Uitspraak · Vreemdelingenrecht

Rechtbank Den Haag, 6 juli 2026

ECLI:NL:RBDHA:2026:30867Zaaknummer NL25.46497

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
6 juli 2026
Publicatiedatum
27 oktober 2026
Zaaknummer
NL25.46497
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats
Den Haag
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Regulier; machtiging tot voorlopig verblijf (mvv); referent valt onder jongvolwassenenbeleid; familie- en gezinsleven aangenomen; belangenafweging valt in het nadeel van eisers en referent uit; beroep is ongegrond.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. de Wit, rechter, in aanwezigheid van mr. L.W.H. Schippers, griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. Inleiding
  2. Beoordeling door de rechtbank
  3. Conclusie en gevolgen
  4. Beslissing

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.46497

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [V-nummer 1], eiser,

[eiseres], V-nummer: [V-nummer 2], eiseres

hierna gezamenlijk: eisers

(gemachtigde: mr. K. Yousef),

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. G. Erdal).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen de afwijzing van hun aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor verblijf bij hun zoon, [referent] (hierna: referent), in Nederland.

1.1.

Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 20 november 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 15 september 2025 op het bezwaar van eisers is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.

1.2.

Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

1.3.

De rechtbank heeft het beroep op 11 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: referent en de gemachtigde van eisers. Ook is er een tolk verschenen. Verweerder is met bericht vooraf niet verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?

2. Eiser is geboren op [geboortedatum 1] 1969 en eiseres is geboren op [geboortedatum 2] 1973. Eisers hebben de Syrische nationaliteit. Zij wensen bij referent te verblijven in Nederland. Referent is geboren op [geboortedatum 3] 2002 en heeft eveneens de Syrische nationaliteit. Referent heeft op 5 januari 2023 een mvv-aanvraag ingediend voor zijn ouders.

3. Verweerder heeft de aanvraag van eisers afgewezen. Hoewel verweerder aanneemt dat referent aan de vereisten voor het jongvolwassenenbeleid voldoet en er derhalve sprake is van familieleven in de zin van artikel 8 van het EVRM[_4262a63d-0d0d-45ed-8a22-21bca4c1a4b2], valt de belangenafweging in het nadeel van eisers en referent uit. Het economisch belang van de Nederlandse Staat weegt volgens verweerder zwaarder dan het belang van eisers om hun gezinsleven in Nederland uit te oefenen.

Wat vinden eisers in beroep?

4. Verweerder heeft het zorgvuldigheidsbeginsel geschonden, door de medische situatie van eiser onvoldoende te onderzoeken en mee te wegen. Verweerder onderschat de medische afhankelijkheid van eiser en weegt zijn medisch dossier niet kenbaar mee. Ook is het besluit onzorgvuldig omdat verweerder met betrekking tot referents inkomen uitgaat van een momentopname en eiser meer uren wil gaan werken. Dat eiser daarnaast langdurig op de openbare kas aangewezen zou zijn is een speculatie waarbij het perspectief van referent op het verrichten van arbeid en de partiële zelfredzaamheid van eisers genegeerd worden. Daarnaast weegt verweerder de (beginnende) zelfstandigheid van referent, die enkele dagen per maand werkzaam is bij [werkgever], ten onrechte in eisers nadeel mee. Ook het algemeen belang en restrictief toelatingsbeleid worden zonder individuele concretisering aan eisers en referent tegengeworpen. Daarnaast heeft verweerder niet gemotiveerd waarom er geen positieve verplichting bestaat om verblijf van eisers toe te staan. Hoewel verweerder erkent dat er een objectieve belemmering bestaat om het gezinsleven in Syrië uit te oefenen, motiveert verweerder niet waarom dit niet doorslaggevend is. Daarbij had verweerder onderzoek moeten doen naar de reële mogelijkheden om het gezinsleven in een ander land uit te oefenen. Verweerder neemt ten onrechte niet aan dat er bijzondere omstandigheden zijn, terwijl de fysieke nabijheid van het gezin noodzakelijk is voor eiser. Ook mag verweerder in eisers geval niet tegenwerpen dat het gezinsleven op afstand kan worden uitgeoefend. Verweerder moet de hardheidsclausule van artikel 4:84 van de Awb[_0079db88-a6b3-41cf-a4be-1d3c8297198a] toepassen.

Wat is het oordeel van de rechtbank?

5. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. De rechtbank legt hieronder uit hoe zij tot haar oordeel is gekomen.

5.1.

Tussen partijen is niet in geschil dat referent aan de vereisten van het jongvolwassenenbeleid voldoet en dat er daarom sprake is van familieleven in de zin van artikel 8 van het EVRM, zonder dat daarvoor bijkomende elementen van afhankelijkheid vereist zijn.

5.2.

Het feit dat er tussen referent en eisers sprake is van familie- of gezinsleven, maakt niet zonder meer dat eisers recht hebben op een verblijfsvergunning. Verweerder moet een belangenafweging maken waarbij hij het belang van de Nederlandse staat bij een beperkt toelatingsbeleid afweegt tegen het belang van de betrokkenen om zo te beoordelen of het vastgestelde gezinsleven ook met zich meebrengt dat het verblijf in Nederland moet worden toegestaan.[_864d6932-8146-4cc7-839b-e4088fe6bb8a] Bij die belangenafweging moet verweerder alle relevante feiten en omstandigheden betrekken en tot een “fair balance” (redelijk evenwicht) komen. In geschil is of verweerder de belangenafweging in het nadeel van eisers mocht laten uitvallen. De rechtbank toetst of verweerder alle relevante feiten en omstandigheden in zijn belangenafweging heeft betrokken, dit moet de rechtbank vol toetsen. De uitkomst van de gemaakte belangenafweging dient de rechtbank enigszins terughoudend te toetsen. Dat betekent onder meer dat de rechtbank het gewicht dat verweerder aan de verschillende belangen heeft toegekend, enigszins terughoudend moet toetsen. De rechtbank toetst of verweerder in redelijkheid tot die uitkomst heeft kunnen komen.

