigingstermijn verlengd tot 4 weken na de uitspraak op het verzoek.

Het college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift. Verzoekers hebben nadere stukken overgelegd. Het college heeft een nader verweerschrift ingediend. Verzoekers hebben daarop gereageerd.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 8 oktober 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker [verzoekers sub 1] en de gemachtigde van het college, vergezeld door mr. L. Elderhorst.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Bestreden besluit

3. Met het bestreden besluit heeft het college, conform het advies van de commissie bezwaren en klachten van 11 augustus 2026, de met het besluit van 9 maart 2026 opgelegde lasten onder dwangsom in stand gelaten.

Met het besluit van 9 maart 2026 heeft het college verzoekers de volgende lasten onder dwangsom opgelegd:

- het bouwwerk op het zij-erf, dat in strijd met artikel 22.26 van het omgevingsplan is opgericht, te verwijderen en nadien blijvend verwijderd te houden, bij gebreke waarvan verzoekers een dwangsom van €1.500,- per constatering met een maximum van €4.500,- kunnen verbeuren (last 1);

- de terrassteiger, die in strijd met artikel 13.2, aanhef en onder c, van het bestemmingsplan “Sassenheim-Zuid” is opgericht, te verwijderen en nadien blijvend verwijderd te houden of de oppervlakte terug te brengen tot maximaal 2,5 m2, bij gebreke waarvan verzoekers een dwangsom van €1.500,- per constatering met een maximum van €4.500,- kunnen verbeuren (last 2);

- de oeverbeschoeiing, die in strijd met artikel 22.26 van het omgevingsplan is opgericht, te verwijderen en nadien blijvend verwijderd te houden of terug te brengen tot een maximale hoogte van 3 meter, bij gebreke waarvan verzoekers een dwangsom van €1.000,- per constatering met een maximum van €3.000,- kunnen verbeuren (last 3);

- de berging aan de voorzijde van de woning, die in strijd met artikel 22.26 van het omgevingsplan is opgericht, te verwijderen en nadien blijvend verwijderd te houden of te verlagen tot 1 meter hoog en een oppervlakte van 2 m2, bij gebreke waarvan verzoekers een dwangsom van €750,- per constatering met een maximum van €2.250,- kunnen verbeuren (last 4) en

- de erfafscheiding, die in strijd met artikel 22.26 van het omgevingsplan is opgericht, te verwijderen en nadien blijvend verwijderd te houden of te verplaatsen naar het eigen perceel en de erfafscheiding die grenst aan openbaar toegankelijk gebied terug te brengen tot een maximale hoogte van 1 meter bij gebreke waarvan verzoekers een dwangsom van €750,- per constatering met een maximum van €2.250,- kunnen verbeuren (last 5).

Het college heeft in dit besluit over de in aanbouw zijnde overkapping overwogen dat dit een bouwwerk, geen gebouw zijnde betreft, waarvoor een omgevingsvergunning is vereist, omdat het niet in het achtererfgebied ligt, maar in het zij-erfgebied. Het ontbreken van een doorgang tussen de woning en de garage heeft tot gevolg dat de garage niet tot het hoofdgebouw behoort en als bijbehorend bouwwerk moet worden gezien.

Verder is overwogen dat het college geen feiten en omstandigheden bekend zijn op grond waarvan van handhavend optreden moet worden afgezien. Het algemeen belang dat gemoeid is met handhaving weegt zwaarder dan het belang van verzoekers met voortzetting van de overtredingen, aldus het college.

Spoedeisend belang

4. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als onverwijlde spoed dat vereist. Daarvan is onder meer sprake als zich zonder het treffen van een voorlopige voorziening onomkeerbare gevolgen voordoen die met zich meebrengen dat de uitkomst van de beroepsprocedure niet kan worden afgewacht.

5. Aangezien verzoekers op grond van de lasten de bouwwerken moeten verwijderen dan wel moeten aanpassen leidt voldoening aan die lasten tot onomkeerbare gevolgen. Bovendien kunnen verzoekers, indien zij niet aan de in het bestreden besluit vermelde lasten voldoen, op korte termijn in totaal een dwangsom van € 16.500,- verbeuren. Verzoekers hebben naar het oordeel voorzieningenrechter spoedeisend belang bij de gevraagde voorlopige voorziening.

