Uitspraak · Verbintenissenrecht

Rechtbank Den Haag, 7 oktober 2026

ECLI:NL:RBDHA:2026:30747Zaaknummer C/09/711938 / KG ZA 26/952

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
7 oktober 2026
Publicatiedatum
22 oktober 2026
Zaaknummer
C/09/711938 / KG ZA 26/952
Rechtsgebied
Civiel recht, Verbintenissenrecht
Procedure
Kort geding
Zittingsplaats
Den Haag
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Procedure over plaatsing op de GVM-lijst. Vorderingen van gedetineerde om hem te verwijderen van de GVM-lijst, althans om criterium C en/of G niet langer aan te nemen, worden afgewezen. Criterium C: (risico op) Liquidatie, geweld of bedreiging in detentie van of door de gedetineerde); Criterium G: De gedetineerde wordt verdacht of is veroordeeld voor een strafbaar feit dat heeft geleid tot grote maatschappelijke verontwaardiging en onrust en een geschokte rechtsorde.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

wijst de vorderingen af;

5.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten van de Staat van € 2.101, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet hij € 98 extra betalen, plus de kosten van betekening;

5.3.

veroordeelt [eiser] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;

5.4.

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.R. Glass en in het openbaar uitgesproken op 7 oktober 2026.

ddg

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 De procedure
  2. 2 De feiten
  3. 3 Het geschil
  4. 4 De beoordeling van het geschil
  5. 5 De beslissing

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/711938 / KG ZA 26/952

Vonnis in kort geding van 7 oktober 2026

in de zaak van

[eiser] verblijvende in de penitentiaire inrichting (PI) [plaats],

eiser, hierna te noemen: [eiser],

advocaat: mr. T.S. van der Horst,

tegen:

DE STAAT DER NEDERLANDEN (ministerie van Justitie en Veiligheid) te Den Haag,

gedaagde, hierna te noemen: de Staat,

advocaat: mr. T.J Crom.

1 De procedure

1.1.

Het dossier bestaat uit de volgende stukken:

- de dagvaarding van 9 september 2026 met producties 1 tot en met 6;

- de conclusie van antwoord van de Staat met daarbij één productie;

- de namens beide partijen overgelegde pleitnotities.

1.2.

Op 23 september 2026 heeft de mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden.

2 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1.

[eiser] is door het gerechtshof Amsterdam bij arrest van 11 december 2025 (hierna: het arrest) veroordeeld tot een gevangenisstraf van 27 jaar en 6 maanden voor het medeplegen van de moord op [slachtoffer] en het medeplegen van het voorhanden hebben van vuurwapens. [eiser] is de schutter die [slachtoffer] heeft geliquideerd. Het gerechtshof heeft vastgesteld dat de moord op [slachtoffer] is gepleegd vanwege zijn rol als adviseur en vertrouwenspersoon van de kroongetuige in het Marengo-proces:

“Het hof stelt op basis van de dossierstukken vast dat [slachtoffer] vanwege deze rol als adviseur en vertrouwenspersoon van de kroongetuige is vermoord. Dat is wat de getuige 5089 letterlijk van [medeverdachte 1] te horen heeft gekregen. Van enige aanwijzing dat [slachtoffer] om een andere reden is vermoord, is niet gebleken. Het betreft dus een moord vanwege de rol die [slachtoffer] op zich had genomen. Een rol die in het criminele milieu waarin de kroongetuige zich ooit begaf, en waartegen hij getuigde, kennelijk niet wordt getolereerd. [slachtoffer] was niet het enige slachtoffer van de wraakzucht van één of meer criminelen. Eerder werden al de broer van de kroongetuige en de advocaat van de kroongetuige vermoord. In de strafzaken die daar het gevolg van waren oordeelde het gerechtshof dat het motief voor de moorden niet kon worden vastgesteld. In deze zaak ligt dat anders. De getuige 5089 heeft verklaard dat hij van [medeverdachte 1] heeft gehoord dat zijn opdrachtgever eerder de broer en advocaat van de kroongetuige heeft – naar het hof begrijpt – laten doodschieten.

