Uitspraak · Vreemdelingenrecht

Rechtbank Den Haag, 2 oktober 2026

ECLI:NL:RBDHA:2026:30840Zaaknummer NL25.30619

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
2 oktober 2026
Publicatiedatum
26 oktober 2026
Zaaknummer
NL25.30619
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats
Den Haag
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

NTB is gegrond; beroep NTB omgeklapt naar asiel; beroep asiel terug omgeklapt naar NTB; meerdere voornemens en besluiten uitgebracht maar nog geen definitieve beschikking.

De rechtbank:

- verklaart het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op de aanvraag van eiser gegrond;

- vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;

- draagt de minister op binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit te nemen op de aanvraag;

- bepaalt dat de minister aan eiser een dwangsom van € 50,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van€ 15.000,-;

- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Holleman, rechter, in aanwezigheid van L.W.H. Schippers, griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. [eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser
  2. Overwegingen
  3. Beslissing

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.30619

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser

(gemachtigde: mr. E. Ebes),

en

de minister van Asiel en Migratie (hierna: de minister)

Procesverloop [_6baa819c-2289-4070-a73f-e37f5ef69082]

Eiser heeft op 21 december 2022 asiel aangevraagd. Op 2 januari 2023 heeft hij een aanmeldgehoor Dublin gehad. Hij heeft daarop correcties en aanvullingen ingediend.

De minister heeft op 17 maart 2023 het voornemen uitgebracht om eisers asielaanvraag niet in behandeling te nemen, omdat een andere lidstaat verantwoordelijk hiervoor zou zijn. Eiser heeft daartegen een zienswijze ingediend. Op 21 november 2023 heeft de minister medegedeeld dat het voornemen van 17 maart 2023 als ingetrokken kan worden beschouwd en dat zijn aanvraag wordt behandeld in de nationale procedure.

Op 5 maart 2024 is eiser gehoord in een nader gehoor. Eiser heeft daar correcties en aanvullingen op ingediend.

Op 7 mei 2024 heeft eiser de minister in gebreke gesteld.

Op 24 mei 2024 heeft de minister zijn voornemens uitgebracht om eisers asielaanvraag af te wijzen. Eiser heeft daartegen zijn zienswijze ingediend. Met de beschikking van 10 juli 2024 heeft de minister de aanvraag van eiser afgewezen als ongegrond. Op 16 juli 2024 heeft eiser beroep ingesteld tegen de afwijzende beschikking. Op 27 november 2024 heeft de minister de beschikking weer ingetrokken vanwege het instellen van een besluit- en vertrek moratorium voor Libanon, het land waarnaar eiser volgens de minister moet terugkeren, wegens de ongewisse veiligheidssituatie daar. Het beroep is vervolgens ingetrokken.

Op 9 december 2024 heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit door de minister op zijn asielaanvraag[_3b160d1c-8dc7-408c-9542-043f6031da8d] van 21 december 2022. Op 2 januari 2025 heeft de rechtbank het beroep van eiser niet-ontvankelijk verklaard, omdat de ingebrekestelling van 7 mei 2024 prematuur was ingediend.

Op 6 januari 2025 heeft eiser de minister opnieuw in gebreke gesteld.

In mei 2025 is het besluit- en vertrekmoratorium voor Libanon ingetrokken.

Op 10 juli 2025 heeft eiser opnieuw beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit door de minister op zijn asielaanvraag[_580db953-8d31-48e9-9a44-8e69a08d77b0] van 21 december 2022.

Op 6 augustus 2025 is er een nieuw voornemen uitgebracht. De minister heeft op 10 november 2025 vervolgens een nieuw voornemen uitgebracht, waarmee het voornemen van 6 augustus 2025 is komen te vervallen. Op 8 december 2025 heeft de minister de asielaanvraag van 21 december 2022 afgewezen als ongegrond.

