Uitspraak · Vreemdelingenrecht
Rechtbank Den Haag, 23 juni 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:30864Zaaknummer NL25.56681
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum uitspraak
- 23 juni 2026
- Publicatiedatum
- 27 oktober 2026
- Zaaknummer
- NL25.56681
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Regulier; machtiging tot voorlopig verblijf (mvv); Syrische nationaliteit; feitelijke gezinsband; jongvolwassenenbeleid; onzorgvuldige besluitvorming; onvoldoende doorgevraagd in het gehoor; eisers omstandigheden onvoldoende in besluitvorming betrokken; afhankelijkheidsrelatie eiser en referent; beroep is gegrond.
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.864,- aan proceskosten.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. de Wit, rechter, in aanwezigheid van mr. L.W.H. Schippers, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.56681
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. M.J.A. Bakker),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van de aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) in het kader van nareis die zijn vader, [referent] (referent), voor hem heeft ingediend.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 3 april 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 7 november 2025 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
De rechtbank heeft het beroep op 11 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: referent, de echtgenote van referent en de gemachtigde van eiser. Als tolk was aanwezig D. Suleman. Verweerder is met bericht vooraf niet verschenen.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser is geboren op [geboortedatum 1] 2001 en heeft de Syrische nationaliteit. Referent is geboren op [geboortedatum 2] 1969 en heeft ook de Syrische nationaliteit. Aan referent is bij besluit van 2 februari 2023 een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend. Eiser verblijft in Turkije en wenst verblijf bij zijn vader in Nederland. Referent heeft gelijktijdig met de aanvraag voor eiser ook een aanvraag ingediend voor zijn andere zoon, [naam], geboren op [geboortedatum 3] 1996. Verweerder heeft die aanvraag eveneens afgewezen, maar het beroep richt zich daar niet tegen.
3. Verweerder heeft de aanvraag van eiser afgewezen, omdat eiser de feitelijke gezinsband tussen hem en referent niet aannemelijk heeft gemaakt. Eiser voldoet niet aan de voorwaarden van het jongvolwassenenbeleid. Verweerder neemt aan dat eiser, gelet op zijn leeftijd, jongvolwassen is en ook dat eiser altijd met zijn ouders in gezinsband heeft samengeleefd. Ook neemt verweerder aan dat eiser geen zelfstandig gezin heeft gevormd. Daarentegen vindt verweerder het niet aannemelijk dat eiser niet in zijn eigen levensonderhoud voorziet, vanwege tegenstrijdige en inconsistente verklaringen en omdat verweerder het niet aannemelijk vindt dat eiser geen stappen naar zelfstandigheid heeft gezet.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd waarom eiser niet aan het jongvolwassenenbeleid zou voldoen. Verweerder heeft ondeugdelijk gemotiveerd waarom eiser in zijn eigen levensonderhoud zou hebben voorzien. Ook is sprake van onzorgvuldig handelen door verweerder door eiser onjuiste verklaringen van referent voor te houden. Dat dit uit het proces-verbaal van het gehoor van referent 9 april 2022 zou blijken, volgt eiser niet. De reis van referent naar Nederland is betaald met spaargeld en goud. Het is onjuist dat vader heeft verklaard dat het spaargeld is verdiend door de zoons met werken, referent verklaart enkel dat ‘zijn kinderen’ de reis hebben betaald. Eiser heeft daarbij niet voorzien in zijn eigen levensonderhoud door het helpen van zijn vader met het maken van gordijnen. Eiser heeft daarmee slechts zijn vader geholpen, zodat zijn vader in het onderhoud van het gezin kon voorzien. Eiser kreeg niet betaald. Verweerder werpt daarnaast ten onrechte tegen dat eiser niet consistent heeft verklaard over het aantal gewerkte dagen. Beide broers verklaren daarover hetzelfde, dit is juist wel consistent. Tot slot is er sprake van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheid tussen eiser en referent. Eiser is medisch afhankelijk, hij heeft de continue zorg en ondersteuning van zijn familie nodig. Eiser heeft zijn hele leven bij zijn gezin gewoond. Doordat het gezin heeft moeten vluchten voor een oorlogssituatie is er sprake van een sterkere emotionele betrokkenheid.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De rechtbank is van oordeel dat het beroep gegrond is. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt. De rechtbank legt hieronder uit hoe zij tot haar oordeel is gekomen.