Elke moord is ernstig. Elke moord levert een onvoorstelbaar verdriet op voor de nabestaanden. Maar iedere moord kent andere omstandigheden en juist die omstandigheden maken dat deze zaak zo bijzonder ernstig is. Het gaat dan niet om het feit dat het slachtoffer een bekende Nederlander was of dat er veel media aandacht was en nog steeds is, maar het gaat om wat zware criminelen kennelijk als signaal hebben willen afgeven. Dat het afleggen van een verklaring als (kroon)getuige niet wordt getolereerd en dat iedereen die een (kroon)getuige bijstand verleent het risico loopt om vermoord te worden. Dat maakt dat deze moord niet zomaar kan worden vergeleken met andere moorden. Hier dringt het onderwereldgeweld zich in zijn rauwste vorm op in de samenleving. Juist dit aspect vormt voor het hof de belangrijkste reden om af te wijken van, als daar al van kan worden gesproken, het uitgangspunt van (ongeveer) 20 jaar gevangenisstraf voor een enkelvoudige moord.”

Tijdens het strafproces heeft [eiser] een zwijgende proceshouding aangenomen. Tijdens zijn laatste woord ter terechtzitting heeft [eiser] wel verklaard dat “hij niet kan vertellen wat er is gebeurd en dat hij begrijpt dat het een probleem kan zijn als hij verder niets uitlegt, maar dat hij zijn familie niet verder in gevaar kan brengen.”

2.2.

Het arrest is op 25 december 2025 onherroepelijk geworden.

2.3.

[eiser] verblijft sinds 7 juli 2021 in detentie. Op 21 juli 2021 is hij op de GVM-lijst[_63b0875f-323c-4ecf-b343-dac02952e2ba] geplaatst op basis van de toen geldende risicocategorieën liquidatiegevaar, lidmaatschap van criminele organisatie en mediagevoeligheid[_c203df42-6d99-4918-beb7-fafc1cf4a88a]. Aan [eiser] is het risicoprofiel ‘hoog’ toegekend (er golden drie oplopende risicoprofielen: ‘verhoogd’, ‘hoog’ en ‘extreem’). De GVM-status van [eiser] is (telkens) verlengd tot 9 juli 2025, toen is zijn risicoprofiel verlaagd naar ‘verhoogd’. Aan deze statusverlaging lag ten grondslag dat er al lange tijd geen nieuwe GRIP[_aee40edf-2e05-4f88-9cca-3f174c52a7b8]-informatie binnen was gekomen en dat ook uit de monitoring verder niets nieuws naar voren was gekomen waaruit zou blijken dat een GVM-hoog status noodzakelijk was. Kort daarvoor was [eiser] al uitgestroomd van de Afdeling voor Intensief Toezicht naar een reguliere gevangenisafdeling. Ook zijn toen toezichtmaatregelen afgeschaald.

2.4.

Op 23 september 2025 is de nieuwste Circulaire Gedetineerden met een vlucht- en/of maatschappelijk risico uitgebracht (hierna: Circulaire 2025) die vanaf 1 november 2025 geldig is. In de Circulaire 2025 wordt onderscheid gemaakt tussen risicogedetineerden (RG) en hoogrisicogedetineerden (HRG). In aanvulling op de gronden A tot en met F die van toepassing waren op de Circulaire uit 2021 is toen ook de G-grond toegevoegd: “De zaak heeft landelijk of lokaal geleid tot grote maatschappelijke verontwaardiging en onrust en een geschokte rechtsorde.” In de voetnoot bij deze grond staat opgenomen:

“Denk bijvoorbeeld aan ernstige gewelds- of zedendelicten met meerdere slachtoffers of in georganiseerd verband, nationale rampen, criminele afrekeningen, gruwelijk/extreem geweld, zeer jonge of zeer oude slachtoffers. Bij dit soort gedetineerden wordt preventieve monitoring noodzakelijk geacht, totdat in kaart is gebracht welk risico de gedetineerde vormt of blijft vormen binnen de PI en/of voor de samenleving.”

2.5.