Op het verzoek van eiser van 2 januari 2026 is het ingediende beroep niet tijdig beslissen van 10 juli 2025 omgeklapt naar een beroep gericht tegen de afwijzende beschikking van 8 december 2025.

Op 30 april 2026 is aan de minister door de rechtbank verzocht om te laten weten of de actuele situatie in Libanon van invloed is op de zaak van eiser. De minister heeft hierop niet gereageerd.

Op 1 juni 2026 is er een vertrek besluit- en vertrek moratorium voor Libanon ingesteld.

De rechtbank heeft de minister op 1 juni 2026 opnieuw verzocht om te laten weten of de actuele situatie in Libanon van invloed is op de zaak van eiser. Op 9 juni 2026 is aan de minister een rappel gestuurd. De minister heeft hierop niet gereageerd.

Op 18 september 2026 heeft de minister verzocht de behandeling van het beroep enkele weken aan te houden vanwege het op 1 juni 2026 ingestelde besluit- en vertrekmoratorium Libanon en de minister een actuele beoordeling moet maken die raakt aan het besluit. Eiser heeft aangegeven zich hiertegen te verzetten. De rechtbank heeft het aanhoudingsverzoek afgewezen, omdat de minister meerdere keren om reactie is gevraagd gelet op het besluit- en vertrekmoratorium, en daarop tot het aanhoudingsverzoek geen reactie is gekomen.

De minister heeft daarop op 21 september 2026 het besluit van 8 december 2025 ingetrokken. Diezelfde dag heeft eiser verzocht het beroep van 10 juli 2025 weer om te klappen naar een beroep niet tijdig. De rechtbank heeft op 22 september 2026 bevestigd dat het beroep moet worden opgevat als een beroep niet tijdig.

De minister heeft geen verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft het beroep op 24 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser. De gemachtigde van de minister is met voorafgaand bericht niet verschenen.

Overwegingen

1. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op zijn aanvraag, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag (de ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is genomen, dan kan de betrokkene beroep instellen.[_1afd1e72-faa2-4dcb-be6a-e54c2d969018]

2. De rechtbank stelt vast dat de beslistermijn is verstreken. De rechtbank stelt verder vast dat eiser de minister bij brief van 6 januari 2025 heeft medegedeeld dat de minister in gebreke is tijdig een besluit te nemen. Hierna zijn meer dan twee weken verstreken voordat eiser op 10 juli 2025 beroep heeft ingesteld vanwege het niet tijdig beslissen op de aanvraag.

3. Gelet op het voorgaande is het beroep ontvankelijk en is er sprake van overschrijding van de beslistermijn. De rechtbank verklaart het beroep tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag van eiser daarom gegrond.

4. Aangezien het beroep gegrond is en nog geen besluit bekend is gemaakt, zal de rechtbank de minister opdragen alsnog een besluit te nemen. Daarbij zal de rechtbank de minister een termijn stellen voor het nemen van het nieuwe besluit.[_af9558ff-bf37-4c88-aa49-7ba88430eb3d]

5. Met ingang van 12 juni 2026 is het Asiel- en migratiepact van toepassing geworden. In het kader daarvan is op diezelfde datum de nationale Uitvoeringswet- en Implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026[_5d3343ba-05ae-4553-9ea3-f293e9fd26f4] (hierna: de Uitvoeringswet) in werking getreden. Met deze Uitvoeringswet is de Vw 2000 op een groot aantal punten gewijzigd. Een van de gevolgen van de Uitvoeringswet is dat de voornemenprocedure is vervallen. Uit het bijbehorende overgangsrecht volgt dat de voornemenprocedure is vervallen voor alle lopende aanvragen, met uitzondering van aanvragen waarin al een voornemen is uitgebracht.[_11b8f1ec-9c12-4843-b72c-98cfb8d8bcd7] Het vervallen van deze stap strekt tot vereenvoudiging en versnelling van de asielprocedure, mede gelet op de verkorte beslistermijnen van de Procedureverordening.[_fcf7ad2b-20d2-42bb-9581-7c0e37176e8d]

