Uitspraak · Strafrecht

Rechtbank Den Haag, 16 september 2026

ECLI:NL:RBDHA:2026:30819Zaaknummer 09.115896-25

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
16 september 2026
Publicatiedatum
23 oktober 2026
Zaaknummer
09.115896-25
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig, Op tegenspraak
Zittingsplaats
Den Haag
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Openlijke geweldpleging tegen 2 personen. In strafverzwarende zin wordt meegewogen dat met een vuurwapen is geslagen tegen het achterhoofd. Taakstraf 240 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 1 maand.

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.6 bewezen is verklaard;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart het onder feit 2 en feit 3 bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 2: openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen;

ten aanzien van feit 3: openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen;

verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot:

een taakstraf voor de tijd van 240 (tweehonderdveertig) UREN;

beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de tijd van 120 (honderdtwintig) DAGEN;

beveelt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de taakstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt de maatstaf volgens welke de aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht zal geschieden op 2 uren per dag;

veroordeelt de verdachte voorts tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) MAAND voorwaardelijk;

bepaalt dat die gevangenisstraf niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op tweejaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Dit vonnis is gewezen door

mr. M.R. Aaron, voorzitter,

mr. Y.J. Wijnnobel-van Erp, rechter,

mr. T. Ketelaars, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. A.M. van der Wal-de Zoeten en, griffier,

mr. C.B. Pluim

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 16 september 2026.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 Het onderzoek ter terechtzitting
  2. 2 De tenlastelegging
  3. 3 De bewijsbeslissing
  4. 4 De strafbaarheid van het bewezen verklaarde
  5. 5 De strafbaarheid van de verdachte
  6. 6 De strafoplegging
  7. 7 De toepasselijke wetsartikelen
  8. 8 De beslissing

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummer: 09/115896-25

Datum uitspraak: 16 september 2026

Tegenspraak

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 2004 te [geboorteplaats],

BRP-adres: [adres].

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 2 september 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. N. Stolk en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. H.W. van Eeuwijk naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging op de terechtzitting van 2 september 2026 - ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 14 april 2025 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [aangever 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen die [aangever 1] (meermalen) (met kracht)

- op de grond heeft geduwd en/of

- tegen het hoofd en/of het lichaam heeft getrapt, althans heeft geslagen/te slaan, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 14 april 2025 te 's-Gravenhage [aangever 1] heeft mishandeld,

door die [aangever 1] (meermalen) (met kracht)

- op de grond te duwen en/of

- tegen het hoofd en/of het lichaam te trappen, althans te slaan.

2.

hij op of omstreeks 15 april 2025 te 's-Gravenhage, althans in Nederland, op of aan de openbare weg, het Weteringplein, in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [aangever 1], welk geweld bestond uit het

- ( met een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp in de hand) achter die [aangever 1] aan rennen en/of

- ( nadat die [aangever 1] tegen de grond was gewerkt dan wel op de grond was gevallen) een of meerdere malen met een vuurwapen slaan op het (achter)hoofd, althans het lichaam, van die [aangever 1].

3.

hij op of omstreeks 15 april 2025 te 's-Gravenhage, althans in Nederland, op of aan de openbare weg, het Weteringplein, in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [aangever 2], welk geweld bestond uit het

- met kracht) slaan en/of schoppen tegen het lichaam van die [aangever 2] en/of

- ( met een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp in de hand) achter die [aangever 2] aan rennen en/of

- een of meerdere malen met een vuurwapen slaan op het (achter)hoofd, althans het lichaam, van die [aangever 2].

3 De bewijsbeslissing

3.1.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat er onvoldoende bewijs is voor de onder feit 1 primair ten laste gelegde poging zware mishandeling en heeft verzocht de verdachte hiervan vrij te spreken. De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder feit 1 subsidiair, feit 2 en feit 3 tenlastegelegde.

3.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft namens de verdachte vrijspraak bepleit van de onder feit 1 primair en subsidiair ten last gelegde feiten. Ten aanzien van de feiten 2 en 3 heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat verdachte partieel vrij moet worden gesproken van de ten laste gelegde geweldshandelingen met een vuurwapen.

3.3

Vrijspraak feit 1 (primair en subsidiair)

De rechtbank is, met de officier van justitie en de verdediging, van oordeel dat de (onder feit 1 primair) ten laste gelegde poging zware mishandeling niet wettig en overtuigend is bewezen. De verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Ten aanzien van de (onder feit 1 subsidiair) ten laste gelegde mishandeling heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de verdachte handelde uit noodweer.

