Uitspraak · Vreemdelingenrecht

Rechtbank Den Haag, 6 oktober 2026

ECLI:NL:RBDHA:2026:30859Zaaknummer NL25.58489

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
6 oktober 2026
Publicatiedatum
26 oktober 2026
Zaaknummer
NL25.58489
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats
Den Haag
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Asiel; geen zelfstandig asielmotief; verklaringen over wat er in het ziekenhuis is gezegd niet tegenstrijdig; verklaringen over moment mishandeling en over de arrestatie wel tegenstrijdig; discriminatie niet zo ernstig dat het als daad van vervolging moet worden aangemerkt; HDP-lidmaatschap niet aannemelijk; wel politieke overtuiging, daarom is er sprake van een zorgvuldigheidsgebrek en motiveringsgebrek; verklaring over verschijnen bij de rechtbank ongeloofwaardig; eiser valt niet onder risicoprofiel; vrees voor dienstplichtweigering niet aannemelijk; problemen vanwege eisers vader niet onderbouwd; niet ambtshalve toetsen aan Besluit 1/80; beroep is gegrond.

De rechtbank:

  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit van 21 november 2025;
  • draagt de minister op om een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiser met inachtneming van deze uitspraak;
  • veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser;
  • veroordeelt de minister tot betaling van € 194,- aan griffierechten aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Smeets, rechter, in aanwezigheid van mr. L.W.H. Schippers, griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. [eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser
  2. Beoordeling door de rechtbank
  3. Conclusie en gevolgen
  4. Beslissing

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.58489

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser

(gemachtigde: mr. M. Erik),

en

de minister van Asiel en Migratie (hierna: de minister)

(gemachtigde: mr. M. Latul).

Inleiding [_e7a3d4ca-4349-4106-8b85-ed2832e910fb]

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag. Eiser heeft op 16 december 2022 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 21 november 2025 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond.

1.1.

De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

1.2.

De rechtbank heeft het beroep op 8 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, M. Ermek als tolk en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?

Het asielrelaas

2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 2002, heeft de Turkse nationaliteit en behoort tot de Koerdische bevolkingsgroep. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser verklaart dat hij in Turkije meermaals is gediscrimineerd en mishandeld vanwege zijn Koerdische etniciteit. Eiser was lid van de HDP. Hij verklaart in 2015 mishandeld te zijn, omdat hij propaganda op een muur aan het plakken was. In 2018 is hij opgepakt en mishandeld tijdens de feestdag Newroz-viering, omdat hij een Koerdische vlag bij zich droeg. Hierbij heeft eiser letsel aan zijn oor opgelopen. Na zijn vertrek uit Turkije is eiser officieel opgeroepen voor de militaire dienst. Eiser verklaart voor zijn vertrek meerdere keren te zijn benaderd voor de militaire dienst. Eiser heeft geweigerd de dienstplicht te vervullen. Ook verklaart eiser meerdere keren opgeroepen te zijn om naar de rechtbank te komen wegens een motor die eiser had aangeschaft. Eiser is niet naar de rechtbank gegaan voor deze zittingen.

Het bestreden besluit

3. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende relevante asielmotieven:

  • eisers identiteit, nationaliteit en herkomst;
  • discriminatie vanwege eisers Koerdische etniciteit;
  • militaire dienstplicht;
  • eisers lidmaatschap van de HDP, eisers politieke overtuiging en activiteiten voor de HDP en de daaruit voortvloeiende problemen;
  • verschijnen voor de rechtbank.
3.1.

De minister vindt eisers identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig. Ook dat eiser de militaire dienstplicht heeft geweigerd vindt de minister geloofwaardig.

3.2.

De discriminatie vanwege eisers Koerdische etniciteit vindt de minister deels geloofwaardig. De minister vindt eisers verklaringen over dat eiser als Koerd op school en op werk discriminatie heeft ervaren wel geloofwaardig. Maar de minister vindt de mishandeling in 2018, nadat eiser was meegenomen naar het politiebureau wegens het tonen van de Koerdische vlag, niet geloofwaardig.

3.3.

