Uitspraak · Burgerlijk procesrecht

Rechtbank Den Haag, 6 oktober 2026

ECLI:NL:RBDHA:2026:30813Zaaknummer C/09/705773 / HA RK 26-362

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
6 oktober 2026
Publicatiedatum
23 oktober 2026
Zaaknummer
C/09/705773 / HA RK 26-362
Rechtsgebied
Civiel recht, Burgerlijk procesrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig, Beschikking
Zittingsplaats
Den Haag
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Verzoek voorlopig getuigenverhoor wordt toegewezen, maar de reikwijdte van het verhoor wordt beperkt. De proceskosten worden gecompenseerd.

De rechtbank

5.1.

beveelt een voorlopig getuigenverhoor om [naam 2], [naam 3] en [naam 8] te horen over de tariefstructuur die PostNL hanteert ten aanzien van alle intermediairs voor de bezorging van periodieken, waaronder begrepen de mogelijke kortingen, commissies en regelingen, niet zijnde specifieke klantinformatie;

5.2.

bepaalt dat het verhoor van de drie getuigen zal plaatsvinden in het Paleis van Justitie te Den Haag aan de Prins Clauslaan 60 op een nader te bepalen datum en tijdstip ten overstaan van een nader te bepalen rechter-commissaris;

5.3.

bepaalt dat partijen binnen twee weken na heden hun verhinderdata over de komende vier maanden dienen door te geven aan de rechtbank;

5.4.

bepaalt dat Bondis uiterlijk twee weken na deze beschikking een afschrift van de beschikking bij aangetekende brief of bij exploot aan PostNL moet doen toekomen;

5.5.

compenseert de proceskosten in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt;

5.6.

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.7.

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. T.F. Hesselink en in het openbaar uitgesproken op 6 oktober 2026.

3384

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 De procedure
  2. 2 De feiten
  3. 3 Het verzoek en het verweer
  4. 4 De beoordeling
  5. 5 De beslissing

RECHTBANK Den Haag

Team handel

zaaknummer / rekestnummer: C/09/705773 / HA RK 26-362

Beschikking van 6 oktober 2026

in de zaak van

BONDIS B.V., te Uitgeest,

verzoekster,

advocaten: mrs. R.C. de Mol en K.F. Liew,

tegen

1 POSTNL N.V., te Den Haag,2. KONINKLIJKE POSTNL B.V., te Den Haag,

verweersters,

advocaten: mrs. R.G.J. de Haan, Ch. De Looff en G.L. Quarles van Ufford.

Partijen worden hierna respectievelijk “Bondis”, “PostNL N.V.” en “Koninklijke PostNL” genoemd. PostNL N.V. en Koninklijke PostNL worden gezamenlijk in enkelvoud aangeduid als “PostNL”.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 15 mei 2026 en de daarin genoemde stukken;

- de akte overlegging aanvullende productie van Bondis met één productie, ingekomen op 27 juli 2026.

1.2.

Op 4 augustus 2026 is de zaak besproken tijdens een mondelinge behandeling. Hierbij waren aanwezig:

  • namens Bondis: de heer [naam 1], directeur, bijgestaan door mrs. De Mol en Liew voornoemd;
  • namens PostNL N.V.: de heer [naam 2], directeur sales, de heer [naam 3], senior partnermanager, tevens accountmanager van Bondis, de heer [naam 4], juridisch adviseur, en de heer [naam 5], pricing consultant;
  • namens PostNL: mrs. Quarles van Ufford, De Looff en De Haan voornoemd.

Mrs. Liew en Quarles van Ufford hebben het woord gevoerd aan de hand van overgelegde spreekaantekeningen.

2 De feiten

2.1.

Bondis drijft een onderneming onder de handelsnaam “Abonnementenland”. Bondis verleent ondersteunende diensten aan uitgevers van tijdschriften, waaronder de werving van abonnees, de administratie, de klachtenafhandeling over de bezorging en de distributie van de tijdschriften. Bondis geeft, samen met een zustervennootschap, ook tijdschriften uit.

2.2.

Bondis heeft tot in 2019 voor de bezorging van tijdschriften samengewerkt met Sandd B.V. (hierna: Sandd), een landelijke aanbieder van post- en logistieke diensten. Op 13 februari 2019 zijn Sandd en Bondis een mantelovereenkomst tot postbezorging aangegaan. Daarin zijn de voorwaarden overeengekomen voor de bezorging van postzendingen door Sandd.

2.3.

