Uitspraak · Vreemdelingenrecht

Rechtbank Den Haag, 22 september 2026

ECLI:NL:RBDHA:2026:30855Zaaknummer NL26.46666 en NL26.46667

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
22 september 2026
Publicatiedatum
26 oktober 2026
Zaaknummer
NL26.46666 en NL26.46667
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig, Voorlopige voorziening+bodemzaak
Zittingsplaats
Den Haag
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Asiel; Indiaase nationaliteit; te zwaar gewicht toegekend aan het ontbreken van objectieve documenten, omdat de minister dit heeft laten doorwerken in de rest van het besluit, neemt niet weg dat de minister eisers rol als zakenpartner van een zandwinningsbedrijf en de daaruit voortvloeiende problemen terecht ongeloofwaardig heeft gevonden; beroep is ongegrond.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Smeets, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. L.W.H. Schippers, griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen twee weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. Inleiding
  2. Beoordeling door de rechtbank
  3. Conclusie en gevolgen
  4. Beslissing

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummers: NL26.46666 en NL26.46667

uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser/verzoeker (hierna: eiser)

(gemachtigde: mr. A. Jankie),

en

de minister van Asiel en Migratie (hierna: de minister)

(gemachtigde: mr. M. Latul).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag en beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening. Eiser heeft op 27 juli 2026 een asielaanvraag ingediend. De minister heeft deze aanvraag met het bestreden besluit van 7 augustus 2026 afgewezen als kennelijk ongegrond.[_8eb17abd-b99b-43a0-b70e-ba649a4590b2]

1.1.

De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 8 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, I.M. Khokar als tolk en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?

Het asielrelaas

2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1999 en heeft de Indiaase nationaliteit. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser verklaart dat hij niet veilig is in India. Hij is via een gemeenschappelijke vriend met [naam 1] in contact gekomen. Samen met [naam 1] heeft eiser zakelijke activiteiten in de zandsector verricht. Er ontstonden schulden in het zandwinningsbedrijf. Eiser verklaart dat [naam 1] het geld van de onderneming heeft geïnd en is gevlucht. Eiser werd vervolgens bedreigd door de schuldeisers, waaronder de Sarpanch (het dorpshoofd) en 15 tot 20 andere personen. Eiser is daarom gevlucht.

Het bestreden besluit

3. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende relevante asielmotieven:

  • eisers identiteit, nationaliteit en herkomst;
  • eisers rol als medeoprichter c.q. zakenpartner van een zandwinningsbedrijf en de daaruit voortvloeiende problemen.
3.1.

De minister vindt eisers identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig.

3.2.

Eisers rol als medeoprichter dan wel zakenpartner van een zandwinningsbedrijf en de daaruit voortvloeiende problemen vindt de minister niet geloofwaardig. Objectieve documenten die dit asielmotief volledig onderbouwen ontbreken. Volgens de minister heeft eiser er ook geen goede verklaring voor dat stukken die het bestaan van het zandwinningsbedrijf zouden kunnen onderbouwen, ontbreken. Daarnaast vormen de verklaringen van eiser over dit asielmotief geen samenhangend en aannemelijk geheel. Volgens de minister verklaart eiser namelijk vaag en incoherent over zijn rol of functie binnen het zandwinningsbedrijf. Ook worden de problemen met zakelijke schuldeisers van het zandwinningsbedrijf niet geloofwaardig geacht, omdat deze problemen betrekking hebben op een bedrijf waarvan het bestaan niet geloofwaardig wordt geacht. Daarbij verklaart eiser summier en incoherent over zijn problemen met de zakelijke schuldeisers. Er zijn volgens de minister ook geen aanwijzingen dat [naam 1], de gestelde oprichter van het bedrijf, het zakelijk geld heeft gestolen en ermee is gevlucht.

3.3.

Op grond van het voorgaande heeft de minister eisers asielaanvraag afgewezen. De minister ziet ook geen aanleiding voor verlening van een reguliere verblijfsvergunning of uitstel van vertrek om medische redenen.

Wat vindt eiser in beroep?