Ook niet geloofwaardig vindt de minister eisers lidmaatschap van de HDP, eisers politieke overtuiging en activiteiten voor de HDP en de daaruit voortvloeiende problemen. Eiser heeft volgens de minister onvoldoende documenten overgelegd zonder goede verklaring. Eiser heeft geen verschoonbare reden voor het niet overleggen van de HDP-lidmaatschapspas en eiser heeft geen registratie van zijn HDP-lidmaatschap uit e-Devlet overgelegd. Ook eisers verklaringen vormen volgens de minister geen samenhangend en aannemelijk geheel. Eiser verklaart summier over de HDP, waarom hij is gestopt bij de HDP en over zijn activiteiten voor de HDP. Daarbij verklaart eiser ongerijmd en oppervlakkig over dat hij wordt gevolgd op sociale media. Ook verklaart eiser volgens de minister tegenstrijdig over hoe de HPD-lidmaatschapspas er uit ziet. Volgens de minister heeft eiser geen politieke overtuiging

3.4.

Ook zijn verklaring dat eiser in de rechtbank moet verschijnen vanwege de aanschaf van een motor vindt de minister niet geloofwaardig, omdat eisers verklaringen daarover geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen.

3.5.

Gelet op het voorgaande heeft de minister de asielaanvraag afgewezen als ongegrond. Aan eiser is een terugkeerbesluit, gericht op vertrek naar Turkije, met een vertrektermijn van vier weken uitgereikt.

Wat vindt eiser in beroep?

4. Eiser is het niet eens met de afwijzing van zijn asielaanvraag en voert in beroep het volgende aan. Ten eerste heeft de minister ten onrechte niet als asielmotief vastgesteld dat eiser actief is op sociale media en dat hij daardoor bedreigingen ontvangt. De minister heeft eisers activiteiten op sociale media niet in zijn beoordeling betrokken. Eiser kan daarnaast niet meer documenten overleggen om zijn lidmaatschap van en activiteiten voor de HDP te onderbouwen, want hij heeft geen toegang tot e-Devlet. Ook heeft eiser geen aangifte gedaan vanwege het kwijtraken van zijn HDP-lidmaatschapspas, maar dit maakt zijn relaas niet ongeloofwaardig en daarbij is met een aangifte nog niet aangetoond dat hij lid was van de HDP. Eiser is in 2018 mishandeld bij de Newroz-viering en heeft in 2019 zijn lidmaatschap opgezegd, dit is niet tegenstrijdig met elkaar en maakt ook de mishandeling niet ongeloofwaardig. Ook eisers verklaringen ten aanzien van wat in het ziekenhuis heeft plaatsgevonden na het oplopen van letsel aan zijn oor zijn niet tegenstrijdig. Daarnaast werpt de minister ten onrechte tegen dat eiser summier heeft verklaard over zijn betrokkenheid bij de HDP en over de dienstplicht, het had op de weg van de minister gelegen daarover door te vragen. Dat eiser zich op sociale media uit is ook niet ongerijmd met de beëindiging van zijn HDP-lidmaatschap. Eisers verklaringen over de door hem verrichte activiteiten voor de HDP zijn daarbij niet summier en bovendien kunnen ook geringe activiteiten tot vervolging leiden. Eiser steunt de HDP en hij hoeft daarvoor geen kennis op detailniveau te hebben, zoals de minister verwacht. De minister heeft daarnaast ondeugdelijk gemotiveerd waarom eisers verklaringen ten aanzien van het verschijnen voor de rechtbank niet geloofwaardig zouden zijn. Ook heeft eiser wel degelijk een politieke overtuiging. Met betrekking tot vluchtelingschap en ernstige schade had de minister alle geloofwaardig gevonden elementen in samenhang moeten beoordelen. Ook valt eiser als HDP-activist onder een risicoprofiel voor Turkije. Koerden die de HDP aanhangen worden gearresteerd en gevangen genomen. Eiser loopt daarnaast risico op discriminatoire bestraffingen en het krijgen van boetes of een gevangenisstraf vanwege de dienstplichtontduiking. Eiser staat door de dienstplichtontduiking in de negatieve belangstelling, en in combinatie met zijn Koerdische etniciteit en zijn pro-HDP uitingen zal dit evident tot vervolging leiden. Ook heeft de minister niet doorgevraagd naar eisers gewetensbezwaren en heeft deze ook niet voldoende getoetst. Het tijdsverloop is daarnaast onvoldoende om te oordelen dat negatieve aandacht van de Turkse autoriteiten niet aannemelijk is, vervolging kan ook jaren later plaatsvinden. De minister heeft ook niet betrokken dat eisers vader wordt beschuldigd van terrorisme, terwijl dit risico voor familieleden meebrengt. Tot slot is eiser niet met onbekende bestemming vertrokken, eiser maakt derhalve nog wel aanspraak op de dwangsom van 7.500 euro. Ook doet eiser een beroep op het driejarenbeleid.