6. Dit geeft de rechtbank aanleiding het bestaande 8+8-wekenmodel[_57cacf35-9296-4560-9080-8c9ed67de65c] te herzien. Het vervallen van de voornemenprocedure heeft geen gevolgen voor de termijn van acht weken voor het horen, maar brengt wél mee dat na het gehoor sneller tot besluitvorming kan worden overgegaan. Daarom stelt de rechtbank de termijn voor het nemen van een besluit, nadat al is gehoord over de asielmotieven, vast op vier weken (8+4-wekenmodel).

7. In dit geval is de maximale beslistermijn van 21 maanden als bedoeld in artikel 31, vijfde lid, van de Procedurerichtlijn inmiddels verstreken. In die situatie halveert de rechtbank de op te leggen termijn, tenzij bijzondere omstandigheden aanleiding geven daarvan af te wijken. In dit geval is er van dergelijke omstandigheden sprake. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

8. Eiser heeft op 21 december 2022 asiel aangevraagd. Er ligt nog altijd geen definitieve beschikking op de asielaanvraag van eiser, terwijl er ondertussen al wel meerdere voornemens en besluiten zijn uitgebracht. Zo behandelde de minister de procedure van eiser aanvankelijk als een Dublin-zaak, daarna is deze pas opgenomen in de nationale procedure. Op 10 juli 2024 is de aanvraag van eiser voor het eerst afgewezen. De eerdere behandeling van het beroep op zitting werd toen uitgesteld, vanwege de ongewisse situatie in Libanon en om die reden heeft de minister het besluit vervolgens ook ingetrokken. Nadat het besluit- en vertrekmoratorium was ingetrokken in mei 2025, heeft de minister op 6 augustus 2025 een nieuw voornemen tot afwijzing van de asielaanvraag uitgebracht. Daarin stelt de minister zich op het standpunt dat eiser zou kunnen terugkeren naar Syrië. Dit voornemen is vervolgens ingetrokken met het uitbrengen van een nieuw voornemen van 10 november 2025, waarin toch weer stond dat eiser moet terugkeren naar Libanon. Bij de beschikking van 8 december 2025 heeft de minister de asielaanvraag van eiser vervolgens voor de tweede keer afgewezen. Eiser heeft toen verzocht het beroep tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag om te klappen naar een beroep gericht tegen het besluit van 8 december 2025. De ongewisse situatie in Libanon heeft er vervolgens toe geleid dat er op 1 juni 2026 opnieuw een besluit- en vertrekmoratorium voor Libanon is ingesteld.

De minister is door de rechtbank driemaal gevraagd om aan te geven of de actuele situatie in Libanon gevolgen heeft voor de zaak van eiser, zowel op 30 april 2026, 1 juni 2026 als 9 juni 2026. De minister heeft alle drie de keren niet tijdig gereageerd. Een aantal dagen voor de zitting, op 18 september 2026, heeft de minister pas gereageerd en hij verzocht de behandeling van het beroep enkele weken aan te houden vanwege het besluit- en vertrekmoratorium. Vanwege het herhaaldelijk uitblijven van reactie van de minister is de rechtbank hier niet in meegegaan. Daarna heeft de minister op 21 september 2026 de afwijzende besluiten van 8 december 2025 ingetrokken.

Eiser heeft zich vervolgens, naar eigen zeggen, genoodzaakt gezien om het beroep gericht tegen het besluit van 8 december 2025 in te trekken en verzocht het beroep weer terug om te klappen naar een beroep niet tijdig. Eiser geeft daarbij aan dit te doen met het gevoel dat de minister misbruik maakt van recht. Eiser heeft de rechtbank daarbij verzocht om een verkorte termijn te geven waarbinnen op de aanvraag moet worden beslist op straffe van een dwangsom en te bepalen dat de minister de proceskosten moet vergoeden.