4. Eiser is het niet eens met de afwijzing van zijn asielaanvraag en voert in beroep het volgende aan. De minister heeft eisers verklaringen over zijn zakelijke activiteiten in de zandsector, zijn samenwerking met de heer [naam 1] en de daaruit voortvloeiende problemen met de Sarpanch en andere schuldeisers ten onrechte ongeloofwaardig geacht. De minister heeft grote waarde gehecht aan het ontbreken van formele documenten over het zandwinningsbedrijf, terwijl het onjuist is om van eiser documentatie over het bedrijf en kennis over de oprichting te verwachten. De onderneming is namelijk feitelijk door [naam 1] opgericht en eiser was niet degene die over de formele registratie en administratie beschikte. Eisers naam kwam weliswaar niet voor op de overeenkomst die door [naam 1] was opgesteld, maar dit sluit niet uit dat eiser feitelijk als zakenpartner bij het de werkzaamheden betrokken was. Daarbij gaat het volgens eiser niet om een groot, formeel opgezet bedrijf met een uitgebreide organisatiestructuur. De minister heeft daarnaast de verschillende onderdelen van het relaas aan elkaar gekoppeld. Het niet geloofwaardig vinden de problemen met de Sarpanch en de overige schuldeisers is grotendeels gebaseerd op het oordeel dat het zandwinningsbedrijf niet geloofwaardig zou zijn. Dat leidt tot een cirkelredenering. Daarnaast kan van eiser niet worden verlangd dat hij onderbouwd dat [naam 1] met het zakelijk geld is verdwenen, omdat eiser geen kennis heeft van de precieze wijze waarop [naam 1] het geld heeft meegenomen en juist de ontstane problemen hem tot deze conclusie brachten. Daarnaast kan eiser niet worden tegengeworpen dat hij geen aangifte heeft gedaan bij de politie, omdat hij machtige personen tegenover zich heeft die de zaak tegen hem zouden kunnen keren en daadwerkelijke bescherming niet gegarandeerd is.

Wat is het oordeel van de rechtbank?

5. De rechtbank beoordeelt of de minister de aanvraag van eiser kon afwijzen als kennelijk ongegrond. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser. De rechtbank geeft eiser geen gelijk. Hieronder legt de rechtbank dat uit.

Volle toetsing

6. In de arresten van 4 juni 2026 in de zaken Ebilum[_be0b6272-b04d-4fb9-846e-07463e54affb] en Quotal[_bc77b68c-a7f9-4962-ba65-5979a83affb2] heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie overwogen dat de terughoudende toets, zoals de Nederlandse rechter in asielzaken verrichtte, niet verenigbaar is met het Europese recht. In lijn met deze rechtspraak toetst de rechtbank het besluit daarom nu vol.

Eisers rol als medeoprichter dan wel zakenpartner van een zandwinningsbedrijf en de daaruit voortvloeiende problemen

7. De minister werpt eiser tegen dat hij onvoldoende documenten heeft overgelegd en daarvoor geen goede verklaring heeft. De minister is er in het bestreden besluit vanuit gegaan dat eiser mede-eigenaar is van het zandwinningsbedrijf. De minister werpt eiser tegen dat hij vanuit die hoedanigheid over objectieve documenten van het bedrijf moet kunnen beschikken, zoals een bewijs van inschrijving en vergunningen voor zandwinning. Eiser heeft in beroep echter toegelicht dat hij inderdaad als zakenpartner zaken deed met [naam 1] in het zandwinningsbedrijf, maar dat hij meer bij de uitvoering betrokken was. Eiser stelt dat [naam 1] de formele en feitelijke leiding over bepaalde onderdelen van de onderneming had. Ter zitting heeft eiser toegelicht dat [naam 1] degene was die ging over de zakelijke dingen zoals het afsluiten van contracten en de grote geldsommen. Eiser heeft op zitting ook toegelicht dat hij degene is die uit zijn eigen naam materialen is gaan huren, waaronder tractoren (van de Sarpanch), en dat hij ook degene is die de werknemers heeft ingeschakeld.

8. Naar het oordeel van de rechtbank wijst eiser er in beroep terecht op dat hij niet heeft verklaard de formele eigenaar of vergunninghouder van de onderneming te zijn. Wel is het zo dat eiser de gehoormedewerker niet heeft tegengesproken op het moment dat de verhoormedewerker ervan uitging dat hij wel mede-eigenaar is.[_89adee45-10f5-415e-af8c-663e1c4ac678] De rechtbank constateert dat al tijdens het gehoor enige verwarring lijkt te ontstaan over eisers positie en of hij nu wel of niet over documenten moet kunnen beschikken. Desondanks heeft de minister het ontbreken van objectieve documenten met betrekking tot het zandwinningsbedrijf laten doorwerken in de rest van het besluit door ook andere verklaringen ongeloofwaardig te vinden omdat eiser het bestaan van het zandwinningsbedrijf niet met documenten heeft onderbouwd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister daarmee ten onrechte te zwaar gewicht toegekend aan het ontbreken van objectieve documentatie met betrekking tot het zandwinningsbedrijf.

8.1.

Dat neemt niet weg dat de rechtbank van oordeel is dat het bestreden besluit verder voldoende gemotiveerd tot stand is gekomen en mede in het licht van wat er op zitting naar voren is gebracht in stand kan blijven, de rechtbank licht dat hieronder nader toe.

8.2.