[eiser] is op 14 januari 2026 besproken in het Overleg Risico-gedetineerden (hierna: ORG). Uit de schriftelijke verslaglegging van dat overleg blijkt dat het ORG de selectiefunctionaris heeft geadviseerd [eiser] als risicogedetineerde aan te merken op grond van categorie C: (risico op) Liquidatie, geweld of bedreiging in detentie van of door de gedetineerde. De toelichting op dit advies luidt:

“Geen aanvullende informatie vanuit PI en GRIP. GRIP-rapportages zijn nog up-to-date. Hoger beroep is afgedaan. Er is geen nieuwe/aanvullende informatie bekend over een gewijzigde situatie. Waardoor ervan wordt uitgegaan dat de dreiging er nog is.”

Het advies is door de selectiefunctionaris overgenomen.

2.6.

Op 8 juli 2026 is [eiser] wederom besproken in het ORG. De selectiefunctionaris is toen geadviseerd ter onderbouwing van zijn status als risicogedetineerde naast de C-grond ook de G-grond aan te nemen: De zaak heeft landelijk of lokaal geleid tot grote maatschappelijke verontwaardiging en onrust en een geschokte rechtsorde. De toelichting van het ORG luidt:

(Op de C-grond)

“Betrokkene is recent veroordeeld tot een lange gevangenisstraf vanwege de moord op [slachtoffer]. Daarnaast is hij (zijdelings) betrokken bij een aantal andere, nog lopende processen. Om die reden wordt liquidatiedreiging ten opzichte van betrokkene nog actueel geacht en is hij door het ORG aangemerkt als RG.

Ondanks dat de informatie met betrekking tot de liquidatie niet nieuw is, is deze nog altijd relevant. Ook in het geval dat recente meldingen of incidenten ontbreken, mag niet aangenomen worden dat de dreiging is geweken.”

(Op de G-grond)

“De strafzaak van betrokkene loopt momenteel in cassatie. Wegens de aard en omvang van de strafzaak, wordt het als passend gezien om deze categorie toe te kennen. Het ORG erkent dat deze categorie bij de bespreking van januari al toegekend had moeten worden. De nieuwe regelgeving is toen niet op de juiste wijze toegepast. Dit maakt echter niet dat deze indicatie niet alsnog kan worden toegepast.

Ook heeft het ORG de directeur geadviseerd om de toezichtmaatregelen te treffen conform de GVM-circulaire:

“Daarnaast adviseert het ORG de directeur om goed te kijken naar de monitoring op de telefoongesprekken van betrokkene. Uit de evaluatie valt niet goed op te maken hoe de monitoring nu in zijn werk gaat. Het valt het ORG op dat er veel nummers worden gebeld die ook door andere gedetineerden worden gebruikt (zie LBIV-rapport).

Het ORG adviseert daarnaast aan de directeur om de standaardmonitoring toe te passen op de gesprekken van betrokkene.”

Het advies is door de selectiefunctionaris overgenomen.

2.7.

De directeur van de PI [plaats] heeft [eiser] op 21 juli 2026 schriftelijk de maatregelen meegedeeld die hem zijn opgelegd. Uit deze brief blijkt dat de maatregelen met betrekking tot telefonie, bezoek, toezicht, vervoer en arbeid zijn gebaseerd op het liquidatierisico (C-grond) van [eiser]. Verder staat daarin vermeld dat het [eiser] vanwege zijn RG-status en landelijke regelgeving niet is toegestaan deel te nemen aan Beeldbellen Justitiabelen (BBJ). Ook staat vermeld dat [eiser] niet bij andere gedetineerden op cel mag komen en dat deze ook niet op zijn cel mogen komen.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert bij vonnis:

primair: de Staat te bevelen om hem binnen 48 uur na het te wijzen vonnis van de lijst van (hoog)risico-gedetineerden te (doen) verwijderen, met veroordeling van de Staat in de kosten van de procedure;

subsidiair: de Staat te bevelen om binnen 48 uur na het te wijzen vonnis risicocategorie C en/of G niet langer aan te nemen, met veroordeling van de Staat in de kosten van de procedure.