De rechtbank overweegt hierover als volgt.

Voor een succesvol beroep op noodweer is vereist dat voldoende aannemelijk is geworden dat sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding, waartegen verdediging geboden was. Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de verdachte met zijn vuist de aangever een paar klappen heeft gegeven. De verklaring van de verdachte dat hij dit deed omdat hij door de aangever werd vastgegrepen, vindt steun in de verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2]. Beiden hebben immers verklaard dat de verdachte eerst werd vastgegrepen, dan wel werd aangevallen door de aangever. Behalve de verklaringen van de aangever, bevat het dossier geen getuigenverklaringen die op dit punt een andere lezing hierover geven. Het voorgaande brengt de rechtbank tot de conclusie dat aannemelijk is geworden dat sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding, waartegen de verdachte zich mocht verdedigen.

In dat licht kan naar het oordeel van de rechtbank niet (zonder meer) worden vastgesteld dat het door de verdachte toegepaste geweld in onredelijke verhouding stond tot de aanranding door de aangever. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat het geven van een paar klappen een passende reactie kan zijn in een scenario waarin de verdachte zich in een dreigende en dynamische situatie wilde ontdoen van de greep van de aangever. Daar komt bij dat voor enig overig geweld dat door de verdachte op dat moment zou zijn gepleegd, onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is.

Dit brengt mee dat het beroep op noodweer slaagt, voor zover dat ziet op de (subsidiair) onder feit 1 ten laste gelegde mishandeling, zodat de gedraging van de verdachte jegens de aangever niet wederrechtelijk was en de verdachte van dat feit moet worden vrijgesproken.

3.4

Gebruikte bewijsmiddelen ten aanzien van feit 2 en feit 3

De rechtbank heeft hierna opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.

Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2025122496, van de politie eenheid Den Haag, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 278) en de pagina’s van het aanvullend procesdossier, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 69).

Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - gebruikt voor het bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

Feit 2 en feit 3

1. Het proces-verbaal van verhoor van verdachte, opgemaakt op 15 april 2025, voor zover inhoudende (p. 159):

U wordt ervan verdacht dat u later op diezelfde avond nogmaals terug bent gereden naar de aangever. Dit keer met meer personen. U wordt ervan verdacht dat u toen openlijke geweldpleging heeft gepleegd.

Ik heb geslagen met mijn vuisten.

Met wie zat u in de auto toen u de tweede keer terug kwam? Met de andere drie verdachten.

Dat zijn mijn neven. Ik voelde me onveilig daarom heb ik hun meegevraagd.

Ik was met [aangever 1] aan het vechten.

2. De verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 2 september 2026, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

We zijn allemaal uitgestapt. Ik heb [aangever 1] een paar vuisten gegeven. Ik weet dat mijn neven hebben geslagen.

3. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 15 april 2025, voor zover inhoudende (p. 68):Op 15 april hebben wij de 4 inzittenden van de Seat aangehouden ter zake openlijke geweldpleging.Bestuurder: [medeverdachte 1]Bijrijder rechtsvoor: [verdachte]Passagier linksachter: [medeverdachte 2]Passagier rechtsachter: [medeverdachte 3].

4. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 15 april 2025, voor zover inhoudende (p. 61):

Ik bekeek de auto, omdat ik opzoek was naar mogelijke wapens die gebruikt waren bij de openlijke geweldpleging. Ik liep naar de zitplaats rechts achterin het voertuig. Ik zag hier op de voetenbodem direct in het zicht, twee voorwerpen die de uiterlijke kenmerken hadden van een vuurwapen. Ik zag dat de wapens een zwarte kleur hadden.

Feit 2

5. Het proces-verbaal van aangifte van [aangever 1], opgemaakt op 15 april 2025, voor zover inhoudende (p. 35-37):

Plaats delict: : Weteringplein, 's-GravenhagePleegdatum/tijd: 15 april 2025

Wij hoorden de aangever:

Achternaam: [aangever 1]

Voornamen: [voornaam aangever 1]

Plots stopte er een zwarte auto naast ons. Ik herkende deze auto direct als die eerdere Seat van eerder op de avond. Er stapte vier of vijf jongens uit. Ik zag dat die jongen van eerder, dus de bestuurder en een andere jongen, die links achterin in de auto zat, naar mij toegelopen kwamen. Ik zag twee wapens. Beiden jongens droegen allebei één wapen in hun hand.