Toetsingskader

6. Op grond van artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet is het verboden om zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten.

Een omgevingsplanactiviteit als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet wordt in de bijlage bij die wet gedefinieerd als:

a. een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het is verboden deze zonder omgevingsvergunning te verrichten en die niet in strijd is met het omgevingsplan; b. een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het is verboden deze zonder omgevingsvergunning te verrichten en die in strijd is met het omgevingsplan, of

c. een andere activiteit die in strijd is met het omgevingsplan.

Ter plaatse geldt het omgevingsplan gemeente Teylingen (het omgevingsplan).

Op grond van artikel 22.26 van het omgevingsplan is het verboden zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten​​ en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken.

Uit artikel 22.1 van de Omgevingswet, gelezen in samenhang met artikel 4.6, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet, volgt dat het tijdelijke deel van het omgevingsplan onder meer bestaat uit het ter plaatse voorheen geldende bestemmingsplan. Dat is het bestemmingsplan “Sassenheim-Zuid”. Op het perceel rusten onder meer de bestemmingen “Wonen-2” en “Tuin”.

Overtredingen

Last 1

7. De voorzieningenrechter stelt vast dat het bouwwerk achter de garages waar last 1 op ziet in de vooraankondiging van 19 januari 2026, in navolging van de controlerapporten van 17 juni 2025 en 8 september 2025 en het legalisatieonderzoek van 17 juli 2025, wordt aangemerkt als een overkapping in de zin van artikel 1.83 van het bestemmingsplan. In die vooraankondiging worden de volgende overtredingen vastgesteld. Voor zover de overkapping staat op gronden met de bestemming “Tuin” is de overkapping in strijd met artikel 9.2.1., aanhef en onder a, van het bestemmingsplan, waarin staat dat binnen de bestemming “Tuin” geen overkappingen zijn toegestaan. Voor zover de overkapping staat op gronden met de bestemming “Wonen-2” is sprake van strijd met artikel 15.2.2., aanhef en onder a van de planregels omdat met de bouw van de overkapping het maximum bebouwingspercentage van 50%, dat geldt voor aanbouwen, uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen op het zij- en achtererf, wordt overschreden. Daarnaast is sprake van strijd met het bepaalde onder c van laatstgenoemd artikel omdat de overkapping breder is dan 4 meter. Aangegeven wordt verder dat legalisatie niet mogelijk is omdat het college grote waarde hecht aan naleving van het maximum bebouwingspercentage in het zij- en achtererfgebied en het college gebouwen binnen de bestemming ”Tuin” niet wil toestaan, omdat de ruimtelijke kwaliteit en het groene karakter van de wijkmoet worden behouden.

7.1.

Verzoekers hebben in hun zienswijze aangegeven dat er geen sprake is van een overkapping maar hooguit van een open pergola/frame-constructie zonder dak en dat moet worden uitgegaan van de feitelijke situatie zonder rekening te houden met toekomstplannen. In het primaire handhavingsbesluit van 9 maart 2026 heeft het college erkend dat de in aanbouw zijnde overkapping niet kan worden gekwalificeerd als een overkapping omdat het bouwwerk nog geen dak heeft. Het college merkt het bouwwerk aan als een bouwwerk, geen gebouw en geen overkapping zijnde. Nu dat bouwwerk is opgericht zonder omgevingsvergunning wordt de last onder dwangsom opgelegd omdat sprake is van overtreding van artikel 22.26 van het omgevingsplan.

7.2.

In het advies van de commissie bezwaren en klachten (verder: bezwarencommissie) wordt overwogen dat uit het legalisatieonderzoek van het college volgt dat de overkapping niet voldoet aan de voorwaarden voor vergunningvrij bouwen en dat legalisatie planologisch niet mogelijk wordt geacht, omdat de maximale bebouwingsmogelijkheden op het achter- en zij-erf zijn benut. De bezwarencommissie ziet geen aanleiding om deze beoordeling voor onjuist te houden en concludeert dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat sprake is van een overtreding.