PostNL heeft op 22 oktober 2019 alle aandelen in Sandd overgenomen. Daarna is de integratie begonnen van de postnetwerken van Sandd en PostNL. Het postvolume van Sandd werd daarbij zoveel mogelijk overgeheveld naar PostNL.

2.4.

In het voorjaar van 2020 is tussen Bondis en PostNL een geschil ontstaan over de tarieven voor de verzending van poststukken. Dat geschil zag met name op de tariefverhogingen die PostNL wilde doorvoeren. Bondis had bij Sandd een zogenaamd blauw contract met blauwe tarieven, naar de kleur van het logo van Sandd. Die tarieven waren veel lager dan de standaard “oranje” tarieven van PostNL. In verband met dit geschil heeft Bondis PostNL op 17 april 2020 in kort geding gedagvaard. Na het uitbrengen van de dagvaarding zijn partijen in overleg getreden en hebben zij een vaststellingsovereenkomst gedateerd 29 mei 2020 gesloten (hierna: de VSO). Daarin hebben zij onder andere een afspraak gemaakt over de tarieven die PostNL bij Bondis in rekening zou brengen voor de tijdschriften die eerder door Sandd werden bezorgd. De afspraak, waarin de tijdschriften zijn aangeduid als ‘de NOVK Periodieken’, luidt als volgt:

“1.1 Sandd zal uitsluitend de titels op de lijst die is opgenomen als Bijlage 1 (de Huidige Periodieken) voor de resterende contractduur van de NOVK Periodieken (die van rechtswege afloopt op 31 december 2025) blijven bezorgen voor het tarief dat is overeengekomen in de NOVK Periodieken (met inachtneming van de jaarlijkse indexatie daarvan) (het Sandd Periodiekentarief).”

2.5.

In de VSO zijn ook afspraken vastgelegd over de bezorging van nieuwe tijdschriften door PostNL. Zo is in artikel 1.5 bepaald:

“1.5 Voor de bezorging van periodieken, (volgens de PostNL definitie) niet zijnde de Huidige Periodieken (Nieuwe Periodieken), zal PostNL op verzoek van Abonnementenland een offerte uitbrengen conform strandaard PostNL beleid, waarbij de geoffreerde tarieven in lijn zullen zijn met de 104 voorbeeldtarieven die PostNL per e-mail van 30 maart 2020 aan Abonnementenland heeft verstrekt. Definitieve tarieven zullen ten opzichte van overige door PostNL tegen het dan geldende PostNL beleid in de markt aangeboden tarieven non-discriminatoir zijn, en zullen op basis van een concrete aanvraag worden verstrekt en hangen onder andere af van contractduur, frequentie, aangeboden aantallen en gewicht.”

2.6.

Een e-mail van 20 augustus 2020 van de heer [naam 6] van PostNL aan de heer [naam 7] van Bondis houdt onder meer het volgende in:

“(…)

Graag kom ik ook inhoudelijk terug op veel van de mailwisseling van de laatste weken. Hierbij is een aantal zaken van belang om te weten:

  • Er zijn nog steeds meerdere aanbieders van postdiensten actief in Nederland, (deels) via een eigen netwerk en deels op basis van bestaande contracten door dit volume bij PostNL aan te bieden.
  • De genoemde contracten kunnen oranje contacten zijn (een contract met PostNL) of blauwe contracten (een contract met Sandd).
  • Bij de ontmanteling van Sandd is getracht zoveel mogelijk blauwe contracten om te zetten naar oranje contracten dan wel wordt het blauwe contract uitgediend.
  • Ook zijn er casus waarbij het blauwe contract is opgezegd.
  • Voor PostNL is in ieder geval een correcte migratie belangrijk. Bij klanten waar het blauwe contract afloopt of anderszins, proberen wij op een correcte en non-discriminatoire wijze aan alle klanten in gelijke omstandigheden een zelfde ingroei te bieden, etc.

Voor onze relatie met Abonnementenland:

  • Zoals gesteld, proberen wij zorgvuldig om te gaan met alle contractuele verplichtingen die er liggen. Zo respecteren wij het blauwe contract voor de bestaande titels waarin voor jullie zelfs de ruimte zit om – in een markt die dubbeldigit daalt (!) - in 2020 ca. 100% groei te realiseren. Kortom; wij acteren uiterst zorgvuldig en verhalen dat wij jullie geen ruimte geven voor groei zijn hiermee ver bezijden de waarheid.
  • Jullie hebben een oranje contract gekregen voor al het nieuwe volume dat jullie willen acquireren. Dit is gewoon een marktconform contract. Dat er partijen zijn die nog op bestaande blauwe afspraken en of combinatie van eigen bezorgnetwerken schijnbaar scherper kunnen offreren is een situatie waar ik niets aan kan en wil veranderen. Zoals ook hierboven onder 1 uitgelegd, proberen wij alle partijen correct en gelijk te behandelen, net zoals wij dat bij jullie hebben gedaan.
  • De laatste discussie van afgelopen week: als wij aan een partij (uitgever bijvoorbeeld) nu met een aflopend blauw contract een nieuw oranje tarief geven, geven wij hierbij een tarief dat is gebaseerd op ingroei. Ook hier proberen wij dat zeer zorgvuldig te doen. [naam 3] heeft jou afgelopen week aangegeven (uitgaande dat het een uitgave is die nu uit een blauw contract komt, sprake is van hetzelfde profiel — zoals looptijd, gewicht etc. -) jullie toegang kunnen krijgen tot datzelfde oranje inzake tarief. Daarvoor is het noodzakelijk dat wij de titel kennen. Voor de volledigheid; de salesfee geldt niet op inzake tarieven. (…)”
2.7.

Bondis en PostNL hebben ver voor de afloop van de VSO met elkaar gecorrespondeerd over de overgang naar een PostNL contract en een daarbij behorende ingroeiregeling. PostNL heeft zich daarbij onder meer op het standpunt gesteld dat Bondis fungeert als intermediair en daarom conform standaard PostNL beleid geen aanspraak kan maken op ingroeitarieven en PostNL op dit moment geen ingroeiregelingen meer aanbiedt. Zij zijn niet tot overeenstemming gekomen. Bondis heeft vervolgens PostNL op 7 november 2025 gedagvaard in kort geding. Bondis vorderde in die procedure inzage in de volgende bescheiden:

  • a) alle bescheiden in de ruimste zin des woords over het door PostNL gehanteerde beleid over het aanbieden van (non-discriminatoire) tarieven en een ingroeiregeling aan partijen met een aflopend Sandd-contract voor de levering van periodieken; en
  • b) alle bescheiden in de ruimste zin des woords over de tarieven, ingroeiregelingen, mogelijkheid tot ‘stapelen’ (volumekorting), kickback fees en overige kortingen die PostNL in 2024 en 2025 heeft aangeboden (inclusief de aanbiedingen zelf) aan derde marktpartijen voor de leveringen van periodieken.
2.8.

Bij vonnis van 12 december 2025 (zaaknummer: C/05/457727/KG ZA 25-163) heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Gelderland de vorderingen van Bondis gedeeltelijk toegewezen, in die zin dat PostNL is veroordeeld om inzage of afschrift van de hiervoor onder (a) genoemde bescheiden te verstrekken op straffe van een dwangsom. PostNL heeft vervolgens stukken aan Bondis verstrekt.

2.9.

Op 8 januari 2026 heeft PostNL hoger beroep ingesteld tegen het in randnummer 2.8. genoemde vonnis.

2.10.

Bij dagvaarding van 13 januari 2026 is Bondis een bodemprocedure tegen PostNL gestart bij de rechtbank Gelderland. In deze procedure stelt Bondis zich, samengevat, op het standpunt dat PostNL onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld door de overname van Sandd en aansprakelijk is voor de schade die Bondis daardoor heeft geleden. Bondis vordert in die procedure een bedrag van € 1.417.425,30 aan schadevergoeding.

2.11.

Op 13 januari 2026 heeft Bondis een bevel tot betaling uitgebracht aan PostNL in verband met door PostNL verbeurde dwangsommen, omdat PostNL volgens Bondis niet volledig zou hebben voldaan aan de veroordeling uit het in randnummer 2.8. genoemde vonnis. Omdat Bondis overging tot het incasseren van deze dwangsommen heeft PostNL een executie kort geding aanhangig gemaakt. Bij vonnis van 17 februari 2026 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Gelderland geoordeeld dat PostNL aan het vonnis van 12 december 2025 heeft voldaan en geen dwangsommen heeft verbeurd.

3 Het verzoek en het verweer

3.1.

Het verzoek strekt, zakelijk weergegeven, tot het bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, bevelen van een voorlopig getuigenverhoor om [naam 2], [naam 3] en de heer [naam 8], senior partnermanager bij PostNL, (hierna: [naam 8]) te horen, althans een zodanige voorlopige bewijsverrichting te bevelen die de rechtbank gehouden acht, steeds met veroordeling van PostNL in de kosten van deze procedure.

3.2.