Ik besloot om weg te rennen. Ik viel op de grond.

Toen voelde ik klappen op mijn achterhoofd. Ik voelde dat dit een hard voorwerp was, ik wist direct dat dit met dat wapen was die hij vast had. Ik keek omhoog en zag die jongen die mij eerder had mishandeld.De andere jongen met het wapenstond vlak achter de jongen die mij eerder had mishandeld. Hij sloeg mij weer op dezelfde manier met dat wapen op mijn achterhoofd. Toen rende die twee jongens terug naar de Seat toe waar ze mee kwamen, zij stapte in.

Nu voel ik veel fysieke pijn. Ik heb hoofdpijn. Mijn shirt is bebloed. Ik bloedde namelijk ook door die klappen.

6. Het proces-verbaal van bevindingen, inclusief bijlagen, opgemaakt op 15 april 2025, voor zover inhoudende: (p 54);

Ik zag dat [aangever 1] bloed had op zijn achterhoofd. Ik heb foto's van dit letsel gemaakt. Deze foto's zal ik als bijlage toevoegen aan dit proces-verbaal.

7. Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 3], opgemaakt op 15 april 2025, voor zover inhoudende (p. 40):

Op 15 april 2025 verhoorde ik, in persoon, de getuige.

Ik bevond mij op het Weteringplein in Den Haag. Ik zag dat er uit het voertuig drie personen stapten. Ik zag dat zij alle drie gelijk in de richting van mijn zwager liepen. Ik zag dat één persoon een vuurwapen in zijn hand had. Ik zag dat hij met de achterkant van het vuurwapen meerdere keren tegen het achterhoofd van mijn zwager sloeg. Ik zag dat de andere twee personen er omheen stonden. Ik zag dat één van deze personen ook een vuurwapen vasthield.

8. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 15 april 2025, voor zover inhoudende (p. 71):

Ik zei tegen [getuige 3] dat ik las in de getuigenverklaring van dat [getuige 3] het over zijn zwager had maar niet wist wie dit was waarop ik [getuige 3] hoorde verklaren dat zijn zwager [aangever 1] is.

9. Het proces-verbaal van het Team Forensische Opsporing, opgemaakt op 15 april 2025, voor zover inhoudende (p. 15 aanvullend procesdossier):

Op dinsdag 15 april 2025 ontving ik een wapen. Op verzoek heb ik een onderzoek ingesteld.

Soort wapen: Omgebouwd gaspistool

Merk: Zoraki

Model: M906

Het vuurwapen is, door mij, ten behoeve van de politieadministratie voorzien van SIN nummer: AAQW7137NL.

10. Het proces-verbaal vooronderzoek lab, opgemaakt op 27 mei 2025, voor zover inhoudende (p. 245-253):

In verband met een onderzoek naar een openlijke geweldpleging tegen personen te ' s-Gravenhage werd een forensisch onderzoek verricht naar biologische en dactyloscopische sporen aan onderstaande sporendragers:

Onderzoek vuurwapen (pistool) met SIN AAQW7137NL

Tijdens het ingestelde onderzoek werd door mij het navolgende bevonden en waargenomen.

SIN: AASQ2655NL

Relatie met SIN: AAQW7137NL

Spoortype: Biologisch

Spooromschrijving: Bloed

Plaats veiligstellen: Afgebroken delen trekkerbeugel pistool.

SIN: AASQ2656NL

Relatie met SIN: AAQW7137NL

Spoortype: Biologisch

Spooromschrijving: Bloed

Plaats veiligstellen: Vlekken onderkant kast pistool (voor trekker).

SIN: AASQ2657NL

Relatie met SIN: AAQW7137NL

Spoortype: Biologisch

Plaats veiligstellen: Ruwe delen en ribbels greep pistool.

SIN: AASQ2658NL

Relatie met SIN: AAQW7137NL

Spoortype: : Biologisch

Plaats veiligstellen: Onderzijde greep pistool en onderzijde magazijn.

SIN: AASQ2659NL

Relatie met SIN: AAQW7137NL

Spoortype: Biologisch

Plaats veiligstellen: Voorzijde loop pistool en voorste deel binnenzijde loop.