Wat is het oordeel van de rechtbank?

5. De rechtbank beoordeelt of de minister de aanvraag van eiser kon afwijzen als ongegrond. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.

Volle toetsing

6. In de arresten van 4 juni 2026 in de zaken Ebilum[_71d12f32-0a11-462f-be83-bca488dc4806] en Quotal[_6ce15e06-2cd1-4384-b4be-0cc8640aa25f] heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie overwogen dat de terughoudende toets, zoals de Nederlandse rechter in asielzaken verrichtte, niet verenigbaar is met het Europese recht. In lijn met deze rechtspraak toetst de rechtbank het besluit daarom nu vol.

Dwangsom

7. Naar het oordeel van de rechtbank kan de minister niet langer tegenwerpen dat eiser met onbekende bestemming (mob) is vertrokken. Eiser bevestigt op 21 mei 2026 het AZC te hebben verlaten, maar hij had een verblijfsalternatief gevonden. Daarbij heeft eiser met zijn vorige en huidige gemachtigde contact onderhouden. Gelet hierop kan het standpunt van de minister dat eiser geen dwangsom krijgt uitbetaald vanwege het vertrek met onbekende bestemming, geen stand houden. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit op dit punt. De rechtbank bespreek hierna ter volledigheid ook de andere beroepsgronden.

Activiteiten op sociale media niet als asielmotief aangemerkt

8. De rechtbank is van oordeel dat de minister eisers activiteiten op sociale media op goede gronden niet als zelfstandig asielmotief heeft aangemerkt. De minister wijst er terecht op dat de activiteiten die eiser op sociale media verricht stelt te hebben, kunnen vallen onder de door eiser verrichte activiteiten voor de HDP, dat onderdeel is van het vierde asielmotief. Gebeurtenissen die met elkaar in verband worden gebracht en waartussen een oorzaak- of gevolgrelatie bestaat, kunnen namelijk deel uitmaken van één asielmotief.[_ed31aff3-550b-4629-92dc-f38e02c7c1ae]

Geloofwaardigheid van de discriminatie vanwege eisers Koerdische etniciteit

9. De minister vindt de verklaring van eiser ongeloofwaardig dat hij in 2018 tijdens een Newroz-viering is gearresteerd en mishandeld omdat hij een Koerdische vlag bij zich droeg. Volgens de minister heeft eiser tegenstrijdig verklaard over de arrestatie, het moment van mishandeling en wat er in het ziekenhuis tegen hem is gezegd.

10. Naar het oordeel van de rechtbank werpt de minister eiser ten onrechte tegen dat hij tegenstrijdig heeft verklaard over wat er tegen hem is gezegd in het ziekenhuis. Eiser heeft verklaard dat hij naar het ziekenhuis is gegaan voor behandeling van het letsel aan zijn oor en ook om een medisch rapport te krijgen van de arts. Het personeel heeft eisers oor onderzocht, maar eiser heeft verklaard dat volgens hen een medisch rapport niet nodig was omdat er niets aan de hand zou zijn. Volgens eiser wilde ze hem hiermee niet helpen in het ziekenhuis, nadat hij had aangegeven dat het letsel door de politie was veroorzaakt. De stad [plaats], waar het ziekenhuis in ligt, is volgens eiser namelijk autoriteit gezind. Ook heeft eiser verklaard dat hij niet werd geholpen omdat hij Koerd is. De rechtbank is het met eiser eens dat deze verklaringen in wezen dezelfde gang van zaken beschrijven. De verschillende redenen die eiser aandraagt als verklaring voor het feit dat hij niet voldoende werd geholpen, kunnen naast elkaar bestaan zonder tegenstrijdig aan elkaar te zijn. De minister heeft zich op zitting ook op het standpunt gesteld deze tegenstrijdigheid niet langer tegen te werpen. De rechtbank stelt dan ook vast dat deze tegenwerping is komen te vervallen.