Eiser heeft ook zijn rol als uitvoerder bij het zandwinningsbedrijf niet met stukken onderbouwd. Eiser heeft verklaard via een gemeenschappelijke vriend genaamd [naam 2] in contact te zijn gekomen met [naam 1] en heeft een (huur)overeenkomst ten behoeve van de zandwinning overgelegd tussen [naam 2] en [naam 1], waarop eisers naam niet voorkomt. De minister wijst er terecht op dat dit document geen informatie geeft over eisers betrokkenheid of positie binnen het bedrijf. De door eiser overgelegde lijst met kleine transacties van omgerekend minder dan 10 euro, waarvan eiser stelt dat hij die van klanten heeft ontvangen, maakt zijn relaas ook niet aannemelijk. De minister wijst er ter zitting namelijk terecht op dat niet is onderbouwd dat het daadwerkelijk om betalingen van klanten gaat. De minister heeft verder op goede gronden tegengeworpen dat eiser weinig informatie over het zandbedrijf kan verstrekken en dat hij vaag en incoherent heeft verklaard over zijn rol en functie binnen het zandwinningsbedrijf. Zo heeft eiser bijvoorbeeld tegenstrijdig verklaard over zijn rol bij de financiën van de onderneming. Enerzijds heeft eiser verklaard dat hij alle financiën binnen het bedrijf deed, anderzijds stelt hij dat niet hij maar [naam 1] verantwoordelijk was voor het financiële deel van het bedrijf. Dat hij hierover wisselend verklaart, valt op omdat eiser stelt dat [naam 1] er met het geld van het bedrijf vandoor is gegaan.

8.3.

Ook de problemen met de zakelijke schuldeisers heeft de minister terecht niet geloofwaardig gevonden. Eiser heeft de problemen met de schuldeisers, en de Sarpanch in het bijzonder, niet met documenten onderbouwd. Mede in het licht van zijn vage en incoherente verklaringen over zijn rol, heeft eiser ook niet aannemelijk gemaakt dat hij daadwerkelijk problemen met de Sarpanch had. De minister heeft eiser daarbij ook terecht tegengeworpen dat hij geen aangifte heeft gedaan van de bedreiging door de Sarpanch. Daarbij heeft de minister zich op basis van landeninformatie op het standpunt gesteld dat het wel mogelijk is om aangifte te doen bij de politie. De rechtbank begrijpt uit de door de minister aangehaalde landeninformatie dat een persoon kan worden geschorst als Sarpanch als er een strafrechtelijke procedure loopt. De rechtbank komt op basis van wat eiser daarover op zitting heeft aangevoerd niet tot een andere conclusie. Het rapport uit 2026 van Freedom House over India weerspreekt het ambtsbericht niet. De rechtbank leest daarin dat het recht op een eerlijk proces niet consequent wordt nageleefd en dat het soms moeilijk is om de politie ertoe te bewegen een eerste aangifteverslag op te laten stellen. Maar daarin staat niet dat het doen van aangifte niet mogelijk is. Daarbij heeft eiser ook niet aannemelijk gemaakt dat hij persoonlijk geen aangifte zou kunnen doen. 8.3. Verder legt eiser de omstandigheid dat [naam 1] geld uit het bedrijf zou hebben gestolen aan zijn problemen ten grondslag, maar ook hiervan heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser dit niet heeft onderbouwd. De minister werpt terecht tegen dat eiser slechts vermoedt dat [naam 1] het geld heeft gestolen en dat het onduidelijk blijft of dat dan om contant geld ging of om geld dat op de bankrekening stond. De stelling dat [naam 1] niet meer op eiser reageert en de overgelegde Whatsappberichten ondersteunen nog niet dat [naam 1] het geld heeft gestolen. Daarbij heeft de minister betrokken dat niet is te achterhalen of de overgelegde berichten afkomstig zijn van eiser en gericht zijn aan [naam 1]. En ook als dat wel zo is, dan wijst de minister er terecht op dat uit het feit dat [naam 1] niet langer bereikbaar was niet kan worden afgeleid of dat vanwege diefstal was of bijvoorbeeld een vermissings- dan wel een andere situatie.

8.4.

Op grond van het voorgaande heeft de minister eisers rol als zakenpartner van een zandwinningsbedrijf en de daaruit voortvloeiende problemen terecht ongeloofwaardig bevonden.

Conclusie en gevolgen

9. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft.

10. Omdat op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.

11. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Smeets, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. L.W.H. Schippers, griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen twee weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

  1. Artikel 39, vierde lid, van de Procedureverordening; artikel 42, eerder en derde lid, van de Procedureverordening.
  2. De uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) van 4 juni 2026, ECLI:EU:C:2026:448, onder rechtsoverweging 58.
  3. De uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) van 4 juni 2026, ECLI:EU:C:2026:447, onder rechtsoverweging 48.
  4. Gehoor van 2 augustus 2026, p. 13.

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.