Uitspraak · Vreemdelingenrecht

Rechtbank Den Haag, 19 oktober 2026

ECLI:NL:RBDHA:2026:30798Zaaknummer NL25.29834, NL25.23381, NL25.23384, NL25.29841

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
19 oktober 2026
Publicatiedatum
21 oktober 2026
Zaaknummer
NL25.29834, NL25.23381, NL25.23384, NL25.29841
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig, Mondelinge uitspraak, Voorlopige voorziening+bodemzaak
Zittingsplaats
Amsterdam
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Beroepen tegen terugkeerbesluiten. Artikelen 3 en 8 EVRM. De rechtbank verklaart de beroepen gegrond en vernietigt de bestreden besluiten, maar bepaalt dat de rechtsgevolgen van de vernietigde besluiten in stand blijven. Mondelinge uitspraak

De rechtbank/voorzieningenrechter in alle zaken:

- bepaalt dat de minister de proceskosten van eisers moet vergoeden tot een bedrag van € 2.802,-.

Overwegingen

1. Eisers hebben verzocht om vrijstelling van het griffierecht. De rechtbank bepaalt dat eisers definitief worden vrijgesteld van de verplichting om het griffierecht te betalen.

2. Vast staat dat eisers zijn teruggekeerd naar de Verenigde Staten op 7 oktober 2026. De vraag is opgeworpen of eisers dan nog procesbelang hebben. De rechtbank overweegt dat terughoudend moet worden omgegaan met het niet aannemen van procesbelang. De rechtbank ziet in de uitspraak van de Afdeling[_6304581e-b33e-4400-adec-2d8c829e975b] van 21 maart 2024[_5a49b986-6ac5-4b93-9a42-4f10811110b3] aanleiding om aan te nemen dat er wel sprake is van procesbelang, al is het maar vanwege de SIS-signalering.

3. De beroepsgrond dat de bestreden besluiten in strijd zijn met artikel 3 van het EVRM[_f8c63fc9-b05c-465f-9975-314b0eb81b15] vanwege de medische situatie van eisers slaagt niet. Eisers hebben allebei voorafgaand aan de bestreden besluiten al melding gemaakt van medische omstandigheden. Zij hebben echter niets overgelegd waaruit blijkt wat die medische omstandigheden zijn, welke behandeling zij nodig hebben en of die in de Verenigde Staten beschikbaar is. Dus deze beroepsgrond slaagt niet.

4. Verder hebben eisers aangevoerd dat de bestreden besluiten in strijd zijn met artikel 8 van het EVRM. De rechtbank is van oordeel dat er geen sprake is van schending van het gezinsleven, omdat eisers samen zijn gebleven. Wat betreft het privéleven, daarover is niets gezegd in de besluiten, terwijl uit het dossier blijkt dat wel bekend was dat eisers al langer in Nederland woonden. Daar had de minister eisers dan ook naar moeten vragen en daarover had hij in de bestreden besluiten een gemotiveerd standpunt moeten innemen. De rechtbank vindt dat dus wel een motiveringsgebrek in de besluiten, maar de rechtbank is van oordeel dat de minister dit gebrek heeft hersteld in beroep door alsnog een motivering te geven. De minister heeft gesteld dat er wel sprake kan zijn van opgebouwd privéleven, maar dat eisers dat al die tijd hebben opgebouwd terwijl ze geen rechtmatig verblijf hadden en dat ook wisten. De belangenafweging valt daarom volgens de minister in het nadeel van eisers uit. Daarmee heeft de minister voldoende gemotiveerd dat de bestreden besluiten niet in strijd zijn met artikel 8 van het EVRM.

5. De rechtbank verklaart de beroepen gegrond en vernietigt de bestreden besluiten, maar laat de rechtsgevolgen van de bestreden besluiten in stand. Omdat op de beroepen is beslist, wijst de voorzieningenrechter de verzoeken om een voorlopige voorziening af. Eisers krijgen wel hun proceskosten vergoed.[_ff109eaa-cd90-4967-af4c-fb4202f76a1f] Het griffierecht krijgen zij niet vergoed, want daarvan zijn eisers vrijgesteld.

Deze uitspraak is gedaan en uitgesproken in het openbaar op 15 oktober 2026 door mr. H.J. Schaberg, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. C.S. Carella, griffier.

Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal. Tegen de uitspraak op de verzoeken om een voorlopige voorziening is geen hoger beroep of verzet mogelijk.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. Procesverloop
  2. Beslissing
  3. Overwegingen
  4. Rechtsmiddel

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

Zaaknummers: NL25.23381 (beroep [eiser])

NL25.23384 (voorlopige voorziening [eiser])

NL25.29834 (beroep [eiseres])

NL25.29841 (voorlopige voorziening [eiseres])

V-nummers: [V nummer 1] ( [eiser])

[V nummer 2] ( [eiseres])

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen

[eiser],

geboren op [geboortedatum 1] 1970, eiser/verzoeker (hierna: eiser),

[eiseres],

geboren op [geboortedatum 2] 1977, eiseres/verzoekster (hierna: eiseres),

beiden van Amerikaanse nationaliteit, (samen te noemen: eisers)

(gemachtigde: mr. T. Mustafazade),

en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. C.A. van Es).