11. Desondanks heeft de minister de verklaring van eiser op goede gronden ongeloofwaardig gevonden. De rechtbank licht dat hierna nader toe.

11.1.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister wel terecht aan eiser tegengeworpen dat eiser niet heeft onderbouwd en tegenstrijdig heeft verklaard over wanneer zijn mishandeling plaatsvond. Eiser verklaart in het nader gehoor dat hij is mishandeld tijdens de Newroz-viering. Maar wanneer eiser later in het nader gehoor werd gevraagd waarom hij pas in 2019 zijn HDP-lidmaatschap heeft opgezegd, heeft eiser geantwoord dat de mishandeling aan het einde van 2018 plaatsvond. De minister wijst er terecht op dat deze verklaringen tegenstrijdig zijn, omdat de Newroz-viering een evenement is dat traditioneel in maart plaatsvindt.

11.2.

De rechtbank is ook van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser tegenstrijdig heeft verklaard over zijn arrestatie. In het nader gehoor is aan eiser gevraagd of er tegelijk met hem nog meer mensen werden gearresteerd, eiser heeft toen verklaard dat hij de enige was in de auto. In het aanvullend gehoor heeft eiser vervolgens verklaard dat hij met vijf of zes anderen Koerden in een politiebusje zat nadat hij was gearresteerd. Zowel met betrekking tot het voertuig zelf ‘auto’ of ‘politiebusje’ als het aantal personen in het voertuig, heeft eiser tegenstrijdig verklaard. De rechtbank gaat niet mee in eisers stelling dat de minister de verklaringen niet goed zou hebben geduid. Dat eiser in de zienswijze stelt dat hij de vijf of zes koerden pas in de politiecel aantrof, vindt de rechtbank niet overtuigend, omdat dit niet duidelijk maakt waarom eiser eerder heeft verklaard dat hij met vijf of zes mensen is vervoerd in een politiebusje.

11.3.

De minister heeft eisers verklaringen dat hij als Koerd op school en op werk discriminatie heeft ervaren wel geloofwaardig gevonden. Dat eiser door deze discriminatie zodanig ernstig in zijn bestaansmogelijkheden is beperkt dat hij onmogelijk op maatschappelijk en sociaal gebied heeft kunnen functioneren, is echter niet gebleken. Daarbij heeft de minister terecht betrokken dat eiser bijvoorbeeld naar school is geweest, huisvesting had en heeft kunnen werken. Eiser heeft nog op landeninformatie gewezen waarin geweld en discriminatie tegen Koerden wordt beschreven. Hoewel deze informatie het standpunt van eiser ondersteunt dat sprake is van discriminatie tegen Koerden, leidt dit niet tot een ander oordeel. Niet is gebleken dat deze discriminatie in het geval van eiser zo ernstig is dat deze als daad van vervolging moet worden aangemerkt.

Geloofwaardigheid van eisers lidmaatschap van de HDP, eisers politieke overtuiging en activiteiten voor de HDP en de daaruit voortvloeiende problemen

documenten

12. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser onvoldoende documenten heeft overgelegd waaruit eisers HDP-lidmaatschap, zijn activiteiten en de daaruit voortvloeiende problemen blijken.

12.1.