7.3.

Verzoekers stellen dat de bezwarencommissie ten onrechte uitgaat van een overkapping, terwijl het college in het primaire besluit heeft erkend dat geen sprake was van een overkapping maar van een overig bouwwerk, geen gebouw zijnde. De redenering van de commissie dat een overkapping niet kan worden gelegaliseerd "omdat de maximale bebouwingsmogelijkheden op het achter- en zij-erf zijn benut" gaat uit van de verkeerde kwalificatie als overkapping. De regel van het maximale bebouwingspercentage van 50% geldt niet voor overige bouwwerken, geen gebouw of overkapping zijnde. Daarvoor geldt alleen een maximale bouwhoogte van 3 meter, waaraan wordt voldaan. Gelet hierop heeft het college ten onrechte niet onderzocht of het huidige bouwwerk te legaliseren is. Daarvoor is gelet op paragraaf 5.2. van het Handhavingsuitvoeringsprogamma 2026 Teylingen (verder: Handhavingsuitvoeringsprogramma 2026) niet nodig dat er al een aanvraag is ingediend. Verzoekers betogen daarnaast, voor het geval wel wordt uitgegaan van een overkapping, dat legalisering wel mogelijk is. Eerdere voorstellen van de architect zijn ten onrechte niet betrokken en er is recent een aanvraag gedaan om een doorgang te realiseren tussen de woning en de garage, waardoor er wel voldoende bebouwingsmogelijkheden zijn voor een overkapping.

7.4.

De voorzieningenrechter stelt vast dat het college in het primaire besluit, in afwijking van de vooraankondiging, bij de vaststelling of sprake is van een overtreding terecht is uitgegaan van de kwalificatie van de aanbouw als een bouwwerk, geen gebouw en geen overkapping zijnde als bedoeld in de artikelen 9.2.4., onder c, en 15.2.4., onder d, van het bestemmingsplan. Er was ten tijde van het primaire besluit en ten tijde van het besluit op bezwaar geen sprake van een overkapping, nu het bouwwerk niet was voorzien van een dak. Uit het advies van bezwarencommissie, dat het college bij het bestreden besluit heeft overgenomen, blijkt echter dat weer wordt uitgegaan van de kwalificatie overkapping. Naar het voorlopig oordeel heeft het college daarmee de indruk gewekt dat de aan de primaire last ten grondslag liggende overtreding (weer) wordt gewijzigd, althans heeft het college daarover tenminste bij verzoekers onduidelijkheid gecreëerd. Uit de beroepsgronden blijkt ook dat daarover bij verzoekers onduidelijkheid is ontstaan. De voorzieningenrechter acht dat in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel, op grond waarvan een last onder dwangsom voldoende concreet en duidelijk moet zijn, ook ten aanzien van de overtreding waarop die last is gebaseerd.

7.5.

De voorzieningenrechter volgt het college niet in het betoog dat het feit dat de bezwarencommissie het bouwwerk in het advies heeft geduid als overkapping niet afdoet aan de rechtmatigheid van het bestreden besluit, omdat de last immers niet is gebaseerd op de kwalificatie van het bouwwerk, maar op de vastgestelde overtreding bestaande uit het in strijd met artikel 22.26 van het Omgevingsplan zonder omgevingsvergunning oprichten van een bouwwerk. Nu ook aan de last kan worden voldaan door alsnog een omgevingsvergunning aan te vragen is van belang dat voor verzoekers duidelijk is welke kwalificatie aan het bouwwerk wordt gegeven, nu de bouwregels in het bestemmingsplan voor een overkapping wezenlijk anders zijn dan de regels die gelden voor een ander bouwwerk, geen gebouw en geen overkapping zijnde. De bouwregels ten aanzien van overkappingen, zoals het maximum bebouwingspercentage en de maximale breedte van 4 meter, gelden immers niet voor bouwwerken, geen gebouw of overkapping zijnde. Zoals door het college ter zitting is toegelicht zijn dergelijke andere bouwwerken op grond van de artikelen 9.2.4., onder c, en 15.2.4., onder d, van het bestemmingsplan wel toegestaan binnen de bestemming “Tuin” en de bestemming “Wonen”, mits niet hoger dan 3 meter, waaraan in dit geval wordt voldaan. Het bouwwerk is, aldus die toelichting, alleen in strijd met de bestemming “Water”, voorzover het voor klein deel is gebouwd boven gronden met die bestemming.