3.2.

Daartoe voert [eiser] – samengevat – het volgende aan.

De Staat handelt onrechtmatig door [eiser] zonder gebleken noodzaak op de lijst van (hoog)risicogedetineerden te plaatsen en te handhaven. Ten onrechte neemt de Staat aan dat rekening gehouden moet worden met een risico op liquidatie, geweld of bedreiging in detentie. Ook voor het aannemen van de G-grond bestaat geen aanleiding meer. Gebleken is dat deze categorie eerder, begin 2026, ook niet is aangenomen. Van een situatie waarin nog niet in kaart is gebracht welk risico [eiser] vormt of blijft vormen binnen de PI en/of voor de samenleving is geen sprake. Vanaf 2021 worden zijn gedrag en contacten volledig gemonitord door middel van de toezichtmaatregelen en beperkingen die zijn opgelegd vanwege de beslissing om hem op de lijst van (hoog)risico-gedetineerden te plaatsen en te houden. Vanwege zijn plaatsing op de lijst van (hoog)risico-gedetineerden wordt [eiser] verregaand in zijn vrijheid beperkt en onderworpen aan inbreuken op zijn privacy. Ook heeft het gevolgen voor zijn mogelijkheden om contact te kunnen onderhouden met personen buiten de inrichting, met name zijn partner en kind. Hij komt niet in aanmerking voor Beeld Bellen Justitiabelen, bezoek zonder toezicht (waarmee hij zijn gezin zou willen uitbreiden) en deelname aan de ouder-kind dagen. [eiser] meent dat deze maatregelen inbreuk maken op artikel 10 van de Grondwet en artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.

3.3.

De Staat voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4 De beoordeling van het geschil

4.1.

[eiser] heeft aan zijn vorderingen ten grondslag gelegd dat de Staat onrechtmatig ten opzichte van hem handelt door zijn plaatsing op de GVM-lijst te handhaven zonder dat daarvoor voldoende indicaties aanwezig zijn. Daarom is de burgerlijke rechter, in dit geval de voorzieningenrechter in kort geding, bevoegd om kennis te nemen van de vordering. Voor het opkomen tegen de handhaving op de GVM-lijst staat voor [eiser] geen andere rechtsgang open en daarom is hij in zijn vordering ontvankelijk. De Staat heeft dat ook niet bestreden.

4.2.

Plaatsing van gedetineerden op de GVM-lijst is inmiddels geregeld in de Circulaire 2025, die geldig is vanaf 1 november 2025. De selectiefunctionaris beslist of de status van RG wordt toegekend na een advies van het ORG. Het ORG betrekt bij zijn advies in ieder geval de levensloop van de gedetineerde en aspecten als het strafrestant, het criminele verleden, signalen dat de gedetineerde van zins is zijn criminele activiteiten voort te zetten in detentie, incidenten die zijn voorgevallen tijdens (eerdere) detentie, het netwerk, de rol en status van de gedetineerde binnen een criminele organisatie en diens beschikbare financiële middelen. Op basis van aangeleverde informatie van de betrokken inrichting, het GRIP, het Openbaar Ministerie (OM) en/of het Landelijk Bureau Inlichtingen & Veiligheid van de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) maakt het ORG een inschatting van de ernst van de risico's. De selectiefunctionaris maakt vervolgens een individuele belangenafweging en beslist welk risicoprofiel wordt toegekend aan de gedetineerde. Gedetineerden die als RG zijn aangemerkt worden standaard na drie, zes of twaalf maanden opnieuw besproken en beoordeeld. Bij de beoordeling van de plaatsing van een gedetineerde op de GVM-lijst komt de selectiefunctionaris een ruime mate van beoordelingsvrijheid toe. De voorzieningenrechter moet het besluit van de selectiefunctionaris dan ook terughoudend toetsen. Voor ingrijpen door de voorzieningenrechter is slechts plaats als de selectiefunctionaris in redelijkheid niet tot het besluit heeft kunnen komen om de gedetineerde, in dit geval [eiser], als RG aan te merken.