11. Een geschrift, te weten het rapport Forensisch DNA-onderzoek van Euroform van 12 juni 2025, voor zover inhoudende (p. 60 – 62 aanvullend procesdossier):

Afgebroken delen trekkerbeugel AASQ2655NL.

DNA-profiel: DNA-mengprofiel afkomstig van minimaal twee donoren, van wie zeker één man. Er is een DNA-hoofdprofiel afgeleid van een man waarvan de frequentie van voorkomen kleiner is dan één op één miljard.

Mogelijke donor van DNA: [aangever 1] (DNA-hoofdprofiel).

Vlekken onderkant kast pistool AASQ2656NL

DNA-profiel: DNA-mengprofiel afkomstig van minimaal twee donoren, van wie zeker één man. Er is een DNA-hoofdprofiel afgeleid van een man waarvan de frequentie van voorkomen kleiner is dan één op één miljard. Mogelijke donor van DNA: [aangever 1] (DNA-hoofdprofiel).

De additionele DNA-kenmerken van de minder prominent aanwezige donoren zijn geschikt voor vergelijkend DNA-onderzoek. Mogelijke donor van DNA: [medeverdachte 1] (additionele DNA-kenmerken).

Om een uitspraak te doen over het mogelijk aanwezig zijn van DNA van verdachte [medeverdachte 1] WAAQ1450NL in de bemonstering AASQ2656NL is de likelihood-ratio (LR) methode toegepast. Daarbij worden de resultaten bezien in het licht van twee, elkaar uitsluitende hypothesen. Deze hypothesen zijn geformuleerd onder de aanname dat derde [aangever 1] WAIZ9597NL donor is.Hypothese 1: de bemonstering bevat DNA van [aangever 1] en [medeverdachte 1] .Hypothese 2: de bemonstering bevat DNA van [aangever 1] en één onbekende persoon.De resultaten van het onderzoek zijn meer dan één miljard keer waarschijnlijker wanneer hypothese 1 juist is dan wanneer hypothese 2 juist.

Ruwe delen en ribbels greep pistool AASQ2657NL. DNA-profiel: DNA-mengprofiel afkomstig van minimaal vier donoren, van wie zeker één man. Het DNA-mengprofiel is geschikt voor vergelijkend DNA-onderzoek. Mogelijke donor van DNA: [medeverdachte 1], [medeverdachte 3], [aangever 1].

Onderzijde greep pistool en onderzijde magazijn AASQ2658N. DNA-profiel: DNA-mengprofiel afkomstig van minimaal vier donoren, van wie zeker één man. Het DNA-mengprofiel is geschikt voor vergelijkend DNA-onderzoek. Mogelijke donor van DNA: [medeverdachte 1], [medeverdachte 3], [aangever 1].

Voorzijde loop pistool en voorste deel binnenzijde loop AASQ2659NL. DNA-profiel: DNA-mengprofiel afkomstig van minimaal drie donoren, van wie zeker één man. Het DNA-mengprofiel is geschikt voor vergelijkend DNA-onderzoek. Mogelijke donor van DNA: [medeverdachte 1].

Feit 3

12. Het proces-verbaal van aangifte van [aangever 2], inclusief de daarbij behorende fotobladen, opgemaakt op 15 april 2025, voor zover inhoudende (p.114-115):

Plaats delict: : Weteringplein, 's-GravenhagePleegdatum/tijd: dinsdag 15 april 2025

Wij hoorden de aangever:

Achternaam: [aangever 2]

Voornamen: [voornaam aangever 2]

Op een gegeven moment zagen we een auto aankomen rijden. Ik zag dat er vier of vijf mannen in de auto zaten. Ik zag dat [verdachte] achter het stuur zat. Iedereen die in de auto zat stapte tegelijkertijd uit de auto. Ze renden allemaal op mij en [aangever 1] af. Ik zag dat door de mannen vuurwapens werden vastgehouden. Ik heb zeker twee vuurwapens gezien. De vuurwapens waren zwart.

Ik en [aangever 1] werden beiden geslagen. Ik voelde dat ik ook met een vuurwapen ben geslagen. Ik ben geslagen op mijn hoofd.

Ik keek achterom en ik zag dat er 3 mannen achter mij aan kwamen gerend.

Ik heb een wond op mijn achterhoofd.

13. Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 4], opgemaakt op 15 april 2025, voor zover inhoudende (p. 43-44):

Ik zag dat de Seat komende uit de richting van de Weteringplein aan kwam rijden. Vervolgens zag ik dat er vijf manspersonen uit de Seat stapten. Ik zag dat vier van de personen een vuurwapen in hun handen hadden.

Ik zag dat drie van de mannen naar [aangever 2] liepen. [aangever 2] rende weg. Ik zag dat de drie mannen [aangever 2] vast pakte en hem opzettelijk en met kracht meerdere klappen gaven. Ze sloegen [aangever 2] met het wapen.

14. Het proces-verbaal van het Team Forensische Opsporing, opgemaakt op 15 april 2025, voor zover inhoudende (p. 25-26 aanvullend procesdossier):

Op 15 april 2025 ontving ik van een politiemedewerker een wapen. Op verzoek heb ik een onderzoek ingesteld.

Soort wapen: gasdrukpistool.

Model: Colt Government.

Het vuurwapen is, door mij verbalisant, ten behoeve van de politie administratie voorzien van SIN nummer: AAQW7136NL.

15. Het proces-verbaal vooronderzoek lab, opgemaakt op 27 mei 2025, voor zover inhoudende (p. 245-253):

In verband met een onderzoek naar een openlijke geweldpleging tegen personen te ' s-Gravenhage werd een forensisch onderzoek verricht naar biologische en dactyloscopische sporen aan onderstaande sporendragers:

Onderzoek vuurwapen (alarmpistool) met SIN AAQW7136NL

Tijdens het ingestelde onderzoek werd door mij het navolgende bevonden en waargenomen:

SIN: AASQ2059NL

Relatie met SIN: AAQW7136NL

Spoortype: Biologisch

Spooromschrijving: Epitheel

Plaats veiligstellen: ruwe delen greep pistool.

SIN: AASQ2060NL

Relatie met SIN: AAQW7136NL

Spoortype: Biologisch

Spooromschrijving: Epitheel

Plaats veiligstellen: onderzijde greep pistool en onderzijde magazijn.

SIN: AASQ2061NL

Relatie met SIN: AAQW7136NL

Spoortype: Biologisch

Spooromschrijving: Epitheel

Plaats veiligstellen: voorzijde loop pistool en voorste deel binnenzijde pistool.

16. Een geschrift, te weten het, te weten het rapport Forensisch DNA-onderzoek van Euroform van 12 juni 2025, voor zover inhoudende (p. 61-64 aanvullend procesdossier):

AASQ2060NL betreft drie wattenstaafjes. Het derde wattenstaafje is als aparte bemonstering ingezet AASQ2060NL#02.

Ruwe delen greep pistool AASQ2059NL.

DNA-profiel: DNA-mengprofiel afkomstig van minimaal drie donoren, van wie zeker één man. Er is een DNA-hoofdprofiel afgeleid van een man waarvan de frequentie van voorkomen kleiner is dan één op één miljard.

Mogelijke donor van DNA: [medeverdachte 3] (DNA-hoofdprofiel).

Onderzijde greep pistool en onderzijde magazijn AASQ2060NL#02.

DNA-profiel: DNA-mengprofiel afkomstig van minimaal twee donoren, van wie zeker één man. Er is een DNA-hoofdprofiel afgeleid van een man waarvan de frequentie van voorkomen kleiner is dan één op één miljard. Mogelijke donor van DNA: [medeverdachte 3] (DNA-hoofdprofiel).

Voorzijde loop pistool en voorste deel binnenzijde loop SIN AASQ2061 NL.

Het DNA-mengprofiel is geschikt voor vergelijkend DNA-onderzoek. Mogelijke donor van DNA: [medeverdachte 3]. [aangever 2] ..

Om een uitspraak te doen over het mogelijk aanwezig zijn van DNA van [aangever 2] WAIZ2896NL in de bemonstering AASQ2061 NL is de likelihood-ratio (LR) methode toegepast. Daarbij worden de resultaten bezien in het licht van twee, elkaar uitsluitende hypothesen.

Hypothese 1: de bemonstering bevat DNA van [aangever 2] en twee onbekende personen.

Hypothese 2: de bemonstering bevat DNA van drie onbekende personen.

De resultaten van het onderzoek zijn meer dan één miljard keer waarschijnlijker wanneer hypothese 1 juist is dan wanneer hypothese 2 juist is.

