Uitspraak · Vreemdelingenrecht

Rechtbank Den Haag, 22 september 2026

ECLI:NL:RBDHA:2026:30858Zaaknummer NL26.21821

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
22 september 2026
Publicatiedatum
26 oktober 2026
Zaaknummer
NL26.21821
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats
Den Haag
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Asiel; problemen met geldverstrekkers terecht ongeloofwaarding bevonden; niet nodig om asielmotief verder op te knippen; beroep is ongegrond.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Smeets, rechter, in aanwezigheid van mr. L.W.H. Schippers, griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. [eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser
  2. Beoordeling door de rechtbank
  3. Conclusie en gevolgen
  4. Beslissing

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.21821

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser

(gemachtigde: mr. M. Timmer),

en

de minister van Asiel en Migratie (hierna: de minister)

(gemachtigde: mr. M. Latul).

Inleiding [_e56277b1-e4fe-4996-bf1d-92f18828d144]

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag. Eiser heeft op 14 maart 2026 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 11 april 2026 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond.

1.1.

De rechtbank heeft het beroep op 8 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, A. Cavero als tolk en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?

Het asielrelaas

2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1983 en heeft de Peruaanse nationaliteit. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser verklaart ook dat hij in Peru is bedreigd vanwege zijn inmenging bij geldleningen. De moeder van zijn zoon werd namelijk lastiggevallen door Colombianen of Venezolanen van wie zij geld had geleend en eiser heeft toen in 2024 het telefoonnummer gebeld waarvandaan zij werd lastiggevallen. Eiser kreeg vervolgens zelf dreigberichten en -telefoontjes. Eind oktober 2025 stopte dit. Eiser heeft daarna in 2026 een jongen aangesproken die flyers voor leningen aan het verspreiden was. Hierna ontving eiser opnieuw telefoontjes. Hiervan heeft eiser aangifte gedaan. Bij terugkeer vreest eiser dat de bedreigers hem wat aan zullen doen. Eiser heeft verder verklaard dat hij het doel had om van Peru naar Italië te reizen om de problemen van zijn land te ontvluchten en in Italië te gaan werken, maar dat hij tijdens zijn stop in Nederland is aangehouden.

Het bestreden besluit

3. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende relevante asielmotieven:

- eisers identiteit, nationaliteit en herkomst;

- eisers problemen met de Colombiaanse en/of Venezolaanse geldverstrekker(s).

3.1.

De minister vindt eisers identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig. Eisers problemen met de Colombiaanse en/of Venezolaanse geldverstrekker(s) vindt de minister niet geloofwaardig, omdat eiser geen consistente verklaringen aflegt over hoeveel telefoontjes hij heeft ontvangen vanuit de geldverstrekkers. Ook vindt de minister het niet geloofwaardig, omdat eisers verklaringen over de identiteit van de geldverstrekkers/bedreigers enkel op vermoedens is gebaseerd.

3.2.

De minister betrekt alleen het geloofwaardig gevonden asielmotief in de zwaarwegendheidsbeoordeling. Dat eiser uit Peru komt is, volgens de minister, onvoldoende om gegronde vrees voor vervolging aan te nemen, en dus is eiser geen vluchteling zoals bedoeld in het Vluchtelingenverdrag. Ook levert eisers herkomst uit Peru op zichzelf geen reëel risico op ernstige schade op.

3.3.

De minister heeft de asielaanvraag afgewezen als ongegrond. Aan eiser is een terugkeerbesluit, gericht op vertrek naar Peru, met een vertrektermijn van vier weken uitgereikt.

Wat vindt eiser in beroep?

4. Eiser is het niet eens met de afwijzing van zijn asielaanvraag en voert het volgende aan. Er is sprake van vijf asielmotieven in plaats van twee. Het tweede en derde asielmotief houden in dat de moeder van eisers zoon werd afgeperst en bedreigd in verband met een door haar afgesloten lening. Eiser heeft contact opgenomen met de afpersers en is daarna zelf ook bedreigd. Eiser heeft daarbij niet verklaard dat de bedreigingen afkomstig waren van één persoon, er kan uit de context van het gehoor worden opgemaakt dat eiser ‘de’ Colombiaanse ‘geldverstrekkers’ aan hun dialect herkende. Daarbij gaat de minister in het bestreden besluit voorbij aan de zienswijze van eiser, waardoor deze ofwel doel treffen ofwel onvoldoende gemotiveerd weerlegd zijn. Eiser heeft niet wisselend verklaard over de hoeveelheid telefoontjes, omdat de telefoontjes in 2024 en 2025 het gevolg waren van eisers bemoeienis bij de afpersing van de moeder van zijn zoon, en de telefoontjes uit 2026 hebben plaatsgevonden nadat eiser een jongen heeft aangesproken die reclamefolders voor leningen aan het verspreiden was. De bemoeienis met deze persoon heeft geleidt tot bedreigingen, dit vormt het vierde en vijfde asielmotief. Het standpunt van de minister dat het ongerijmd is dat eiser contact blijft aangaan en dat hij niet eerder aangifte heeft gedaan, gaat daarnaast vanwege de verschillende gebeurtenissen ook uit van een onjuiste lezing van eisers verklaringen. Eisers problemen als gevolg van de bemoeienis met de afpersing van de moeder van zijn zoon en eisers verklaringen over het aanspreken van een jongen die ‘reclamefolders’ voor leningen aan het verspreiden was, zijn ten onrechte niet op zwaarwegendheid beoordeeld (nu het gaat om gebeurtenissen die een risico van negatieve belangstelling van criminele organisaties met zich meebrengen).