Beoordeling van de status Risicogedetineerde en de gehanteerde gronden (C-grond en G-grond)

4.3.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat niet kan worden gezegd dat de selectiefunctionaris [eiser] in redelijkheid niet als risicogedetineerde heeft kunnen aanmerken, op zowel de C-grond als de G-grond. Dit oordeel wordt als volgt toegelicht.

4.4.

Ten aanzien van de C-grond heeft [eiser] erop gewezen dat in de verslagleggingen van het ORG van 14 januari 2026 en 8 juli 2026 enkel en alleen wordt beschreven dat er geen aanvullende informatie is vanuit de PI en het GRIP en dat er vanuit wordt gegaan dat de dreiging er nog is. [eiser] meent dat van een actueel liquidatiegevaar juist geen sprake is en dat zelfs de vraag opkomt of er vanaf juli 2021 voldoende reden was om liquidatiegevaar als grond aan te nemen. [eiser] stelt dat vanaf 2021 tot en met heden op geen enkel moment is gebleken van actuele en concrete informatie over een dreiging richting hem. Het is dan ook volgens hem onbegrijpelijk dat deze grond door de selectiefunctionaris is aangenomen.

4.5.

Met de Staat is de voorzieningenrechter van oordeel dat er wel een concreet gegeven is dat erop duidt dat [eiser] (potentieel) gevaar loopt vanwege zijn rol bij de liquidatie van [slachtoffer]. In dat verband heeft de Staat er terecht op gewezen dat [eiser] het feit dat hij zich in zijn strafproces op zijn zwijgrecht beriep, heeft toegelicht met de mededeling dat hij als hij niet zou zwijgen, hij zijn familie in gevaar zou brengen. Deze mededeling van [eiser] is in 2025 gedaan en kan redelijkerwijs niet anders worden uitgelegd dan dat [eiser] zich ervan bewust is dat hij een risico vormt voor (de kring rond) zijn opdrachtgever, nota bene de opdrachtgever die zijn opdrachten kennelijk heeft gegeven om (de kring rond) getuigen die wel willen praten definitief het zwijgen op te leggen. De uitleg die [eiser] tijdens de mondelinge behandeling heeft gegeven van zijn verklaring bij de strafrechter – in de kern erop neerkomende dat hij echode wat hem in detentie was voorgehouden over het gevaar dat hij zou lopen, maar zelf niet herkent - overtuigt niet.

[eiser] `s verklaring bij de strafrechter en genoemde omstandigheid over het motief van de opdrachtgever rechtvaardigen dat de selectiefunctionaris de C-grond heeft aangenomen en rechtvaardigen thans ook nog de handhaving daarvan, ondanks dat er kennelijk geen recente, concrete bevestigingen van die grond voorhanden zijn.

4.6.

Voor wat betreft de toetsing van de G-grond geldt het volgende. Allereerst tekent de voorzieningenrechter aan dat namens [eiser] terecht is aangevoerd dat in zijn zaak geen cassatieberoep is ingesteld. Bij de onderbouwing in het ORG-advies staat dan ook ten onrechte vermeld dat de strafzaak van [eiser] in cassatie loopt.

4.7.

Dat de straf van [eiser] onherroepelijk is, betekent niet dat de G-grond niet langer kan dienen als onderbouwing van het advies. Risico-categorie G luidt dat “De gedetineerde wordt verdacht van of is veroordeeld voor een strafbaar feit dat heeft geleid tot grote maatschappelijke verontwaardiging en onrust en een geschokte rechtsorde” (onderstreping voorzieningenrechter). Van grote maatschappelijke verontwaardiging en onrust en een geschokte rechtsorde als gevolg van de door [eiser] (mede-)gepleegde moord op [slachtoffer] is zonder meer sprake.

4.8.