3.5

Bewijsoverwegingen

Feiten 2 en 3 (openlijke geweldpleging)

De rechtbank is van oordeel dat op grond van de hierboven genoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan twee openlijke geweldplegingen. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.

Juridisch kader openlijke geweldpleging

Van openlijke geweldpleging is sprake bij geweld gepleegd in vereniging, dat voor derden zichtbaar was of had kunnen zijn. Geweld wordt in vereniging gepleegd als de dader nauw en bewust heeft samengewerkt met één of meer anderen en daarbij zelf een ‘significante of wezenlijke bijdrage’ aan de openlijke geweldpleging heeft geleverd. Deze bijdrage kan onder andere bestaan uit het verrichten van één of meer gewelddadige handelingen.

Rol van de verdachte

Op basis van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat de verdachte samen met [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] op 15 april 2025 in zijn auto naar Den Haag is gereden. Zij zijn uitgestapt en op het Weteringplein heeft er een gewelddadige confrontatie plaatsgevonden met aangever [aangever 1] (hierna: [aangever 1]) en aangever [aangever 2] (hierna: [aangever 2] ). Uit de verklaringen van [aangever 1], [aangever 2] en getuigen [getuige 3] en [getuige 4] is af te leiden dat meerdere van de uit de auto gestapte mannen achter [aangever 1] en [aangever 2] zijn aangerend en dat zij beiden met een vuurwapen op het achterhoofd zijn geslagen. [aangever 1] is op zijn achterhoofd geslagen terwijl hij al op de grond lag. Deze verklaringen van de aangevers en de getuigen vinden steun in het letsel dat [aangever 1] en [aangever 2] op hun achterhoofd hebben opgelopen.

Twee van de in de auto van de verdachte aangetroffen wapens lagen zichtbaar achter de bijrijdersstoel. Deze zijn onderworpen aan een DNA-onderzoek. Uit het rapport van Eurofins volgt dat op deze wapens DNA profielen zijn aangetroffen van [aangever 1], [aangever 2], [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3].

Gelet op de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen kan dit geweld niet zijn gepleegd door anderen dan de verdachte en de medeverdachten. Dat de bijdrage van de verdachte in dat geweld voldoende significant is geweest, kan worden afgeleid uit het feit dat uit de bewijsmiddelen blijkt dat niet alleen de verdachte zelf maar ook de medeverdachten geweldshandelingen hebben gepleegd en uit niets blijkt dat één van hen zich van het geweld heeft gedistantieerd. In dat geval is niet vereist dat daarnaast ook komt vast te staan dat de verdachte zelf elke tenlastegelegde geweldshandeling heeft begaan. Dat betekent dat ook het slaan met de vuurwapens kan worden bewezen en dat de verdachte, als lid van de groep, voor deze handeling mede strafrechtelijk verantwoordelijk kan worden gehouden.

Conclusie

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de verdachte zich op 15 april 2025 schuldig heeft gemaakt aan openlijke geweldpleging tegen [aangever 1] en [aangever 2].

3.6

De bewezenverklaring

De rechtbank is met betrekking tot de onder 1 subsidiair, 2 en 3 ten laste gelegde feiten van oordeel dat deze feiten wettig en overtuigend zijn bewezen.

De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:

2.

hij op of omstreeks 15 april 2025 te 's-Gravenhage, althans in Nederland, op of aan de openbare weg, het Weteringplein, in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [aangever 1], welk geweld bestond uit het

- met een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp in de hand achter die [aangever 1] aan rennen en/of

- nadat die [aangever 1] tegen de grond was gewerkt dan wel op de grond was gevallen een of meerdere malen met een vuurwapen slaan op het (achter)hoofd, althans het lichaam, van die [aangever 1].

3.

hij op of omstreeks 15 april 2025 te 's-Gravenhage, althans in Nederland, op of aan de openbare weg, het Weteringplein, in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [aangever 2], welk geweld bestond uit het

- met kracht slaan en/of schoppen tegen het lichaam van die [aangever 2] en/of

- met een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp in de hand achter die [aangever 2] aan rennen en/of

- een of meerdere malen met een vuurwapen slaan op het (achter)hoofd, althans het lichaam, van die [aangever 2].

4 De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De strafoplegging

6.1.