7.6.

Gelet hierop is ook voor de vraag of de overtreding kan worden gelegaliseerd de kwalificatie van het bouwwerk van belang. De voorzieningenrechter volgt het college niet in het standpunt dat de stelling van verzoekers dat een bouwwerk, geen gebouw of overkapping zijnde, kan worden gelegaliseerd reeds niet kan slagen omdat er geen aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend. Uit het legalisatieonderzoek van 17 juli 2025 blijkt immers dat na de controle op 17 juni 2025 ambtshalve is onderzocht of de aanbouw, uitgaande van de kwalificatie overkapping, gelegaliseerd kon worden, zonder dat vooraf een aanvraag is gedaan. Zoals ter zitting toegelicht is dit gedaan op grond van het bepaalde in paragraaf 5.2. van de Handhavingsuitvoeringsprogramma 2026, waaruit blijkt dat er bij een mogelijke strijdige activiteit een legalisatieonderzoek plaatsvindt, waarbij de overtreding aan de Intaketafel wordt besproken op haalbaarheid van legalisatie. Niet gebleken is dat zodanig legalisatieonderzoek heeft plaatsgevonden uitgaande van de kwalificatie van een bouwwerk, anders dan een gebouw of overkapping. Daar was wel aanleiding toe, temeer nu, zoals hiervoor overwogen, het planologisch kader wezenlijk anders is.

8. Gelet op het voren overwogene bestaat er naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter twijfel of last 1 in de bodemprocedure stand zal houden. De voorzieningenrechter ziet hierin aanleiding om het bestreden besluit en het besluit van 9 maart 2026, voor zover deze betrekking hebben op last 1, te schorsen tot de uitspraak in beroep.

Lasten 2 tot en met 5

9. Uit de controlerapporten van 17 juni 2025 en 8 september 2025 blijkt dat de terrassteiger, oeverbeschoeiing, berging aan de voorzijde van de woning en erfafscheiding aan de achterzijde strijdig zijn met de bouwregels in het bestemmingsplan en dat daarvoor een omgevingsvergunning is vereist. Aangezien die niet is verleend, is sprake van een overtreding van artikel 5.1, aanhef en onder a, van de Omgevingswet.

9.1.

Deze overtredingen zijn naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter wel duidelijk geformuleerd en onderbouwd in het besluit van 9 maart 2026, dat met het bestreden besluit in stand is gelaten. Verzoekers hebben deze overtredingen ook niet, althans niet gemotiveerd betwist.

Het college was dan ook bevoegd om hiertegen handhavend op te treden.

Beginselplicht tot handhaving

10. Op grond van vaste rechtspraak geldt bij handhavingsbesluiten als uitgangspunt dat het algemeen belang gediend is met handhaving en dat om die reden in de regel tegen een overtreding moet worden opgetreden. Handhavend optreden is alleen onevenredig als er in het concrete geval omstandigheden zijn waaraan een zodanig zwaar gewicht toekomt dat het algemeen belang dat gediend is met handhaving daarvoor moet wijken. Dan is er een bijzonder geval waarin toch van handhavend optreden moet worden afgezien. Een bijzonder geval kan zich bijvoorbeeld voordoen bij concreet zicht op legalisatie, maar ook andere omstandigheden van het concrete geval kunnen leiden tot het oordeel dat er een bijzonder geval is. Andere redenen om van handhavend optreden af te zien kunnen zich bijvoorbeeld voordoen bij een schending van het gelijkheidsbeginsel of het vertrouwensbeginsel.[_c3f78b52-8fe0-4628-ad69-ab191d6b6bdf]

Concreet zicht op legalisatie ten aanzien van lasten 2 tot en met 5?

