Uitspraak · Vreemdelingenrecht
Rechtbank Den Haag, 23 juni 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:30865Zaaknummer NL25.53981
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum uitspraak
- 23 juni 2026
- Publicatiedatum
- 27 oktober 2026
- Zaaknummer
- NL25.53981
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig, Voorlopige voorziening
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Regulier; leges overgemaakt zonder vermelding zaaknummer en vorderingsnummer; aanvraag buiten behandeling gelaten; afwijzing van het verzoek om een voorlopige voorziening.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. de Wit, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. L.W.H. Schippers, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.53981
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[verzoeker], V-nummer: [V-nummer], verzoeker
(gemachtigde: mr. J. Singh),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker. Verzoeker verzoekt de rechtbank verweerder te verbieden hem uit te zetten hangende bezwaar tegen het bestreden besluit van 30 oktober 2025, waarin verweerder de aanvraag van verzoeker om een verblijfsdocument EU/EER niet in behandeling heeft genomen.
Verweerder heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 11 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker en de gemachtigde van verzoeker. De echtgenote van verzoeker, [echtgenote], was ook aanwezig. De gemachtigde van verweerder heeft zich afgemeld voor de zitting.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser heeft de Afghaanse nationaliteit. Verweerder heeft de aanvraag van verzoeker niet in behandeling genomen, omdat verzoeker de leges niet heeft betaald. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
Wat vindt verzoeker?
3. Het is in strijd met het evenredigheidsbeginsel dat de aanvraag buiten behandeling is gelaten, omdat het niet in verhouding staat tot de ernst van de fout. Ook is het niet redelijk. Bij de betaling van de leges is per abuis een onvolledig referentienummer vermeld. Referent heeft vervolgens het betaalde bedrag terugontvangen. Op 30 oktober 2025 is het volledige legesbedrag opnieuw overgemaakt. Het bestreden besluit van 30 oktober 2025 heeft de betaling gekruist. Op het moment dat verzoeker het besluit ontving, op 3 november 2025, had hij de leges volledig en correct voldaan binnen de gestelde termijn. Zijn aanvraag is dan ook ten onrechte niet in behandeling genomen.
Wat is het oordeel van de voorzieningenrechter?
4. Voor het treffen van een voorlopige voorziening is vereist dat sprake is van onverwijlde spoed. Daarvan is sprake. Uit het bestreden besluit volgt dat verzoeker geen verblijfsrecht in Nederland meer heeft en dat hij binnen vier weken Nederland moet verlaten. Als verzoeker dat niet doet, kan hij worden uitgezet. Hij mag de behandeling van zijn bezwaar niet in Nederland afwachten. Verzoeker heeft daarom een spoedeisend belang bij de verzochte voorziening.
De voorzieningenrechter toetst verder of het bezwaar redelijke kans van slagen heeft en de uitzetting van verzoeker daarom moet worden verboden. Op de legesbrief van 11 september 2025 staat dikgedrukt vermeld ‘Let op!’, gevolgd door de mededeling dat als het zaaknummer en het vorderingsnummer niet worden vermeld, dat het kan zijn dat de aanvraag niet in behandeling wordt genomen. Op zitting heeft verzoeker aangevoerd dat de legesbetaling op 15 september 2025 binnen de gestelde termijn is overgemaakt, maar zonder vermelding van het zaaknummer en vorderingsnummer. Het vermelden van een zaaknummer en vorderingsnummer is echter van belang om de betalingen te kunnen herleiden tot ingediende aanvragen of aanvragers. Verweerder heeft de betaling op 25 september 2025 teruggestort.
Verzoeker is vervolgens middels de herstelverzuimbrief van 26 september 2025 in de gelegenheid gesteld om de legesbetaling alsnog binnen twee weken te voldoen. Op 30 oktober heeft verzoeker het legesbedrag overgemaakt. Dat is buiten de gestelde betalingstermijn gedaan. Uit rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat wanneer betaling van de verschuldigde leges achterwege blijft, verweerder is gehouden die aanvraag niet te behandelen. Op grond van artikel 24, tweede lid, van de Vw[_0b317a42-147e-432f-8de3-7493f05989e9] in samenhang gelezen met artikel 4:5 van de Awb[_577e022b-90fc-4fa0-b8fc-e2092753dd1b], geldt dat verweerder, wanneer de vreemdeling ook na een geboden herstelmogelijkheid in gebreke blijft de leges te betalen, gehouden is te besluiten de aanvraag buiten behandeling te laten.
Nu de betaling van 30 oktober 2025 niet tijdig is, acht de rechtbank het niet reëel dat het bezwaar redelijke kans van slagen heeft. Dat de eerste betaling van 15 september 2025 wel tijdig was, kan verzoeker niet baten, nu die betaling niet aan de zaak gekoppeld kon worden vanwege het ontbreken van het zaak- en vorderingsnummer.
Voor zover verzoeker stelt dat er sprake is van onevenredigheid en de belangenafweging in zijn voordeel moet uitvallen, volgt de rechtbank verzoeker niet. Dat verzoeker nu geen zorgverzekering heeft of kan aanvragen, zoals verzoeker op zitting heeft aangevoerd, maakt ook niet dat de belangenafweging in zijn voordeel uitvalt. Dit geldt namelijk voor iedere vreemdeling wiens aanvraag in behandeling is. Ook de lange behandelduur van aanvragen en bezwaarschriften bij verweerder maakt niet dat de belangenafweging in zijn voordeel moet uitvallen.
Conclusie en gevolgen
5. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit niet worden opgeschort.
6. Verzoeker krijgt het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. de Wit, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. L.W.H. Schippers, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Voetnoten
- Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
- Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.