Verweerder gebruikt het jongvolwassenenbeleid om vast te stellen of tussen een meerderjarig kind en zijn ouder(s) familie- of gezinsleven bestaat als bedoeld in artikel 8 van het EVRM zonder dat verweerder daarvoor bijkomende elementen van afhankelijkheid vereist. Het jongvolwassenenbeleid in paragraaf B7/3.8.1 van de Vc[_b2f242db-3414-41f8-bc0d-79a7e4341188] bevat vier inhoudelijke cumulatieve vereisten: het meerderjarig kind moet jongvolwassen zijn, met zijn ouder(s) in gezinsverband samenleven, niet in zijn eigen onderhoud voorzien en geen zelfstandig gezin hebben gevormd. Dit betekent dat, als het meerderjarig kind niet voldoet aan een of meer van deze vereisten, het niet voldoet aan het jongvolwassenenbeleid.
Partijen zijn het niet eens over de vraag of eiser in zijn eigen levensonderhoud voorziet. De rechtbank is van oordeel dat sprake is van onzorgvuldige besluitvorming door verweerder. Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat referent in het aanmeldgehoor heeft verklaard dat zijn reis naar Nederland ongeveer €8000,- heeft gekost en dat zijn kinderen daar zeven jaar hard voor hebben gewerkt.[_b45e7929-7eb2-41d3-9760-e576e0855b19]
Naar het oordeel van de rechtbank is het besluit onzorgvuldig tot stand gekomen en is onvoldoende gemotiveerd dat eiser niet onder het jongvolwassenenbeleid valt. Verweerder heeft niet tot de conclusie kunnen komen dat eiser en referent tegenstrijdig hebben verklaard. Uit de verklaring van referent tijdens zijn aanmeldgehoor, dat zijn kinderen hebben gewerkt om zijn reis te bekostigen, volgt namelijk geval niet zondermeer dat eiser (zeven jaar) heeft gewerkt. Referent heeft immers vijf kinderen en niet wordt duidelijk welke van zijn kinderen hij bedoelt. Eiser verklaart in het gehoor weliswaar dat hij drie of vier dagen heeft gewerkt. Later verklaart hij dat hij een of twee keer per week met referent meeging naar zijn werk. Naar het oordeel van de rechtbank blijft het onduidelijk of eiser heeft gewerkt om in zijn eigen onderhoud te voorzien of dat hij enkel zijn vader heeft geholpen. Verweerder heeft in het gehoor onvoldoende doorgevraagd hiernaar. Ook wordt in het gehoor niet doorgevraagd naar de duur van zijn eventuele werkzaamheden, terwijl hem in het bestreden besluit wel wordt tegengeworpen dat referent heeft verklaard dat de kinderen een lange periode, namelijk zeven jaar, hebben gewerkt. Bovendien verklaart eiser in het gehoor ook dat hij op dat moment geen werk heeft en dat hij zijn tijd doorbrengt met sporten en gamen. De enkele motivering van verweerder dat eiser niet wordt gevolgd in zijn stelling dat hij niet kan werken in Turkije vanwege discriminatie omdat referent wel heeft kunnen werken, is ook onvoldoende. Verweerder heeft de hiervoor genoemde verklaringen van eiser naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende in zijn besluitvorming betrokken, evenals de jonge leeftijd waarop eiser gewerkt zou moeten hebben, indien de verklaringen van referent worden gevolgd. De conclusie dat eiser tegenstrijdig heeft verklaard, kan niet worden gedragen door de gegeven motivering.
Het is verder onvoldoende duidelijk wat de afhankelijkheidsrelatie tussen eiser en referent is. Zo is onvoldoende duidelijk of eiser wel financieel afhankelijk is van referent. De in beroep overgelegde betalingsbewijzen van betalingen door referent aan eiser dateren van na het bestreden besluit, dus dit onderbouwt niet dat eiser (ten tijde van het bestreden besluit) financieel afhankelijk was van zijn vader. Maar nu ter zitting eveneens is verklaard dat eiser ook al jaren financieel wordt gesteund door andere familieleden, die verspreid over de wereld wonen, zal verweerder ook hier nog nader onderzoek naar moeten doen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder niet heeft kunnen concluderen dat eiser in zijn eigen levensonderhoud voorziet enkel omdat referent heeft verklaard dat zijn kinderen hebben gewerkt om zijn reis te bekostigen en eiser ook heeft verklaard een paar dagen te hebben gewerkt. Het besluit ontbeert dan ook een draagkrachtige motivering.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat verweerder een nieuw besluit moet nemen op het bezwaar van eiseres met inachtneming van deze uitspraak.
7. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. De rechtbank stelt de proceskostenvergoeding op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 1.864,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.864,- aan proceskosten.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. de Wit, rechter, in aanwezigheid van mr. L.W.H. Schippers, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Voetnoten
- Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc).
- Proces-verbaal van het aanmeldgehoor, p. 1.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.