Namens [eiser] is erop gewezen dat in de Circulaire een voetnoot is geplaatst bij deze grondslag waarin staat dat van de genoemde categorie gedetineerden preventieve monitoring noodzakelijk wordt geacht totdat in kaart is gebracht welk risico de gedetineerde vormt of blijft vormen binnen de PI en/of voor de samenleving. [eiser] meent dat de Staat niet kan volhouden dat op dit moment niet (voldoende) in kaart is gebracht welk risico hij vormt of blijft vormen binnen de PI en/of de samenleving. De voorzieningenrechter oordeelt dat dit redelijkerwijs anders kan worden gezien door de selectiefunctionaris. Allereerst geldt dat de toelichting op de G-grond niet afdoet aan de daadwerkelijke formulering van de G-grond. De toelichting geldt als een voorbeeld van de invulling van de G-grond; van een uitputtende invulling is kennelijk geen sprake. Verder geldt dat de Staat terecht heeft aangevoerd dat in het geval van [eiser] van belang is dat het Marengo-proces nog loopt. Ook is namens de Staat ter zitting te kennen gegeven dat in maart van dit jaar naar buiten is gekomen dat er in Marokko een persoon is aangehouden die ervan verdacht wordt dat hij de liquidatie van [slachtoffer] heeft aangestuurd. In redelijkheid kan dan ook gemeend worden dat de risico’s rondom zijn persoon nog niet volledig in kaart zijn gebracht, omdat zich in verband met de (mogelijke) strafzaken tegen anderen zich nog nieuwe ontwikkelingen kunnen voordoen. In combinatie met de C-grond, geldt dat het geheel van deze omstandigheden maakt dat de selectiefunctionaris ten aanzien van [eiser] heeft kunnen beslissen om ook de G-grond aan te nemen ter onderbouwing van zijn status als risicogedetineerde.

4.9.

De slotsom luidt dat de vorderingen van [eiser], zowel de primaire als de subsidiaire, zullen worden afgewezen. Daaruit volgt dat de directeur van de PI bevoegd blijft tot het opleggen van toezichtmaatregelen. Van een schending van de grondrechten van [eiser] omdat daarvoor geen rechtvaardiging zou bestaan, is gelet op het voorgaande dan ook geen sprake. De voorzieningenrechter wil daarbij op geen enkele wijze afdoen aan de indringendheid van de beperkingen die [eiser] ondervindt en dan met name in het contact met partner en kind. Deze worden echter momenteel gerechtvaardigd door zijn status van Risicogedetineerde. Van een ongerechtvaardigde inbreuk op zijn uit artikel 8 EVRM voortvloeiende rechten is dan ook geen sprake.

De voorzieningenrechter tekent daarbij nog aan, zoals de Staat terecht heeft aangevoerd, dat handhaving van zijn status als risicogedetineerde op basis van de C-grond en de G-grond er niet aan af doet dat er eerder toezichtmaatregelen zijn afgeschaald als gevolg van een relatief rustig detentieverloop, zo is [eiser] destijds uitgestroomd van de Afdeling voor Intensief Toezicht naar een reguliere gevangenisafdeling (met een vrijer detentieregime).

4.10.

[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de Staat worden begroot op:

- griffierecht € 735

- salaris advocaat € 1.177

- nakosten € 189 (plus de verhoging zoals vermeld in de

beslissing)

Totaal € 2.101

4.11.

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

wijst de vorderingen af;

5.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten van de Staat van € 2.101, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet hij € 98 extra betalen, plus de kosten van betekening;

5.3.

veroordeelt [eiser] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;

5.4.

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.R. Glass en in het openbaar uitgesproken op 7 oktober 2026.

ddg

Voetnoten

  1. Lijst van Gedetineerden met een vlucht- en/of maatschappelijk risico.
  2. Namens [eiser] is bij dagvaarding gesteld dat hem op 21 juli 2021 het risicoprofiel hoog is opgelegd op basis van de (inmiddels vervallen) Circulaire Gedetineerden met een vlucht- en/of maatschappelijk risico van 8 juli 2021. In die versie staat vermeld dat deze geldig is van 1 augustus 2021 tot en met 1 augustus 2025. De voorzieningenrechter gaat er dan ook vanuit dat de risicobeoordeling van 21 juli 2021 nog is gebaseerd op de Circulaire van 16 juli 2018.
  3. GRIP: Gedetineerden Recherche Informatie Punt.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.