Uitspraak · Vreemdelingenrecht

Rechtbank Den Haag, 17 juli 2026

ECLI:NL:RBDHA:2026:30861Zaaknummer NL25.57738 V

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
17 juli 2026
Publicatiedatum
26 oktober 2026
Zaaknummer
NL25.57738 V
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig, Verzet
Zittingsplaats
Den Haag
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Verzet is gegrond; beroep niet tijdig beslissen (ntb); verweerschrift niet onderkend en betrokken.

Beslissing

De rechtbank verklaart het verzet gegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. de Wit, rechter, in aanwezigheid van mr. L.W.H. Schippers, griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. [geopposeerde], V-nummer: [V-nummer], geopposeerde
  2. Inleiding
  3. Overwegingen over het verzet
  4. Gronden van verzet van opposant
  5. Conclusie en gevolgen
  6. Beslissing

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.57738 V

uitspraak van de enkelvoudige kamer op het verzet van

de minister van Asiel en Migratie, opposant[_89643583-0fb7-46c6-8371-4fad886232a9]

tegen de uitspraak van de rechtbank van 13 februari 2026 in het geding tussen

opposant

en

[geopposeerde], V-nummer: [V-nummer], geopposeerde

(gemachtigde: mr. O.C. Bondam).

Inleiding

1. Geopposeerde heeft op 30 april 2025 beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit door opposant op haar asielaanvraag van 31 december 2023.

1.1.

Bij uitspraak van 13 februari 2025 (de bestreden uitspraak) heeft de rechtbank het beroep van geopposeerde gegrond verklaard, het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit vernietigd en opposant opgedragen om binnen acht weken na de dag van verzending van de uitspraak alsnog een besluit te nemen op de aanvraag. Uw rechtbank heeft voorts bepaald dat opposant aan geopposeerde een dwangsom van €100,- verbeurt voor elke dag waarmee hij de genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van €7.500,-. Ten slotte heeft uw rechtbank opposant veroordeeld in de proceskosten.

1.2.

Opposant heeft tegen deze uitspraak verzet ingesteld.

1.3.

Opposant heeft niet verzocht om op een zitting te worden gehoord.

Overwegingen over het verzet

2. De rechtbank beoordeelt eerst of in de uitspraak van 13 februari 2025 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel[_5db35fee-0d0a-4e16-b652-17b8a09482a2] is dat het beroep gegrond is. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet.

3. De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Het beroep van opposant

4. Geopposeerde heeft op 31 december 2023 een asielaanvraag ingediend. Zij vindt dat opposant te lang doet over het nemen van een beslissing op haar aanvraag. Geopposeerde heeft daarom een beroep ingediend tegen het niet-tijdig beslissen op haar aanvraag.

De uitspraak van 13 februari 2026

5. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Dat mag de rechtbank als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft het beroep kennelijk gegrond geacht. De reden hiervoor is dat de bij uitspraak van 2 juni 2025 opgedragen termijn om te beslissen of een nader gehoor te houden eindigde op 28 juli 2025 en om na een eventueel nader gehoor een beslissing te nemen eindigde op 22 september 2025. Ten tijde van de uitspraak van 13 februari 2026 had er nog geen nader gehoor plaatsgevonden en was er nog niet op de aanvraag beslist. De rechtbank acht het daarbij niet van belang of de eerder opgelegde dwangsom ten tijde van het instellen van het beroep nog niet was volgelopen.

Gronden van verzet van opposant

6. De rechtbank heeft het beroep van geopposeerde ten onrechte kennelijk ongegrond verklaard met toepassing van artikel 8:54 Awb. De rechtbank heeft het verweerschrift van 12 februari 2026 niet kenbaar in de beoordeling betrokken. De rechtbank overweegt bovendien ten onrechte dat opposant geen verweerschrift heeft ingediend.

6.1.

In het verweerschrift heeft opposant het standpunt ingenomen dat er sprake is van samenhang tussen geopposeerde en haar familieleden. Geopposeerde heeft een partner en maakt deel uit van een gezin, bestaande uit haar moeder, pleegvader, drie broers, twee halfbroers en een halfzus. Zij hebben ook een aanvraag ingediend. De rechtbank heeft op 2 juni 2025 het beroep van geopposeerde tegen het niet tijdig beslissen op haar aanvraag gegrond verklaard (kenmerk: NL25.19912). De pleegvader van geopposeerde, [pleegvader], heeft een beroep tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag ingediend. Op 24 oktober 2025 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, zijn beroep gegrond verklaard (kenmerk: NL25.41802). De rechtbank heeft in beide zaken geoordeeld dat bij het niet halen van de termijn een dwangsom wordt verbeurd. Maar omdat de pleegvader van geopposeerde al een beroep tegen het niet tijdig beslissen op de asielaanvraag (kenmerk: NL25.41802) heeft ingesteld, en ten tijde van het instellen van dit beroep door geopposeerde die termijn nog niet was verstreken (en de gerechtelijke dwangsom nog niet was volgelopen), was opposant niet in gebreke. Uit Afdelingsuitspraken van 15 juli 2020 en 21 september 2022[_3949df92-a3cc-45e7-8e32-f8c39f5d388e] volgt dat bij asielaanvragen van onder meer een echtpaar en familieleden sprake kan zijn van zodanige samenhang dat een redelijke toepassing van de artikelen 4:17, eerste lid, en 8:55d, tweede lid, van de Awb meebrengt dat het bestuursorgaan één dwangsom kan verbeuren. De rechtbank heeft nagelaten de samenhang kenbaar te betrekken bij het bepalen van de rechtelijke dwangsom, waardoor twee rechtelijke dwangsommen parallel zijn gaan lopen binnen één gezinsdossier.

De regels in verzet

7. Verzet gaat over de vraag of de rechtbank ten onrechte tot vereenvoudigde behandeling is overgegaan wegens de kennelijke uitkomst van - in dit geval - het beroep van opposant. Dit betekent dat de beoordeling van de rechtbank in verzet beperkt is tot de vraag of terecht uitspraak is gedaan zonder opposant op zitting te horen. Als in verzet argumenten naar voren worden gebracht die in geval van een normale behandeling ook nog hadden kunnen worden aangevoerd, moet worden beoordeeld of hierdoor twijfel ontstaat over de uitkomst. Zo ja, dan moet de rechter het verzet gegrond verklaren zodat nader onderzoek kan plaatsvinden.

Het oordeel van de rechtbank

8. De verzetsgrond van opposant slaagt. Uit wat opposant heeft aangevoerd, volgt dat de rechtbank in de bestreden uitspraak ten onrechte heeft geoordeeld dat het beroep buiten redelijke twijfel gegrond was en dat de zaak ten onrechte zonder zitting is afgedaan.

De rechtbank is immers van oordeel dat het verweerschrift van 12 februari 2026 ten onrechte niet is onderkend en betrokken in de bestreden uitspraak.

Conclusie en gevolgen

9. Het verzet is gegrond. Dat betekent dat de uitspraak van 13 februari 2026 vervalt en de rechtbank het onderzoek hervat in de stand waarin dat zich bevond voordat die uitspraak werd gedaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart het verzet gegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. de Wit, rechter, in aanwezigheid van mr. L.W.H. Schippers, griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

  1. Met opposant wordt bedoeld de indiener van het verzetschrift.
  2. Dit volgt uit artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
  3. Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de raad van State (de Afdeling) van 15 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1624 en de uitspraak van de Afdeling van en 21 september 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2719.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Deze uitspraak verwijst naar

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.