Bondis heeft aan het verzoek het volgende ten grondslag gelegd. Op grond van het bepaalde in artikel 1.5 in de VSO en de toezeggingen in de e-mail van [naam 6] van 20 augustus 2020 moet PostNL Bondis voor de verzending van periodieken (waaronder die van het voormalige Sandd-contract) non-discriminatoire tarieven aanbieden, waaronder mogelijk een ingroeiregeling. PostNL heeft Bondis bij herhaling aangegeven dat iedere intermediair dezelfde tarieven en kortingen krijgt (onder andere bij monde van [naam 2] op de zitting van 17 november 2025). Bovendien moet PostNL, gezien haar positie als (feitelijk) monopolist op de ongereguleerde zakelijke postmarkt, op grond van het bepaalde in artikel 24 Mededingingswet eenieder gelijk behandelen.

Er zijn echter diverse signalen dat PostNL zich hier niet aan houdt. Zo heeft Bondis via de eigenaar van Inpakservice IJmond vernomen dat [naam 3] tegen hem zou hebben gezegd dat er nog een verkapte kortingsstroom zou zijn voor intermediairs waar niemand inzage in krijgt. Daarnaast heeft het Koninklijk Verbond Grafische Ondernemingen desgevraagd aan Bondis laten weten dat zij met regelmaat signalen krijgt over verschillende tarieven en/of kortingsafspraken aan de zijde van PostNL. Ook heeft Bondis begrepen dat andere intermediairs, namelijk [intermediair 1] en [intermediair 2], lagere tarieven zouden hebben en zijn er meerdere partijen die een ingroeiregeling aangeboden hebben gekregen na 1 januari 2024, terwijl PostNL zegt dat zij sinds die datum geen ingroeiregelingen meer aanbiedt aan eindklanten met een aflopend Sandd-contract. Ondertussen lijkt het er stellig op dat Bondis geen non-discriminatoire tarieven krijgt aangeboden. Daarom heeft zij er belang bij om getuigen te horen om vast te kunnen stellen of PostNL haar afspraken uit de VSO nakomt en of PostNL iedere intermediair dezelfde tarieven en kortingen biedt zoals zij dat op de zitting van 17 november 2025 heeft verkondigd. Gelet hierop heeft Bondis belang bij het horen van getuigen [naam 2], [naam 3] en [naam 8]. Zij kunnen als respectievelijk directeur sales en senior partnermanagers bij PostNL verklaren over de daadwerkelijk tarieven, waaronder begrepen de kortingen en regelingen, die PostNL aanbiedt aan de intermediairs en eindklanten.

3.3.

PostNL voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring, dan wel afwijzing van het verzoek en verzoekt meer subsidiair, voor het geval de rechtbank het verzoek van Bondis geheel of gedeeltelijk toewijst, hoger beroep open te stellen en de beschikking niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, met veroordeling van Bondis in de kosten van deze procedure, uitvoerbaar bij voorraad.

3.4.

Hierna wordt, voor zover van belang, nader op de standpunten van partijen ingegaan.

4 De beoordeling

Kern van het verzoek

4.1.

PostNL maakt bij het aanbieden van tarieven voor postbezorging een onderscheid tussen twee soorten klanten: 1) eindklanten: dit zijn partijen die rechtstreeks poststukken verzenden en van wie het poststuk initieel afkomstig is, en 2) intermediairs, dat zijn partijen die fungeren als tussenschakel tussen de eindklant en PostNL. Een intermediair heeft meerdere achterliggende (eind)klanten en belast de verzendkosten van PostNL in beginsel door aan die klanten (al dan niet met een opslag). In de kern gaat het er in deze procedure om dat Bondis meent dat er aanwijzingen zijn dat PostNL intermediairs zoals Bondis, ongelijk behandelt en dat zij daarover duidelijkheid wenst te verkrijgen door middel van het horen van de drie opgegeven getuigen. Bondis wenst, zo begrijpt de rechtbank, getuigen te horen over:

  • het gestelde non-discrimininatoire beleid van PostNL;
  • hoe dat beleid feitelijk wordt toegepast ten aanzien van intermediairs.

Het beoordelingskader

4.2.

Een voorlopig getuigenverhoor heeft als doel de verzoeker in staat te stellen duidelijkheid te verkrijgen over bepaalde feiten waarvan hij in een eventuele procedure de bewijslast zal hebben. Daarnaast biedt het de verzoeker de mogelijkheid zijn proceskansen beter te kunnen inschatten.

4.3.