De minister heeft tegengeworpen dat het lidmaatschap van de HDP van eiser geregistreerd zou moeten staan in E-devlet, maar dat eiser geen uittreksel daarvan heeft overgelegd. Eiser stelt dat hij geen toegang heeft tot E-devlet en hij dat ook niet kan krijgen. Hij voert aan dat hij geen geregistreerd nummer heeft en geen internetbankieren, waardoor hij niet over een verificatiemiddel beschikt om online een wachtwoord aan te kunnen vragen. Eiser voert ook aan dat hij niet naar het postkantoor in Turkije kan gaan en niet naar het consulaat in Nederland kan, dit laatste omdat hij heeft te vrezen voor de autoriteiten en omdat zijn vader gevangen is genomen. Eiser heeft echter niet gereageerd op de namens de minister aangehaalde landeninformatie en jurisprudentie waaruit ook nog andere mogelijkheden volgen om toegang tot E-devlet te verkrijgen. Omdat het aan eiser is om zijn asielaanvraag aannemelijk te maken, had het op zijn weg gelegen (ook) die mogelijkheden te onderzoeken. Dat eiser dat heeft gedaan, is niet gebleken.Eiser heeft ook geen HDP-lidmaatschapspasje overgelegd. Dat eiser het pasje is kwijtgeraakt heeft de minister geen verschoonbare reden hoeven vinden, hij wijst er daarbij terecht op dat eiser geen aangifte heeft gedaan van verlies of diefstal. Daarbij heeft de minister ook aan eiser mogen tegenwerpen dat niet is gebleken dat eiser door omstandigheden geen gelegenheid (meer) had om Turkije documenten te verkrijgen ter onderbouwing van zijn asielaanvraag, aangezien er geen druk achter zijn vertrek zat.

verklaringen

12.2.

Vervolgens heeft de minister op goede gronden geconcludeerd dat eisers verklaringen over zijn HDP-lidmaatschap geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. De rechtbank ligt dat hierna nader toe.

12.3.

De rechtbank is het met de minister eens dat eiser summier verklaart over de HDP. Eiser weet niet precies wanneer de partij is opgericht, door wie en hoeveel leden de partij bij benadering heeft. Eiser weet over het logo alleen te vertellen dat het een boom is. De minister wijst er terecht op dat van eiser, die stelt vier jaar lang lid te zijn geweest en stelt dat ook zijn hele familie betrokken is bij de HDP, verwacht mag worden dat hij meer kennis over de partij heeft. Het voorgaande vermindert de aannemelijkheid van zijn lidmaatschap. Ook heeft de minister er in het verweerschrift terecht tegengeworpen dat eiser in het aanvullend gehoor stelt zich nooit verdiept te hebben in de standpunten van de HDP.

12.4.

Over zijn activiteiten voor de HDP heeft eiser verklaard dat hij brochures heeft uitgedeeld, wat propaganda aan de muur heeft geplakt voor de HDP en dat hij thee heeft geschonken voor de HDP. Naar het oordeel van de rechtbank zijn deze verklaringen op zichzelf consistent en niet ongerijmd, zodat het de rechtbank niet duidelijk is waarom de minister deze verklaringen ongeloofwaardig vindt. Gelet op de beperkte omvang van de activiteiten en omdat eiser deze naar eigen zeggen voornamelijk verrichtte omdat zijn vrienden lid zijn en hij het leuk vond om te helpen, heeft de minister wel terecht tegengeworpen dat de activiteiten van onvoldoende gewicht zijn om zijn gestelde lidmaatschap van de HDP aannemelijk te vinden. De rechtbank gaat ook niet mee in eisers stelling dat de minister meer had moeten doorvragen over zijn activiteiten. De minister heeft in het gehoor tenminste twee keer uitdrukkelijk naar eisers activiteiten gevraagd en beide keren heeft eiser verklaard dat hij eigenlijk niet zo veel deed.

12.5.

De minister heeft eiser ook niet hoeven volgen in zijn stelling dat hij zich op sociale media heeft geuit en dat hij daardoor bedreigd is geweest, omdat eiser geen onderbouwing heeft overgelegd waaruit de rechtbank kan afleiden dat hij zelf berichten heeft geplaatst of is bedreigd. De minister wijst er in dit verband terecht op dat eiser zelf verklaart de berichten op sociale media te hebben verwijderd. De stelling van eiser dat één bericht op sociale media voldoende is om vervolgd te worden of risico op ernstige schade te lopen, ook na een zeker tijdsverloop, treft geen doel, omdat eiser het plaatsen van berichten niet aannemelijk heeft gemaakt.