11. Voor het oordeel dat geen concreet zicht op legalisatie bestaat, volstaat in beginsel het enkele feit dat het college niet bereid is om een omgevingsvergunning voor afwijking van het omgevingsplan te verlenen. Slechts in uitzonderlijke gevallen kan hiervan worden afgeweken, namelijk indien op voorhand duidelijk is dat het besluit om niet tot legalisatie over te gaan rechtens onhoudbaar is. De rechter toetst de weigering om geen planologische medewerking te verlenen slechts zeer terughoudend.[_296a4358-de13-4248-9939-db2155c496eb]

11.1.

Uit het legalisatieonderzoek van 17 juli 2025 blijkt dat ten aanzien van onderhavige bouwwerken een legalisatieonderzoek is uitgevoerd, waarbij per bouwwerk is beoordeeld of een omgevingsvergunning kan worden verleend. De uitkomst daarvan is negatief. In de mail van 25 november 2025 gaat de juridisch adviseur Bouw- en Woningtoezicht gemotiveerd in op de voorstellen van de architect van verzoekers in de mail van 12 november 2025 en geeft per bouwwerk aan op welke wijze de overtreding door aanpassing van het betreffende bouwwerk, waar nodig met het aanvragen van een omgevingsvergunning, kan worden beëindigd. Het college is met inachtneming hiervan niet bereid medewerking te verlenen aan legalisatie van de bestaande bouwwerken. De mogelijkheden om aan de lasten te voldoen door aanpassing van de bouwwerken en waar nodig met het aanvragen van een omgevingsvergunning zijn in het primaire besluit per bouwwerk duidelijk opgenomen.

11.2.

De voorzieningenrechter vindt dat het college aldus voldoende onderzoek heeft gedaan naar de legalisatiemogelijkheden, waarbij de voorstellen van verzoekers zijn betrokken en voldoende is onderbouwd waarom legalisering niet mogelijk is. Hetgeen verzoekers hebben aangevoerd leidt niet tot het voorlopig oordeel dat op voorhand duidelijk is dat het niet meewerken aan legalisatie van de strijdige situaties waar de lasten 2 tot en met 5 op zien onhoudbaar is.

Vertrouwensbeginsel

12. Verder hebben verzoekers aangevoerd dat het vertrouwensbeginsel is geschonden, omdat de toezichthouder heeft toegezegd dat de steiger zou worden gewraakt.

12.1.

In de e-mail van de toezichthouder van 22 juli 2025 is het volgende vermeld:

“Ons handhavingsbeleid biedt ruimte voor een minnelijke oplossing. Dit betekent dat als we samen tot een juridisch houdbare oplossing komen, we hopelijk kunnen afzien van een formele handhavingsprocedure. Ook biedt dit voor mij meer ruimte om alleen de bouwwerken die volgens de prioriteitenlijst van het handhavingsbeleid een hoge prioriteit hebben aan te pakken en de overige bouwwerken te wraken. Wraken betekent dat we de overtreding erkennen, er ook iets aan gedaan moet worden, maar we voor nu de belangenafweging maken om nog niet te handhaven. De kans dat de belangenafweging om niet te handhaven wijzigt is niet groot, maar wel altijd aanwezig.”

Vervolgens heeft de toezichthouder in dezelfde e-mail het voorstel gedaan om de steiger te wraken.

12.2.

In het constateringsrapport van 8 september 2025 heeft de toezichthouder aangegeven dat hij heeft geconstateerd dat de situatie ter plaatse veranderd was. Er was onder meer een hekwerk gemaakt op de steiger die volledig op de grond staat van de gemeente.

12.3.

In de e-mail van 25 november 2025 van de juridisch adviseur Bouw- en Woningtoezicht is over dit bouwwerk vermeld dat het in de huidige situatie niet meer op een steiger oftewel een aanlegplaats voor schepen lijkt. Dit komt vooral doordat er op de steiger een afscheiding is gemaakt. Het is nu vooral bedoeld als vergroting van de tuin en het bouwwerk wijkt wat uiterlijke kenmerken betreft aanzienlijk af van de steigers in de omgeving. Het bouwwerk heeft op dit moment een grote ruimtelijke impact en valt daarom niet meer onder de bouwwerken die qua handhaving een lage prioriteit hebben. Op basis van ons handhavingsbeleid is wraking niet meer mogelijk en zijn wij genoodzaakt handhavend op te treden.