Op grond van artikel 196 lid 1 Rv kan de rechter, als het verzoek aan de eisen die de wet daaraan stelt voldoet en voordat een zaak aanhangig is, op verzoek van een belanghebbende een of meer voorlopige bewijsverrichtingen bevelen. Op grond van artikel 196 lid 2 Rv wijst de rechter het verzoek toe, tenzij hij van oordeel is dat:

a. de informatie die verlangd wordt, niet voldoende bepaald is;

b. onvoldoende belang bij de voorlopige bewijsverrichting bestaat;

c. het verzoek om voorlopige bewijsverrichtingen in strijd is met de goede procesorde;

d. sprake is van misbruik van bevoegdheid; of

e. andere gewichtige redenen bestaan die zich verzetten tegen de voorlopige bewijsverrichting.

Deze vijf gronden voor afwijzing zijn bedoeld als een samenhangend geheel. Zij lopen min of meer in elkaar over en kunnen naast elkaar van toepassing zijn (Kamerstukken II 2019/20, 35498, p. 57 (MvT)).

Is de informatie die verlangd wordt voldoende bepaald?

4.4.

Bondis stelt dat PostNL haar naar aanleiding van het kortgedingvonnis van 12 december 2025 op 19 december 2025 elf bescheiden heeft verstrekt met het beweerdelijk door PostNL gehanteerde tariefbeleid ten aanzien van intermediairs, maar dat dit niks zegt over de feitelijke handelwijze van PostNL in de praktijk. Daarnaast stelt Bondis dat PostNL in deze procedure in haar verweerschrift, zonder enig onderliggend beleidsstuk over te leggen, een nieuwe korting voor intermediairs introduceert, waarmee toch onderscheid wordt gemaakt tussen intermediairs. Bondis doelt daarbij op de door PostNL in het verweerschrift genoemde mogelijkheid voor intermediairs om een “commissie” (een percentage van het tarief) van PostNL te ontvangen, indien zij voldoen aan bepaalde eisen, zoals het hebben van eigen machines om poststukken te verpakken en verzendklaar te maken.

4.5.

Volgens PostNL handelt zij conform de door haar al eerder aan Bondis verstrekte beleidsdocumenten en heeft zij dit beleid vanaf 2020 consistent toegelicht. Kort gezegd komt dat beleid op het volgende neer. Intermediairs met een Sandd-contract konden nooit aanspraak maken op een ingroeiregeling, en sinds 1 januari 2024 kunnen ook eindklanten (met uitzondering van uitgeverijen) dat niet meer. Conform dit beleid krijgt Bondis per 1 januari 2026 geen ingroeiregeling aangeboden voor de bezorging van de tijdschriften waarvoor haar oudere Sandd-contract op 31 december 2025 afliep. Verder is volgens PostNL van belang dat ingroeiregelingen voor eindklanten met aflopende Sandd-contracten ‘eindklantgebonden’ zijn. Sluit een eindklant met een ingroei-regeling zich aan bij een intermediair, dan wordt voor het volume van die eindklant het ingroeitarief in rekening gebracht. Deze systematiek is bevestigd in de hiervoor genoemde e-mail van [naam 6] van 20 augustus 2020, aldus PostNL. Een intermediair krijgt van PostNL dezelfde tarieven als diens achterliggende klanten zouden krijgen als zij rechtstreeks eindklant bij PostNL zouden worden. Daarboven ontvangt een intermediair een commissie. Deze commissie is volgens PostNL uitdrukkelijk geen korting op het tarief. In het verweerschrift onder 2.27 en volgende licht PostNL toe dat een commissie afhankelijk is van twee factoren en dat de hoogte ervan uitsluitend afhankelijk is van de hoogte van de jaaromzet van de intermediair aan binnenlandse partijenpost en dat zij daarin drie niveaus onderscheidt:

i) logistieke partners, ii) postpluspartners en iii) premium partners.

PostNL concludeert dat zij dus dezelfde tarieven en commissie aanbiedt aan vergelijkbare intermediairs en dat de keuze hoe dit wordt doorberekend door de intermediair aan diens klanten, bij de intermediair zelf ligt.

4.6.

PostNL stelt dat, tegen die achtergrond, de informatie die Bondis verlangt onvoldoende concreet en bepaald is. Haar non-discriminatoire beleid is bekend bij Bondis. Niet alleen heeft PostNL dit vanaf 2020 consequent toegelicht, ook is het uitgelegd in de stukken die op grond van het vonnis van 19 december 2025 aan Bondis zijn verstrekt, in de conclusie van antwoord van PostNL van 30 januari 2026 in het executiegeschil dat daarop volgde, op de zitting van 3 februari 2026 en in het verweerschrift in deze procedure. Bovendien volgt uit de stellige conclusies die Bondis zelf trekt in haar dagvaarding in de bodemprocedure dat voor haar al vaststaat dat sprake is van een discriminatoire behandeling. Daarom is het volgens PostNL volstrekt onduidelijk over welke bekende of onbekende feiten Bondis getuigen wil horen. Daarmee is het verzoek onvoldoende bepaald, aldus nog steeds PostNL.