Wat is het oordeel van de rechtbank?

5. De rechtbank beoordeelt of de minister de aanvraag van eiser kon afwijzen als ongegrond. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser. De rechtbank geeft eiser geen gelijk. Hieronder legt de rechtbank dat uit.

Volle toetsing

6. In de arresten van 4 juni 2026 in de zaken Ebilum[_e8ebc1cb-df9f-4263-bdf0-ba8ed4ab4c7d] en Quotal[_3a1ab210-e667-4245-8960-0caf2775bce1] heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie overwogen dat de terughoudende toets, zoals de Nederlandse rechter in asielzaken verrichtte, niet verenigbaar is met het Europese recht. In lijn met deze rechtspraak toetst de rechtbank het besluit daarom nu vol.

Twee of vijf asielmotieven

7. De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat er sprake is van vijf asielmotieven in plaats van twee. De minister wijst er terecht op dat gebeurtenissen die met elkaar in verband worden gebracht en waartussen een oorzaak- of gevolgrelatie bestaat, deel uitmaken van één asielmotief.[_afc824cd-5be9-4049-9410-51536f3d3a99] De minister heeft (1) de afpersing van de moeder van een zoon van betrokkene, (2) de problemen als gevolg van de bemoeienis met de afpersing van de moeder van een zoon van betrokkene, (3) het aanspreken van een jongen die ‘reclamefolders’ voor leningen aan het verspreiden was en (4) de problemen als gevolg van het aanspreken van een jongen die ‘reclamefolders’ voor leningen aan het verspreiden was, niet als afzonderlijke asielmotieven hoeven aanmerken. De onderdelen 1 en 2 bevatten een oorzaak- en gevolgrelatie, net als onderdelen 3 en 4. Ook kunnen alle vier de onderdelen met elkaar in verband worden gebracht, omdat beide gebeurtenissen volgens eiser tot problemen met de Colombiaanse en/of Venezolaanse geldverstrekker(s) hebben geleid. Daarbij meent eiser zelf dat het gaat om dezelfde (groep van) afperser(s) hij brengt de gebeurtenissen en problemen in het nader gehoor ook in verband met elkaar. De rechtbank volgt eiser ook niet in zijn stelling dat een afzonderlijke geloofwaardigheidsbeoordeling ten aanzien van onderdelen 1 en 3 een wezenlijk gewicht in de schaal zal leggen dat kan doorwerken in de geloofwaardigheidsbeoordeling van de gestelde problemen die daaruit voortvloeien. Daarbij kan de minister een asielmotief eventueel ook gedeeltelijk geloofwaardig vinden. De rechtbank acht het dus ook niet noodzakelijk om dit asielmotief verder op te knippen. Het besluit is zorgvuldig tot stand gekomen.

Geloofwaardigheidsbeoordeling

8. De rechtbank stelt voorop dat zij de minister niet volgt in zijn standpunt dat eiser tegenstrijdig heeft verklaard over de telefoontjes die hij heeft ontvangen. Eiser maakt in het nader gehoor namelijk onderscheid tussen enerzijds de telefoontjes naar aanleiding van de problemen vanwege de afpersing van de moeder van eisers zoon en anderzijds vanwege het aanspreken van de flyeraar. Eiser heeft verklaard dat de telefoontjes vanwege zijn inmenging bij de problemen vanwege de geldlening na oktober 2025 stopte. Eisers verklaring dat hij in 2026 toch opnieuw telefoontjes ontving is daarmee niet tegenstrijdig, omdat deze verband hielden met het aanspreken van de flyeraar.

8.1.

Ook volgt de rechtbank eiser niet in zijn standpunt dat het ongerijmd is dat eiser contact bleef aangaan met de geldverstrekkers. Eiser heeft verklaart dat hij na het afbetalen van de lening door de moeder van zijn zoon één keer heeft gebeld naar de geldverstrekkers, omdat zij de moeder van zijn zoon bleven lastig vallen. Hierna zijn de bedreigingen uiteindelijk ook gestopt en heeft hij geen contact meer met hen gezocht.

9. Daarentegen is het voorgaande naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om tot een andere conclusie te komen, omdat de minister het asielmotief op basis van andere elementen terecht ongeloofwaardig heeft gevonden.

9.1.