Politieke overtuiging

13. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiser geen politieke overtuiging heeft. Uit Informatiebericht (IB) 2024/10 volgt dat het begrip ‘politieke overtuiging’ volgens het Hof ruim moet worden uitgelegd. Uit het arrest van 21 september 2023[_fba43c38-bf44-41f6-ae2e-e59cd0f2988b] volgt dat een opvatting, maar ook gedachte of mening van de vreemdeling al onder het begrip ‘politieke overtuiging’ kan vallen als de vreemdeling verklaart die opvatting, gedachte of mening te hebben of te uiten. Eiser geeft in de gehoren aan tegen de onderdrukking van Koerden te zijn, hij verklaart namelijk: “Als er vrijheid is dan wil ik hen helpen en ondersteunen waar nodig. Enkel omdat ik de Nederlandse staat vertrouw dat ik niet zoveel hoef te doen, want de koerden zijn hier vrij. Misschien wil ik in de toekomst ook geen lid meer worden omdat de Koerden hier al de vrijheid hebben, maar als het nodig is voor stakingen voor bijvoorbeeld Koerden die in Turkije worden onderdrukt dan wil ik wel mee doen.” Deze opvatting/gedachte/mening is naar het oordeel van de rechtbank geloofwaardig, mede omdat eiser zelf Koerd is. Daarbij weegt ook mee dat eiser activiteiten voor de HDP, een Koerdische partij, heeft verricht en eiser heeft verklaard dat hij ook in Nederland aan een demonstratie heeft deelgenomen en dat hij twee of drie keer naar het kantoor van de HDP is gegaan om kennis te maken. In tegenstelling tot de minister is de rechtbank van oordeel dat eiser een politieke overtuiging heeft. Dat eiser in het nader gehoor bevestigend heeft gereageerd op de vraag of hij geen sterke politieke overtuiging heeft, maar de HDP alleen ondersteunt omdat hij het fijn vindt om te helpen en omdat zij een Koerdische partij zijn, maakt dit oordeel niet anders. Er mag namelijk niet worden vereist dat de vreemdeling aannemelijk maakt dat zijn politieke overtuiging ‘fundamenteel’ of ‘diepgeworteld’ is, zoals blijkt uit het Informatiebericht (IB) 2024/10.

13.1.

Op grond van het voorgaande is er sprake van een zorgvuldigheidsgebrek. De rechtbank constateert dat de minister in het bestreden besluit en op zitting geen subsidiair standpunt heeft ingenomen over de zwaarwegendheid van eisers politieke overtuiging. Daarom is er ook sprake van een motiveringsgebrek. Op grond van het voorgaande vernietigt de rechtbank het bestreden besluit voor zover dat ziet op eisers politieke overtuiging. Voor de volledigheid behandelt de rechtbank ook de overige beroepsgronden.

Geloofwaardigheid van het moeten verschijnen voor de rechtbank

14. De minister werpt terecht tegen dat eiser zijn verklaring dat hij bij de rechtbank moest verschijnen nadat hij een kenteken wilde aanvragen voor een motorvoertuig niet heeft onderbouwd. Daarbij weet eiser zelf ook niet precies waarom hij zich bij de rechtbank moest melden. Dat eiser een brief heeft ontvangen waarin stond dat hij op zitting moest verschijnen in verband met zijn voertuig en dat verdere details niet verstrekt zijn, verschoont hem niet van de verplichting om zijn asielaanvraag te onderbouwen. De minister stelt zich immers op goede gronden op het standpunt dat het in de Turkse praktijk ongebruikelijk is dat je niet wordt geïnformeerd over de reden van de oproep. De minister wijst er ook op dat eiser in principe documenten kan opvragen uit het UYAP-systeem, zoals ook blijkt uit hoofdstuk 2 van het Algemeen Ambtsbericht 2025 voor Turkije. Juridische procedures worden in Turkije immers schriftelijk vastgelegd. Eiser heeft hier geen stukken uit overgelegd.