4.7.

De rechtbank volgt PostNL hierin niet. Uit de toelichting van Bondis blijkt genoegzaam dat zij de getuigen wenst te bevragen over het feitelijk door PostNL gehanteerde tariefbeleid voor de postbezorging van tijdschriften ten aanzien van intermediairs en eindklanten. Dat is naar het oordeel van de rechtbank voldoende bepaald.

Heeft Bondis voldoende belang bij het verzoek?

4.8.

Bondis stelt dat zij te maken heeft met concurrerende intermediairs die aanzienlijk lagere tarieven aanbieden aan eindklanten. Bondis stelt dat dit zich slecht verhoudt met de mededeling van PostNL dat iedere intermediair gelijk wordt behandeld zodat zij er belang bij heeft om door middel van het horen van de getuigen duidelijkheid te verkrijgen over de door PostNL daadwerkelijk gehanteerde tarieven. Bondis heeft op de mondelinge behandeling expliciet aangegeven dat het haar daarbij niet gaat om specifieke klantinformatie, maar om de tariefstructuur die PostNL hanteert. Volgens Bondis, zo begrijpt de rechtbank, is niet uit te sluiten dat PostNL zich niet houdt aan het vastgestelde beleid en verder vraagt Bondis zich af of PostNL wel haar volledige beleid heeft kenbaar gemaakt, nu pas in het kader van deze procedure gewag werd gemaakt van zogenaamde ‘commissies’, die uiteindelijk (mede) van invloed zijn op de tarieven. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank het belang van Bondis bij het verzoek, voor zover dat ziet op het feitelijk gehanteerde beleid ten aanzien van intermediairs, gegeven.

Voor zover Bondis de getuigen wenst te horen over de tarieven die PostNL hanteert voor intermediairs, in die zin dat het Bondis daarbij gaat om de bedragen die PostNL, na verrekening van commissies en eventuele andere kortingen, feitelijk in rekening brengt, heeft Bondis daarbij dus voldoende belang. PostNL wordt dus niet gevolgd in haar verweer dat zij haar beleid en handelwijze ten aanzien van intermediairs al heeft kenbaar gemaakt en dat het al daarom bij Bondis aan belang ontbreekt.

Voor zover Bondis ook duidelijkheid wenst te verkrijgen over de tariefstructuur die PostNL hanteert ten aanzien van eindklanten, heeft zij onvoldoende belang. Uit niets blijkt dat PostNL de tarieven van de eindklanten niet op gelijke wijze doorberekent aan intermediairs die voor die eindklanten de postverzorging regelen. Gelet daarop valt niet in te zien welk belang Bondis heeft bij het verkrijgen van duidelijkheid over de wijze waarop PostNL haar tarieven voor eindklanten bepaalt.

4.9.

PostNL wordt ook niet gevolgd in haar standpunt dat Bondis geen belang heeft bij het verzoek omdat Bondis al in staat is om haar rechtspositie in te schatten, omdat zij al een bodemprocedure aanhangig heeft gemaakt. Bondis stelt naar het oordeel van de rechtbank terecht dat het feit dat er al een bodemprocedure aanhangig is niet maakt dat Bondis geen belang heeft bij haar verzoek tot het horen van getuigen. Zeker niet nu volgens PostNL de aanhangig gemaakte bodemprocedure niet ziet op de tarieven die PostNL bij Bondis in rekening brengt, maar op de volgens Bondis onrechtmatige overname van Sandd door PostNL. Na het horen van getuigen kan Bondis desgewenst een aparte bodemprocedure starten die ziet op de tarieven die PostNL Bondis aanbiedt.

4.10.

Tot slot brengt PostNL naar voren dat het verzoek van Bondis moet worden gekwalificeerd als een verkapt hoger beroep tegen de gedeeltelijke afwijzing van de vorderingen van Bondis tot het verstrekken van inzage in specifieke klantinformatie. De rechtbank is van oordeel dat dit geen grond is voor de afwijzing van het verzoek omdat Bondis getuigen wil horen over de tariefstructuur en niet over specifieke klantinformatie. De rechtbank verwijst hierbij naar hetgeen in randnummer 4.8. van deze beschikking reeds is overwogen.

4.11.