6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder alle relevante individuele feiten en omstandigheden in de beoordeling heeft betrokken en de belangenafweging niet ten onrechte in het nadeel van eisers heeft laten uitvallen. Verweerder heeft het economisch belang van de Nederlandse overheid zwaarder mogen laten wegen dan het belang van eisers om in Nederland familieleven uit te oefenen met hun zoon.

6.1.

Hoewel het jongvolwassenenbeleid van toepassing is, en het bestaan van familieleven in het voordeel van referent en eisers is betrokken, betekent dit niet dat de belangenafweging in hun voordeel moet uitvallen. Verweerder heeft in het nadeel van eisers mogen meewegen dat referent over een zekere mate van zelfstandigheid beschikt en zich sinds zijn vertrek uit Syrië in Nederland staande heeft kunnen houden. Verweerder heeft daarbij kunnen betrekken dat eiser zelfstandig woont in Nederland, een opleiding heeft gevolgd en ongeveer 30 uur per maand bij [werkgever] werkt. Omdat referent meerderjarig is, heeft verweerder zich ook op het standpunt mogen stellen dat van referent mag worden verwacht dat hij zelfstandig een leven opbouwt in Nederland.[_67cf5472-5da4-4305-8848-a21814910f1a] Sinds de komst van referent in Nederland heeft het familieleven met eisers daarbij op afstand vorm gekregen. Verweerder heeft erop mogen wijzen dat het voor referent mogelijk is om op afstand contact te onderhouden met eisers en dat niet is gebleken dat dit in de toekomst niet kan worden voortgezet. Daarbij heeft verweerder eisers mogen tegenwerpen dat niet is gebleken in welke mate en op welke wijze eisers hulpbehoevend zijn van referent ten gevolge van hun gestelde medische problematiek. Ook heeft verweerder in het nadeel van eisers mogen wegen dat niet is gebleken van een dermate intensief familieleven dat er op de Nederlandse overheid een positieve verplichting rust om verblijf van eisers toe te staan.

6.2.

Verweerder heeft het economisch belang in het nadeel van referent en eisers mogen meewegen. Verweerder heeft het aannemelijk mogen vinden dat eisers voor een groot deel, al dan niet volledig, ten laste zullen komen van de Nederlandse samenleving. Referent heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij voldoende inspanningen verricht om in de toekomst in het levensonderhoud van eisers te kunnen voorzien. Verweerder heeft erop kunnen wijzen dat referent met zijn werkzaamheden bij [werkgever] voor 30 uur in de maand onvoldoende inkomsten verwerft om in zijn het levensonderhoud van eisers te kunnen voorzien. Daarbij ontvangt referent een uitkering. Ter zitting heeft referent aangevoerd dat hij inmiddels zijn opleiding heeft afgerond inmiddels een fulltime arbeidscontract heeft bij [werkgever]. Maar eiser heeft de gestelde uitbreiding van zijn werkuren niet met stukken onderbouwd, terwijl dit wel op zijn weg ligt. Daarnaast heeft eiser ook zijn plan om een MBO-opleiding te gaan volgen, niet met stukken onderbouwd. Daarbij heeft verweerder er terecht op gewezen dat het economisch belang ook gaat over de bescherming van de arbeidsmarkt en de door de overheid gefinancierde voorzieningen zoals onderwijs, gezondheidszorg en infrastructuur. Verweerder heeft het aannemelijk mogen vinden dat eisers, indien zij in Nederland zouden verblijven, aanspraak zullen maken op bijvoorbeeld de gezondheidszorg.

6.3.

Verweerder heeft ook waarde mogen hechten aan het restrictieve toelatingsbeleid, omdat eisers niet vallen onder de doelgroep van het nareisbeleid mag verweerder dat in hun nadeel wegen. Daarnaast heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank deugdelijk gemotiveerd waarom de objectieve belemmering, om het familie- en gezinsleven in Syrië uit te oefenen, in het voordeel van eisers is meegewogen maar niet doorslaggevend is. Verweerder heeft toegelicht dat het doorslaggevende gewicht ligt bij het belang van de Nederlandse staat met het voeren van een restrictief toelatingsbeleid en het beschermen van de Nederlandse economie. De rechtbank is daarbij van oordeel dat er op verweerder geen verplichting rust om onderzoek te doen naar de mogelijkheid voor referent en eisers om gezinsleven uit te oefenen in een derde land.

6.4.

Verweerder heeft zich op het standpunt mogen stellen dat eisers niet geconcretiseerd hebben op welk onderdeel van het beleid afgeweken had moeten worden op basis van artikel 4:84 van de Awb. De door eiser aangevoerde omstandigheden zijn immers in de belangenafweging betrokken. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.

8. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. de Wit, rechter, in aanwezigheid van mr. L.W.H. Schippers, griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

  1. Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
  2. Algemene wet bestuursrecht.
  3. Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) 29 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2145.
  4. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 25 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2485.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Deze uitspraak verwijst naar

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.