12.4.

De voorzieningenrechter kan het college volgen in het standpunt dat het voorstel in de mail van 22 juli 2025 om de steiger te wraken is gedaan uitgaande van de steiger zoals die tijdens die controle is aangetroffen. Dat het college hier in navolging van de e-mail van 25 november 2025 naar aanleiding van het constateringsrapport van 8 september 2025 op is teruggekomen kan de voorzieningenrechter begrijpen. Door de bouw van de afscheiding op de steiger, waardoor deze steiger feitelijk onderdeel is geworden van de tuin, is sprake van een wezenlijk ander bouwwerk dan ten tijde van de controle op 22 juli 2025. Voor zover al sprake is geweest van een toezegging dat de steiger op grond van het handhavingsbeleid kan worden gewraakt, is het college daar naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter op goede gronden van teruggekomen. Dat verzoekers dat hekwerk tijdelijk hebben geplaatst in verband met de veiligheid van hun kinderen is geen reden voor een ander oordeel.

Gelijkheidsbeginsel

13. Verzoekers stellen dat het college erkent dat 27 van de 40 door hem aangedragen gelijke gevallen vergelijkbaar zijn. Niet duidelijk is waarom in het geval van verzoekers wel handhavend wordt opgetreden en in de andere gevallen niet. Dat in het geval van verzoekers een melding is gedaan gaat niet op omdat die melding ten tijde van de last al was ingetrokken. Voor de genoemde gelijke gevallen heeft verzoeker meldingen gedaan. De enkele stelling dat die gevallen met drie zaken per jaar gefaseerd zullen worden aangepakt schiet te kort. Gelet op het aantal vergelijkbare gevallen en de verwachting dat er nog gevallen zullen bijkomen is niet aannemelijk dat al die gevallen daadwerkelijk aan de beurt komen. Er ontbreekt een planning waarin de vergelijkbare gevallen zijn opgenomen met de verwachte datum van optreden per adres. Ook ontbreekt onderbouwing dat inmiddels tegen de adressen [adres 2] en [adres 3] handhavend wordt opgetreden. Die fasering ligt ook bovendien nergens vast en strookt niet met het eigen Handhavingsuitvoeringsprogramma 2026. Een project of planning voor bouwwerken aan het water of een aanpak van die zaken per jaar komt daar niet in voor.

14. Het college stelt dat het een onderscheid mag maken tussen gemelde en niet-gemelde overtredingen. Het college kan niet alle adressen in [plaats] controleren op mogelijke overtredingen. Tegen verzoekers is handhavend opgetreden naar aanleiding van een melding. Naar aanleiding van de melding van verzoekers van de 40 adressen is een eerste check uitgevoerd en is gebleken dat 27 adressen mogelijk als vergelijkbare gevallen kunnen worden aangemerkt. Deze gevallen zullen gefaseerd worden opgepakt. Gelet op de beperkte capaciteit is het niet mogelijk om alle adressen in één keer op te pakken. Mocht uit een controle blijken dat er sprake is van een overtreding dan zal er handhavend worden opgetreden, zoals al bij het perceel van de buren van verzoekers aan de [adres 2] is gedaan. Dit ondersteunt het standpunt dat van schending van het gelijkheidsbeginsel geen sprake is.