Risicoprofiel

15. Eiser stelt dat hij als HDP-activist onder een risicoprofiel voor Turkije valt. Blijkens paragraaf C3/2.4 Vc worden “DEM-leden en -activisten (voormalig HDP)” als risicoprofiel aangemerkt. Zoals hiervoor in rechtsoverwegingen 12 tot en met 12.5 is overwogen heeft de minister zich op goede gronden op het standpunt kunnen stellen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij lid is geweest van de HDP. Eiser valt daarom ook niet onder dit risicoprofiel. Daarbij zijn de activiteiten die eiser voor de HDP stelt verricht te hebben te gering om hem als ‘activist’ aan te kunnen merken.

Aannemelijkheid vrees voor dienstplichtweigering

16. Eiser heeft de dienstplicht niet verricht en ontduikt deze. De minister heeft dit geloofwaardig geacht. In het kader van zwaarwegendheid stelt eiser dat hij risico loopt op discriminatoire bestraffingen en het krijgen van boetes of een gevangenisstraf. Volgens eiser staat hij door de dienstplichtontduiking in de negatieve belangstelling en in combinatie met eisers Koerdische etniciteit en zijn pro-HDP uitingen zal dit volgens eiser evident tot vervolging leiden. Ook stelt eiser dat de minister niet heeft doorgevraagd naar zijn gewetensbezwaren en deze ook niet voldoende heeft getoetst.

16.1.

De rechtbank is van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij als Koerd een groter risico loopt bij (het ontduiken van) de dienstplicht. De minister verwijst terecht naar het thematisch Ambtsbericht Turkije over de dienstplicht van juli 2019, waarin staat dat de Turkse wetgeving geen onderscheid maakt tussen personen van verschillende etniciteit en dat dit ook geld voor regels rondom de dienstplicht en rekrutering. Daarin staat ook dat het mogelijk is dat een Turkse dienstplichtige van Koerdische origine wordt ingezet in een provincie waar de meerderheid van de bevolking Koerdisch is, maar dat er geen beleid is waarbij Turks-Koerdische dienstplichtigen worden ingezet om te vechten tegen de Turks-Koerdische strijders. Daarbij staat daarin dat het leger enkele jaren geleden is gestopt met de inzet van dienstplichtigen bij gevechtshandelingen in actieve conflicten of militaire operaties. In het verweerschrift verwijst de minister ook naar het algemeen ambtsbericht over Turkije van februari 2025. Daarin staat dat er gedurende de verslagperiode geen informatie beschikbaar was over anti Koerdisch geweld tegen Koerdische dienstplichtigen, de eventuele inzet van Koerdische dienstplichtigen tegen de PKK in Zuidoost-Turkije en dienstweigeraars die buitenproportioneel werden bestraft vanwege hun etniciteit, religie, politieke gezindte of seksuele oriëntatie en genderidentiteit.[_6b2c1ed1-4434-47a0-8b91-11edd73c0022]

16.2.

Ook is er naar het oordeel van de rechtbank voldoende doorgevraagd, naar wat de reden was dat eiser geen gehoor wilde geven aan de oproep voor militaire dienstplicht. Wanneer eiser hier voor de eerste keer naar wordt gevraagd, benoemt hij dat zijn Koerdische etniciteit dit lastig maakt. Vervolgens wordt eiser gevraagd of hij nog meer bezwaren heeft. Daarop antwoord eiser dat hij “tegen het wapen” is en geen wapen wil dragen. De minister vraagt daar wel op door, eiser antwoordt dat hij geen mensen wil vermoorden en dat hij niet zelf wil doodgaan.[_4aa48fd6-db4d-4b51-b344-70db7b48b1a4] De rechtbank is het met de minister eens dat daaruit geen godsdienstige of andere diepgewortelde overtuiging uit blijkt. De minister concludeert dus terecht dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij niet kan worden aangemerkt als gewetensbewaarder. Daarbij heeft de minister er in het verweerschrift terecht op gewezen dat eiser de dienstplicht ook kan afkopen.