Gelet op de hiervoor beschreven gang van zaken gedurende de aanvraagprocedure van eiser waarbij meermaals nieuwe voornemens en besluiten worden genomen en vervolgens weer ingetrokken en waarbij de minister verzoeken van de rechtbank negeert, gaat de rechtbank mee in dit verzoek. De rechtbank draagt de minister op om binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak een besluit op de aanvraag bekend te maken.

9. De rechtbank bepaalt verder dat een dwangsom wordt verbeurd voor elke dag dat

de minister in gebreke blijft om aan de termijn van deze uitspraak te voldoen.[_db64ab2c-5280-482c-b6fd-ea7c17b00695] Onder verwijzing naar de aanbeveling van het Landelijk Overleg Vakinhoud Bestuursrecht[_cd4d0e19-6f41-49dd-b8c5-52806b20a58a] stelt de rechtbank de hoogte van de dwangsom vast op een bedrag van € 50,- voor elke dag waarmee de hiervoor genoemde termijn wordt overschreden. In overeenstemming met de aanbeveling wordt het maximum bepaald op € 15.000,-.

10. Gelet op het voorgaande, veroordeelt de rechtbank de minister in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand stelt de rechtbank vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift gericht op de afwijzing van de asielaanvraag met een wegingsfactor 1 als ook 1 punt voor het indienen van het beroepschrift gericht op het niet tijdig nemen van het besluit en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een wegingsfactor 0,5, met een waarde per punt van € 934,-).[_3db9ed55-d387-45bc-aef9-55a28adc9f0f] De rechtbank is van oordeel dat deze zaak voor zover het is gericht op het niet tijdig beslissen op de aanvraag van licht gewicht is, omdat het alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is verstreken. Voor het omgeklapte beroepschrift gericht tegen de afwijzing van de asielaanvraag kent de rechtbank een volledig punt toe, gelet op het aanbod van de minister om de door de vreemdeling gemaakte proceskosten te vergoeden. Omdat aan eiser een toevoeging is verleend, moet de minister de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op de aanvraag van eiser gegrond;

- vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;

- draagt de minister op binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit te nemen op de aanvraag;

- bepaalt dat de minister aan eiser een dwangsom van € 50,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van€ 15.000,-;

- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Holleman, rechter, in aanwezigheid van L.W.H. Schippers, griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

  1. Waar de rechtbank in deze uitspraak verwijst naar de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) doelt zij op de Vw 2000 zoals deze geldt vanaf 12 juni 2026. Als de rechtbank in deze uitspraak verwijst naar een artikel van de Vw 2000 met daarachter “(oud)” dan doelt zij op het betreffende artikel uit de Vw 2000 zoals dat gold op 11 juni 2026, direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van het Europees Migratiepact en de daarbij behorende nationale Uitvoeringswet.
  2. Een aanvraag als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 (oud).
  3. Een aanvraag als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 (oud).
  4. Zie de artikelen 6:2, aanhef en onder b, van de Awb en 6:12, eerste en tweede lid, van de Awb.
  5. Op grond van artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder b, van de Awb.
  6. De Wet van 27 mei 2026 tot wijziging van de Vw 2000 en enkele andere wetten in verband met de uitvoering en implementatie van het EU-Asiel- en migratiepact 2026, Stb. 2026, 127.
  7. Dit volgt uit onderdeel AF en artikel IX van de Uitvoeringswet.
  8. TK 2025-2026, 36 871, nr. 3, p. 46 en 47.
  9. Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 8 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1560.
  10. Met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb.
  11. “Aanbeveling opleggen rechterlijke dwangsom bij beroepen niet-tijdig beslissen in vreemdelingenzaken” zoals gepubliceerd op rechtspraak.nl.
  12. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Deze uitspraak verwijst naar

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.