15. De voorzieningenrechter overweegt dat prioriteitstelling is toegestaan om in het kader van doelmatige handhaving onderscheid te maken in de wijze waarop uitvoering wordt gegeven aan de handhavingstaak, mits dit er niet toe leidt dat tegen bepaalde overtredingen structureel niet wordt opgetreden. Uit het ‘Handhavingsuitvoeringsprogramma 2026’ (HUP) van de gemeente Teylingen blijkt niet dat handhaving op illegale bouwwerken projectmatig wordt aangepakt. Dit behoort derhalve tot de reguliere handhaving. In die gevallen mag het college, gelet op de beperkte handhavingscapaciteit, in beginsel prioriteit geven aan gevallen waarin een melding is gedaan. In die gevallen is het college immers gehouden om een onderzoek te doen of sprake is van een overtreding en, indien dat het geval is, dient het daartegen in beginsel handhavend op te treden. Dit mag er echter niet toe leiden dat in vergelijkbare gevallen in het geheel geen handhaving plaatsvindt. In dit geval is het college overgegaan tot controle en handhaving naar aanleiding van een melding. Dat die melding later is ingetrokken doet daar niet aan af, nu het college door die melding op de hoogte is geraakt van de overtredingen. Uit de stukken en de toelichting van het college ter zitting blijkt dat naar aanleiding van de meldingen van verzoekers van de 40 adressen een (bureau)onderzoek is ingesteld, waaruit is gebleken dat 27 gevallen mogelijk vergelijkbaar zijn. In die gevallen vindt nadere controle plaats en zal gefaseerd handhavend worden opgetreden. Ten aanzien van het adres [adres 2] is reeds een last onder dwangsom opgelegd en ook ten aanzien van het adres [adres 3] zal worden opgetreden. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft het college hiermee voorshands voldoende aannemelijk gemaakt dat ook in de door verzoekers genoemde vergelijkbare gevallen handhavend zal worden opgetreden, indien sprake is van een overtreding. Dat het college dit, gelet op de beperkte handhavingscapaciteit, gefaseerd aanpakt en dat meerdere jaren kan duren maakt niet dat handhaving jegens verzoekers strijdig is met het gelijkheidsbeginsel.

Andere bijzondere omstandigheden?

16. De voorzieningenrechter volgt verzoekers niet in hun stelling dat zich een bijzondere omstandigheid voordoet, omdat vanwege de veiligheid van hun kinderen een tijdelijk veiligheidshek langs de waterkant noodzakelijk en daarom van handhavend optreden tegen het hekwerk op de steiger zou moeten worden afgezien. Het staat verzoekers vrij om aan het college een omgevingsvergunning te vragen voor een tijdelijk veiligheidsvoorziening, voor zover die op grond van artikel 2.29 van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) al niet vergunningvrij te plaatsen is. De voorzieningenrechter adviseert verzoekers over de mogelijkheden in overleg te treden met het college. Van een bijzondere omstandigheid is daarom naar voorlopig oordeel geen sprake. Van andere bijzondere omstandigheden op grond waarvan van handhaving dient te worden afgezien is de voorzieningenrechter evenmin gebleken.

Overige gronden

17. De overige gronden van verzoekers kunnen niet leiden tot schorsing van het bestreden besluit en zullen in beroep worden beoordeeld.

Conclusie en gevolgen

18. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, zal de voorzieningenrechter het verzoek om het bestreden besluit te schorsen gedeeltelijk toewijzen en de voorlopige voorziening treffen dat het bestreden besluit en het handhavingsbesluit van 9 maart 2026 worden geschorst tot de uitspraak in beroep voor zover de betrekking hebben op last 1.

Wat verzoekers hebben aangevoerd ten aanzien van de lasten 2 tot en met 5 geeft geen grond voor de verwachting dat het bestreden besluit in zoverre in beroep geen stand zal houden. De voorzieningenrechter ziet hierin dan ook geen reden om het verzoek toe te wijzen.

19. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek gedeeltelijk toewijst moet het college het griffierecht aan verzoekers vergoeden. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek gedeeltelijk toe;

- schorst bij wijze van voorlopige voorziening het bestreden besluit van 17 juni 2026 en het besluit van 9 maart 2026, voor zover daarin is gelast om het bouwwerk op het zij-erf, dat in strijd met artikel 22.26 van het omgevingsplan is opgericht (last 1), te verwijderen en nadien blijvend verwijderd te houden, tot de uitspraak in beroep;

- wijst het verzoek af voor het overige;

- bepaalt dat het college het griffierecht van € 200,- aan verzoekers moet vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H. Smits, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van drs. A.C.P. Witsiers, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 21 oktober 2026.

griffierde voorzieningenrechter is verhinderd

mede te ondertekenen

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

  1. Zie o.m. de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 5 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:678, r.o. 6.1.
  2. Zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 20 december 2019, ECLI:NL:RVS:2019:4363, r.o. 4.1.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Deze uitspraak verwijst naar

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.