De minister werpt terecht tegen dat eisers verklaringen over de identiteit van de geldverstrekkers van wie hij telefoontjes ontving zijn gebaseerd op vermoedens. Eiser weet niet wie de geldverstrekkers zijn. Eiser leidt alleen aan de hand van de stem of het dialect van de bellers af dat het om Colombianen of Venezolanen gaat. Daarbij heeft eiser ook wisselend verklaard over of zijn eigen identiteit bij de geldverstrekkers bekend is. Ook heeft de minister er terecht op gewezen dat eiser alleen via digitale berichten en telefoontjes bedreigingen heeft ontvangen, maar over de hele periode van 2024, 2025 en 2026 nooit fysiek is bedreigd. Met de minister is de rechtbank van oordeel dat het voor de hand lag dat de geldverstrekkers, als zijn daadwerkelijk naar hem op zoek zouden zijn, eiser in de betreffende periode hadden kunnen traceren en benaderen. Te meer nu eiser ook heeft verklaard dat de geldverstrekkers wisten welke kleding hij zou dragen.

9.2.

De minister heeft zich ook op goede gronden op het standpunt gesteld dat het ongerijmd is dat eiser niet eerder aangifte heeft gedaan. Eiser heeft verklaard dat de telefoontjes in 2024 zijn begonnen en dat hij op 9 of 10 maart 2026 aangifte heeft gedaan. Hoewel de rechtbank begrijpt dat deze aangifte is gedaan na de gestelde telefoontjes die eiser tot maart 2026 ontving vanwege het aanspreken van de flyeraar, heeft de minister terecht tegengeworpen dat eiser eerder aangifte had kunnen doen vanwege de problemen door de afpersing van de moeder van zijn zoon. Ook dit motief heeft eiser namelijk aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd. Daarbij heeft de minister op goede gronden tegengeworpen dat eiser de aangifte in 2026 niet heeft afgewacht en heeft besloten om in Italië te gaan werken. De minister betrekt daarbij terecht dat op de aangifte staat vermeld dat het openbaar ministerie in kennis is gesteld, en dat contact is opgenomen met de openbare aanklager zodat zij de bijbehorende acties kan bevelen, zoals het bij haar bevoegdheid hoort. Er is dus geen aanleiding om aan te nemen dat de aangifte niet serieus in behandeling is genomen.[_39dcd22d-7686-45d5-955f-953952609d8b]

9.3.

De verwijzing van eiser naar de landeninformatie, waaronder rapporten van het EUAA van 2023 over Peru, waaruit blijkt dat onder meer criminaliteit in het algemeen en afpersing de meest voorkomende misdaden zijn in Peru,[_c7ea448c-91fc-44cb-ac86-bc526de7ef8b] maakt het geloofwaardigheidsoordeel niet anders. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat wat in de landeninformatie staat, ook op hem als individu van toepassing is. Eiser heeft met zijn verklaringen echter onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hijzelf problemen heeft met geldverstrekkers. Dit geldt ook voor de Whatsappgesprekken die eiser heeft overgelegd. Omdat de data en de afzender niet kunnen worden geverifieerd op basis van de schermafbeeldingen, leggen deze documenten onvoldoende gewicht in de schaal om anders te concluderen.

Zwaarwegendheid

10. Eiser wijst erop dat de minister heeft aangenomen dat de moeder van zijn zoon werd afgeperst en dat eiser een flyeraar heeft aangesproken. Volgens eiser had de minister deze geloofwaardig gevonden elementen apart moeten beoordelen op zwaarwegendheid. De rechtbank volgt dit betoog niet. Eiser heeft niet toegelicht of aannemelijk gemaakt op welke wijze de afpersing van de moeder, dus niet eiser zelf, en het aanspreken van een flyeraar als zelfstandige elementen een grond voor inwilliging van een asielaanvraag kunnen opleveren.

Conclusie en gevolgen

11. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Smeets, rechter, in aanwezigheid van mr. L.W.H. Schippers, griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

  1. Waar de rechtbank in deze uitspraak verwijst naar de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) doelt zij op de Vw 2000 zoals deze geldt vanaf 12 juni 2026. Als de rechtbank in deze uitspraak verwijst naar een artikel van de Vw 2000 met daarachter “(oud)” dan doelt zij op het betreffende artikel uit de Vw 2000 zoals dat gold op 11 juni 2026, direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van het Europees Migratiepact en de daarbij behorende nationale Uitvoeringswet.
  2. De uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) van 4 juni 2026, ECLI:EU:C:2026:448, onder rechtsoverweging 58.
  3. De uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) van 4 juni 2026, ECLI:EU:C:2026:447, onder rechtsoverweging 48.
  4. Werkinstructie 2024/6 over de geloofwaardigheidsbeoordeling in asielzaken, welke van geldig was op het moment dat het bestreden besluit is genomen.
  5. Nader gehoor, p. 23.
  6. EUAA van 2023 over Peru, H. 3.

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.