Problemen vanwege eisers vader

17. Eiser stelt in beroep dat zijn vader wordt beschuldigd van terrorisme en dat eiser daarom vreest voor vervolging en een reëel risico op ernstige schade loopt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser zijn vrees onvoldoende onderbouwd. In het nader gehoor heeft eiser alleen verklaard dat zijn vader 10 of 12 jaar daarvoor is opgepakt en dat hij drie dagen gevangen heeft gezeten. De rechtbank stelt ook vast dat eiser in het aanvullend gehoor ontkennend antwoordt op de vraag of hij zelf ooit in de problemen is geraakt vanwege activiteiten van zijn familieleden. Daarbij heeft eiser eerst op zitting gesteld dat zijn vader nu vast zit vanwege terrorisme. De minister heeft daar tegenin kunnen brengen dat eiser dit niet heeft onderbouwd.

Terugkeerbesluit/reguliere verblijfsvergunning

18. Eiser stelt dat hij aanspraak maakt op een reguliere verblijfsvergunning op grond van het driejarenbeleid op basis van Besluit 1/80. Eiser stelt dat hij een Turkse vreemdeling is aan wie toegang tot de arbeidsmarkt is verleend. De rechtbank overweegt dat als eiser in Nederland arbeid wil verrichten, dat hij hiervoor een reguliere verblijfsvergunning kan aanvragen. De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog dat de minister in de asielprocedure moet toetsen of eiser voldoet aan de vereisten voor het verlenen van een dergelijke reguliere verblijfsvergunning op grond van Besluit 1/80. Op grond van artikel 3.6a van het Vreemdelingenbesluit 2000 toetst de minister bij een eerste afwijzing van een asielaanvraag ambtshalve of de uitzetting van de vreemdeling in strijd zou zijn met artikel 8 van het EVRM en of de vreemdeling in aanmerking komt voor een reguliere verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend met tijdelijke humanitaire gronden. Deze ambtshalve toets ziet dus niet op de vraag of de vreemdeling rechten kan ontlenen aan artikel 13 van Besluit 1/80.

Conclusie en gevolgen

19. Het beroep is gegrond, omdat er sprake van een zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit en bepaalt dat de minister een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak.

20. Omdat het beroep gegrond is, veroordeelt de rechtbank de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 1.868,-. [_f2868419-cddd-4dec-82c7-e2d39c53f5f5]

21. Ook bepaalt de rechtbank dat de minister het door eiser betaalde griffierecht van €194,- moet vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit van 21 november 2025;
  • draagt de minister op om een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiser met inachtneming van deze uitspraak;
  • veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser;
  • veroordeelt de minister tot betaling van € 194,- aan griffierechten aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Smeets, rechter, in aanwezigheid van mr. L.W.H. Schippers, griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

  1. Waar de rechtbank in deze uitspraak verwijst naar de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) doelt zij op de Vw 2000 zoals deze geldt vanaf 12 juni 2026. Als de rechtbank in deze uitspraak verwijst naar een artikel van de Vw 2000 met daarachter “(oud)” dan doelt zij op het betreffende artikel uit de Vw 2000 zoals dat gold op 11 juni 2026, direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van het Europees Migratiepact en de daarbij behorende nationale Uitvoeringswet.
  2. De uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) van 4 juni 2026, ECLI:EU:C:2026:448, onder rechtsoverweging 58.
  3. De uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) van 4 juni 2026, ECLI:EU:C:2026:447, onder rechtsoverweging 48.
  4. Werkinstructie 2024/6 over de geloofwaardigheidsbeoordeling in asielzaken, welke van geldig was op het moment dat het bestreden besluit is genomen.
  5. Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 21 september 2023, ECLI:EU:C:2023:688.
  6. Algemeen ambtsbericht Turkije februari 2025, p. 93.
  7. Nader gehoor, p. 18.
  8. 1 punt voor het beroepschrift en1 punt voor het verschijnen ter zitting met waarde € 934,- per punt, wegingsfactor 1.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.