Gelet op het voornoemde concludeert de rechtbank dat Bondis voldoende belang heeft bij haar verzoek voorzover dat ziet op het verkrijgen van duidelijkheid over de gehanteerde tarieven ten aanzien van intermediairs.

Is het verzoek in strijd met de goede procesorde?

4.12.

PostNL voert verder aan dat het verzoek van Bondis in strijd is met de goede procesorde. Allereerst omdat volgens PostNL het nieuwe bewijsrecht uitsluit dat een verzoek om een voorlopige bewijsverrichting kan worden ingediend en behandeld tijdens een al aanhangige bodemprocedure. Het onderhavige verzoekschrift is ingediend op 28 november 2025 terwijl de dagvaarding in de bodemprocedure dateert van 13 januari 2026 en op de rol is ingeschreven op 21 januari van datzelfde jaar. Hiermee is voldaan aan de vereisten van het nieuwe bewijsrecht zoals opgenomen in artikel 196 lid 1 Rv. De rechtbank is van oordeel dat het verzoek dus niet op deze grond in strijd is met de goede procesorde. De uitspraak van de rechtbank Limburg[_6da04f8f-3907-43e4-941a-a8a881fdb2d1] waar PostNL naar verwijst, maakt dat niet anders. De situatie in die procedure is niet vergelijkbaar met de situatie in deze procedure. Hoewel in die procedure het verzoek tot het bevelen van een voorlopige bewijsverrichting ook was ingediend nog voordat de bodemprocedure aanhangig was gemaakt, is, anders dan in deze zaak, in die bodemprocedure verzocht de zaak te voegen bij een bodemprocedure die reeds voor de indiening van het verzoek aanhangig was gemaakt door de verweerder en grotendeels over hetzelfde onderwerp ging. Ook de omstandigheid dat de voorzieningenrechter in het vonnis van 17 februari 2026 heeft geoordeeld dat PostNL met de aan Bondis verstrekte documenten voldoende (beleids)informatie heeft verstrekt om aan het vonnis van 12 december 2025 te voldoen, leidt niet tot het oordeel dat sprake is van misbruik van procesrecht. Het verstrekken van documenten is niet gelijk te stellen aan het horen van getuigen onder ede. De rechtbank merkt het onderhavige verzoek dan ook niet aan als een verkapt hoger beroep tegen het vonnis van 12 december 2025. Ten slotte valt, zonder nadere toelichting die ontbreekt, niet in te zien waarom, zoals PostNL aanvoert, het verhoor van de drie opgegeven getuigen voor deze getuigen dusdanig belastend zou zijn dat dit misbruik van procesrecht oplevert.

Is er sprake van misbruik van bevoegdheid?

4.13.

PostNL voert aan dat Bondis met haar verzoek misbruik van bevoegdheid maakt, omdat het verzoek niet wordt gebruikt om opheldering te verkrijgen over onduidelijke feiten, maar om PostNL onder druk te zetten met een barrage aan procedures. Hiervoor is geoordeeld dat Bondis belang heeft bij de onderhavige procedure. Gelet daarop is niet gebleken dat Bondis misbruik van bevoegdheid maakt.

Zijn er andere gewichtige redenen die zich verzetten tegen het voorlopig getuigenverhoor?

4.14.

Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken dat Bondis door middel van het voorlopig getuigenverhoor inzicht probeert te verkrijgen in vertrouwelijke en concurrentiegevoelige informatie die mogelijk verstorend kan zijn voor de zakelijke markt. De rechtbank volgt PostNL dan ook niet in haar standpunt dat er andere gewichtige redenen bestaan die zich verzetten tegen de toewijzing van het verzoek. Zoals al eerder overwogen, heeft Bondis voldoende inzichtelijk gemaakt dat zij meer informatie wenst over de tariefstructuur die PostNL hanteert en de daarbij behorende kortingen en regelingen. Het verzoek ziet daarmee niet op klantspecifieke informatie. De rechtbank zal dan ook bepalen dat de het verhoor uitsluitend wordt toegestaan voor zover het ziet op de tariefstructuur die PostNL hanteert ten aanzien van (alle) intermediairs en de mogelijke behorende kortingen en regelingen, niet zijnde specifieke klantinformatie. Het beantwoorden van vragen over bedrijfsgevoelige informatie zoals over de inhoud van individuele contracten van PostNL met andere klanten valt uitdrukkelijk niet onder het toegestane verzoek.

4.15.