Procesverloop

Op 21 mei 2025 heeft de minister tegen eiser een terugkeerbesluit uitgevaardigd. Op 3 juli 2025 heeft de minister tegen eiseres een terugkeerbesluit uitgevaardigd. Ook heeft de minister bepaald dat eisers worden gesignaleerd in het Schengeninformatiesysteem (hierna: SIS).

Eisers hebben tegen de terugkeerbesluiten (hierna: de bestreden besluiten) beroep ingesteld en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen, ertoe strekkende dat de rechtsgevolgen van de bestreden besluiten worden opgeschort tot vier weken na de beslissing in beroep.

De minister heeft gereageerd met een verweerschrift.

De rechtbank heeft de beroepen en de verzoeken om een voorlopige voorziening op 15 oktober 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigden van partijen deelgenomen. Eisers zijn niet verschenen.

Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk mondeling uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank, in de zaken geregistreerd onder nummers NL25.23381 en NL25.29834:

  • verklaart de beroepen gegrond;
  • vernietigt de bestreden besluiten, en
  • bepaalt dat de rechtsgevolgen van de vernietigde bestreden besluiten in stand blijven.

De voorzieningenrechter, in de zaken geregistreerd onder nummers NL25.23384 en NL25.29841:

- wijst de verzoeken om een voorlopige voorziening af.

De rechtbank/voorzieningenrechter in alle zaken:

- bepaalt dat de minister de proceskosten van eisers moet vergoeden tot een bedrag van € 2.802,-.

Overwegingen

1. Eisers hebben verzocht om vrijstelling van het griffierecht. De rechtbank bepaalt dat eisers definitief worden vrijgesteld van de verplichting om het griffierecht te betalen.

2. Vast staat dat eisers zijn teruggekeerd naar de Verenigde Staten op 7 oktober 2026. De vraag is opgeworpen of eisers dan nog procesbelang hebben. De rechtbank overweegt dat terughoudend moet worden omgegaan met het niet aannemen van procesbelang. De rechtbank ziet in de uitspraak van de Afdeling[_6304581e-b33e-4400-adec-2d8c829e975b] van 21 maart 2024[_5a49b986-6ac5-4b93-9a42-4f10811110b3] aanleiding om aan te nemen dat er wel sprake is van procesbelang, al is het maar vanwege de SIS-signalering.

3. De beroepsgrond dat de bestreden besluiten in strijd zijn met artikel 3 van het EVRM[_f8c63fc9-b05c-465f-9975-314b0eb81b15] vanwege de medische situatie van eisers slaagt niet. Eisers hebben allebei voorafgaand aan de bestreden besluiten al melding gemaakt van medische omstandigheden. Zij hebben echter niets overgelegd waaruit blijkt wat die medische omstandigheden zijn, welke behandeling zij nodig hebben en of die in de Verenigde Staten beschikbaar is. Dus deze beroepsgrond slaagt niet.

4. Verder hebben eisers aangevoerd dat de bestreden besluiten in strijd zijn met artikel 8 van het EVRM. De rechtbank is van oordeel dat er geen sprake is van schending van het gezinsleven, omdat eisers samen zijn gebleven. Wat betreft het privéleven, daarover is niets gezegd in de besluiten, terwijl uit het dossier blijkt dat wel bekend was dat eisers al langer in Nederland woonden. Daar had de minister eisers dan ook naar moeten vragen en daarover had hij in de bestreden besluiten een gemotiveerd standpunt moeten innemen. De rechtbank vindt dat dus wel een motiveringsgebrek in de besluiten, maar de rechtbank is van oordeel dat de minister dit gebrek heeft hersteld in beroep door alsnog een motivering te geven. De minister heeft gesteld dat er wel sprake kan zijn van opgebouwd privéleven, maar dat eisers dat al die tijd hebben opgebouwd terwijl ze geen rechtmatig verblijf hadden en dat ook wisten. De belangenafweging valt daarom volgens de minister in het nadeel van eisers uit. Daarmee heeft de minister voldoende gemotiveerd dat de bestreden besluiten niet in strijd zijn met artikel 8 van het EVRM.

5. De rechtbank verklaart de beroepen gegrond en vernietigt de bestreden besluiten, maar laat de rechtsgevolgen van de bestreden besluiten in stand. Omdat op de beroepen is beslist, wijst de voorzieningenrechter de verzoeken om een voorlopige voorziening af. Eisers krijgen wel hun proceskosten vergoed.[_ff109eaa-cd90-4967-af4c-fb4202f76a1f] Het griffierecht krijgen zij niet vergoed, want daarvan zijn eisers vrijgesteld.

Deze uitspraak is gedaan en uitgesproken in het openbaar op 15 oktober 2026 door mr. H.J. Schaberg, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. C.S. Carella, griffier.

Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal. Tegen de uitspraak op de verzoeken om een voorlopige voorziening is geen hoger beroep of verzet mogelijk.

Voetnoten

  1. Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
  2. ECLI:NL:RVS:2024:1178, overweging 4.
  3. Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
  4. Deze vergoeding bedraagt op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in samenhangende zaken € 2.802,- (1 punt voor het indienen van de beroepschriften, 1 punt voor het indienen van de verzoeken om een voorlopige voorziening en 1 punt voor het deelnemen aan de zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1, waarbij de zaken van eisers samenhangend zijn).

Wetsartikelen in deze uitspraak

Deze uitspraak verwijst naar

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.