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 240 uur, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, subsidiair 120 dagen hechtenis en een gevangenisstraf voor de duur van één maand voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

6.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat indien het tot een bewezenverklaring komt alleen een voorwaardelijke taakstraf aan de verdachte op te leggen.

6.3.

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straffen zijn in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Ernst van de feiten

De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging tegen een tweetal slachtoffers. In beide gevallen werd de gewelddadige confrontatie door de verdachte en de medeverdachten opgezocht. De verdachte heeft zelf fysiek geweld toegepast jegens het slachtoffer [aangever 1] en het toegepaste geweld door de groep tegen [aangever 1] is zo ver gegaan dat het slachtoffer, terwijl hij op de grond lag, met een vuurwapen op zijn hoofd werd geslagen. Door zijn handelen heeft de verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de slachtoffers. Daarnaast veroorzaken dit soort feiten gevoelens van onveiligheid bij zowel de slachtoffers als bij omstanders die van het geweld getuige zijn geweest. De gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij nemen daardoor in het algemeen toe. De rechtbank rekent dit de verdachte zwaar aan. Zij weegt hierbij in strafverzwarende zin mee dat bij het geweld gebruik is gemaakt van pistolen als slagwapens.

Dat er voorafgaand aan dit geweld volgens de verdachte sprake is geweest van bedreigingen door de slachtoffers jegens hem en zijn vriendin, doet aan de ernst van de feiten niet af. Als hiervan al sprake zou zijn geweest, rechtvaardigt dit niet de uitbarsting van geweld die de slachtoffers hebben moeten ondergaan.

Strafblad

De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 4 augustus 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet recentelijk is veroordeeld voor een vergelijkbaar feit.

Persoon van de verdachte

De rechtbank heeft kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de verdachte van 27 augustus 2026, waaruit volgt dat geen sprake is van problematiek bij de verdachte en van een gemiddeld recidiverisico. De reclassering adviseert bij veroordeling van de verdachte een straf zonder bijzondere voorwaarden op te leggen.

De rechtbank heeft daarnaast ook kennis genomen van de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. De verdachte heeft een vaste baan, een stabiele relatie, woont bij zijn ouders en heeft geen schulden.

De op te leggen straffen

De rechtbank heeft bij de bepaling van de strafmodaliteit en strafmaat aansluiting gezocht bij de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting. Daarin is als uitgangspunt vermeld bij openlijke geweldpleging, een taakstraf vanaf 120 uren. Zoals hierboven vermeld rekent de rechtbank de verdachte het in strafverzwarende zin aan dat bij de feiten gebruik is gemaakt van vuurwapens. Door het slaan met een vuurwapen op het achterhoofd van de slachtoffers is een risico in het leven geroepen op ernstig letsel. Daarnaast gaat het in dit geval om openlijke geweldpleging tegen meerdere personen, die bovendien daaraan verwondingen hebben overgehouden.

De rechtbank acht alles afwegende in dit geval passend een maximale taakstraf van 240 uren, te vervangen door 120 dagen hechtenis indien verdachte de taakstraf niet verricht. Hierop komt in aftrek de door verdachte in voorarrest doorgebrachte tijd.

Daarnaast ziet de rechtbank in de ernst van de bewezenverklaarde feiten aanleiding om naast de taakstraf een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen voor de duur van één maand, met een proeftijd van twee jaren. Deze voorwaardelijke straf dient als waarschuwing om de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw schuldig te maken aan gedragingen die tot soortgelijke situaties kunnen leiden.

7 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen:

- 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57 en 141 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

8 De beslissing

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.6 bewezen is verklaard;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart het onder feit 2 en feit 3 bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 2: openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen;

ten aanzien van feit 3: openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen;

verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot:

een taakstraf voor de tijd van 240 (tweehonderdveertig) UREN;

beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de tijd van 120 (honderdtwintig) DAGEN;

beveelt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de taakstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt de maatstaf volgens welke de aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht zal geschieden op 2 uren per dag;

veroordeelt de verdachte voorts tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) MAAND voorwaardelijk;

bepaalt dat die gevangenisstraf niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op tweejaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Dit vonnis is gewezen door

mr. M.R. Aaron, voorzitter,

mr. Y.J. Wijnnobel-van Erp, rechter,

mr. T. Ketelaars, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. A.M. van der Wal-de Zoeten en, griffier,

mr. C.B. Pluim

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 16 september 2026.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.