PostNL heeft ook nog aangevoerd dat het verzoek tot het horen van [naam 8] moet worden afgewezen omdat onvoldoende is toegelicht waarover hij moet worden gehoord, maar dat standpunt volgt de rechtbank niet. Bondis heeft naar het oordeel van de rechtbank terecht aangenomen dat [naam 8] net als de andere getuigen, vanuit zijn functie bij PostNL als senior partnermanager, kan verklaren over de tariefstructuur voor de bezorging van periodieken die PostNL hanteert ten aanzien van al haar klanten.

Slotsom

4.16.

Aangezien er geen sprake is van een afwijzingsgrond en het verzoek verder aan alle formele vereisten voldoet, zal de rechtbank een voorlopig getuigenverhoor bevelen zoals hierna vermeld.

Het voorlopig getuigenverhoor

4.17.

Aan partijen zal worden verzocht hun verhinderdata aan de rechtbank te sturen. Aan de hand van de verhinderdata zal de rechtbank een datum bepalen voor het verhoor en een rechter-commissaris aanzoeken die het verhoor zal leiden.

4.18.

De ervaring leert dat voor het horen van de eerste getuige veelal minimaal een uur moet worden uitgetrokken en voor de volgende getuigen ongeveer drie kwartier. De rechtbank verzoekt de advocaten van Bondis hier met het oproepen van de getuigen rekening mee te houden. Daarnaast verzoekt de rechtbank de advocaat van Bondis het oproepschema tijdig voor het verhoor aan PostNL en de griffier te sturen.

Hoger beroep

4.19.

PostNL heeft de rechtbank verzocht bij toewijzing van het verzoek van Bondis de mogelijkheid tot het instellen van hoger beroep op grond van artikel 200 lid 2 Rv open te stellen. Artikel 200 lid 2 Rv bepaalt dat tegen de beslissing op een verzoek als het onderhavige geen hogere voorziening openstaat, tenzij de rechter anders bepaalt. Grond voor het wettelijke uitgangspunt dat geen rechtsmiddel openstaat, is dat de doelstellingen van de fase voorafgaand aan een procedure niet samengaan met de mogelijkheid van het instellen van een rechtsmiddel tegen beslissingen op dergelijke verzoeken. De beslissing op deze verzoeken moet partijen in staat stellen voort te kunnen met bewijs- en informatiegaring. Nu, anders dan PostNL vreest, geen getuigenverhoor wordt toegestaan naar (bedrijfs)vertrouwelijke informatie van klanten van PostNL en het toelaten van hoger beroep tot onredelijke vertraging van de bodemprocedure zou kunnen leiden, ziet de rechtbank geen aanleiding om van het hiervoor genoemde uitgangspunt af te wijken. Daarom wordt dit verzoek van PostNL afgewezen.

4.20.

Aangezien de rechtbank de mogelijkheid tot hoger beroep niet toelaat, bestaat er naar het oordeel van de rechtbank ook geen grond om het verzoek van Bondis tot het uitvoerbaar bij voorraad verklaren van de beslissing af te wijzen.

Proceskostenveroordeling

4.21.

Partijen hebben over en weer een proceskostenveroordeling verzocht. In de omstandigheid dat de rechtbank een voorlopig getuigenverhoor zal bevelen met een beperktere reikwijdte dan verzocht, ziet de rechtbank aanleiding de proceskosten te compenseren. Dit betekent dat iedere partij zijn eigen proceskosten draagt.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

beveelt een voorlopig getuigenverhoor om [naam 2], [naam 3] en [naam 8] te horen over de tariefstructuur die PostNL hanteert ten aanzien van alle intermediairs voor de bezorging van periodieken, waaronder begrepen de mogelijke kortingen, commissies en regelingen, niet zijnde specifieke klantinformatie;

5.2.

bepaalt dat het verhoor van de drie getuigen zal plaatsvinden in het Paleis van Justitie te Den Haag aan de Prins Clauslaan 60 op een nader te bepalen datum en tijdstip ten overstaan van een nader te bepalen rechter-commissaris;

5.3.

bepaalt dat partijen binnen twee weken na heden hun verhinderdata over de komende vier maanden dienen door te geven aan de rechtbank;

5.4.

bepaalt dat Bondis uiterlijk twee weken na deze beschikking een afschrift van de beschikking bij aangetekende brief of bij exploot aan PostNL moet doen toekomen;

5.5.

compenseert de proceskosten in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt;

5.6.

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.7.

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. T.F. Hesselink en in het openbaar uitgesproken op 6 oktober 2026.

3384

Voetnoten

  1. Rb. Limburg 12 november 2025, ECLI:NL:RBLIM:2025:11071

Wetsartikelen in deze uitspraak

Deze uitspraak verwijst naar

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.