Uitspraak · Materieel strafrecht
Rechtbank Den Haag, 16 oktober 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:30745Zaaknummer 09/274345-25
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum uitspraak
- 16 oktober 2026
- Publicatiedatum
- 23 oktober 2026
- Zaaknummer
- 09/274345-25
- Rechtsgebied
- Strafrecht, Materieel strafrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudig, Op tegenspraak
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Veroordeling voor opzetaanranding. Oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden. Proeftijd twee jaren. Strak zorgkader.
De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
opzetaanranding;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van 2 (TWEE) WEKEN;
bepaalt dat die straf niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.
Dit vonnis is gewezen door
mr. C.A.W. Zijlstra, voorzitter,
mr. K.C.J. Vriend, rechter,
mr. F. Bouman, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. L.E. Kramer, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 16 oktober 2026.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
Rechtbank DEN HAAG
Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/274345-25
Datum uitspraak: 16 oktober 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[de verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1960 te [geboorteplaats],
verblijfadres: [adres].
1 Het onderzoek ter terechtzitting
Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 2 oktober 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie
mr. A. Briejer en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsvrouw mr. L.A. Middelkoop naar voren is gebracht.
2 De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 2 mei 2025 te 's-Gravenhage met een persoon, te weten
[slachtoffer] een of meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten
- het stevig van achteren vastpakken van de heupen, althans het lichaam, van die
[slachtoffer] en/of
- het (heen en weer) duwen van zijn, verdachtes, lichaam tegen het lichaam van die
[slachtoffer] en/of
- het (heen en weer) duwen met zijn, verdachtes, (stijve) geslachtsdeel tegen de
billen van die [slachtoffer] en/of
- het (daarbij) maken van rijdende en/of stotende bewegingen met zijn, verdachtes,
onderlichaam,
terwijl hij, verdachte, wist, althans ernstige reden had om te vermoeden dat bij die
[slachtoffer] daartoe de wil ontbrak.
3 De bewijsbeslissing
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde, met uitzondering van de tussen haakjes opgenomen woorden ‘heen en weer’ en ‘stijve’.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft vrijspraak van het tenlastegelegde bepleit.
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft hierna opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500- 2025144253, van de politie eenheid Den Haag, (doorgenummerd pagina 1 t/m 45).
1. Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer], opgemaakt op 8 mei 2025, voor zover inhoudende (p. 8-9):
Ik ben werkzaam als flexbegeleider bij een forensische psychiatrisch afdeling/kliniek, genaamd Fivoor.Deze kliniek is gevestigd aan de [adres].
Op 2 mei 2025
Terwijl ik stond te praten met de patiënten werd ik ineens bij mijn heupen en de zijkant van mijn billen beetgepakt.
Op het moment dat ik stevig werd beetgepakt voelde ik het lichaam van deze persoon stevig tegen mij aan.
Ik zag dat het [de verdachte] was.
[de verdachte] is een man die sloffend rondloopt. Je hoort hem echt wel aankomen. Nu had ik niets gehoord.
2. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 2 juni 2025, voor zover inhoudende (p. 14-6):
Ik, verbalisant, kreeg de vraag of ik de beelden wilde uitkijken van een aanranding die had plaatsgevonden op 2 mei 2025 op de [adres].
2025-05-02 CEST 15:49:17
Ik zag dat het slachtoffer naast de twee andere personen, tegen de keuken, aan ging staan. Ik zag dat de verdachte in de richting liep van het slachtoffer. Ik zag dat het slachtoffer met haar rug naar de verdachte stond.
2025-05-02 CEST 15:49:22
Ik zag dat de verdachte heel langzaam in de richting van het slachtoffer liep.
2025-05-02 CEST 15:49:28
Ik zag dat de verdachte heel dicht tegen het slachtoffer aan kwam staan. Ik zag dat
de verdachte zijn beide armen langs zijn lichaam had.
2025-05-02 CEST 15:49:32
Ik zag dat de verdachte zijn beide armen uitstak. Ik zag dat de verdachte zijn
linkerhand op de linkerheup van het slachtoffer legde. Ik zag dat de verdachte zijn
rechterhand op de rechterheup van het slachtoffer legde.
2. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting op 2 oktober 2026:
Ik stond in de woonkamer, en zij kwam aanlopen en ging daar gebukt staan.
Toen wilde ik haar graag aanraken. Omdat ik daar behoefte aan had. Ik wilde haar gewoon van de zijkant aanraken. Haar billen stonden voor mij.
U, de voorzitter, vraagt mij of ik vind dat ik iets verkeerd heb gedaan. Het mocht niet, zo simpel is het. Ik mag niemand van het personeel aanraken. Dat is sowieso uitgesloten.
U, de oudste rechter, vraagt mij of ik de reactie van het slachtoffer begrijp. Ja wel. U, de oudste rechter, vraagt mij of ik de impact die het heeft op slachtoffer begrijp. Ja wel. Ze was geschrokken.
Bewijsoverwegingen
Seksuele handelingen
De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of, en zo ja in welke mate, de verdachte de in de tenlastelegging omschreven (seksuele) handelingen heeft verricht. Daartoe overweegt zij als volgt.
Onder handelingen van seksuele aard kan onder meer worden verstaan het aanraken van seksuele lichaamsdelen zoals borsten, billen en geslachtsdelen. Daarnaast kan aanraking van andere lichaamsdelen in het licht van de context waarin zij plaatsvinden een seksuele strekking krijgen.
Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte ten tijde van het tenlastegelegde als patiënt verbleef op de [afdeling] van Fivoor, waar de aangeefster werkzaam was als begeleidster. Terwijl zij zich beiden in de woonkamer van de kliniek bevonden, is de verdachte heel langzaam in de richting van de aangeefster gelopen, heel dicht tegen haar aan gaan staan en heeft hij haar heupen met zijn handen vastgepakt. De verdachte heeft hierover verklaard dat de aangeefster gebukt voor hem stond en hij haar van de zijkant wilde aanraken, omdat hij daar behoefte aan had.
Naar het oordeel van de rechtbank kunnen deze handelingen van de verdachte, in de context waarin deze hebben plaatsgevonden en in het licht van zijn eigen verklaring, worden aangemerkt als handelingen van seksuele aard. Het verweer van de raadsvrouw wordt verworpen.
De aangeefster heeft in haar aangifte ook verklaard dat zij een stijf geslachtsdeel tegen haar billen aan voelde en dat zij voelde dat er rijdende bewegingen tegen haar billen werden gemaakt met dat geslachtsdeel. De verdachte heeft ontkend deze handelingen te hebben verricht en uit de camerabeelden blijkt niet – gelet op de vereiste mate van zekerheid voor een beweenverklaring van dit onderdeel – dat deze specifieke handelingen hebben plaatsvonden. Gelet daarop ontbreekt naar het oordeel van de rechtbank het wettig en overtuigend bewijs dat de verdachte heen en weer heeft geduwd met zijn lichaam of zijn (stijve) geslachtsdeel tegen de billen van de aangeefster en dat hij rijdende en/of stotende bewegingen met zijn onderlichaam heeft gemaakt. De rechtbank zal de verdachte daarvan partieel vrijspreken.
De overige tenlastegelegde seksuele handelingen acht de rechtbank gelet op hetgeen hiervoor is overwogen wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank zal hierna ingaan op de vraag hoe dit handelen dient te worden gekwalificeerd.
Opzetaanranding
Voor een bewezenverklaring van opzetaanranding is vereist dat de verdachte wetenschap had van het ontbreken van de wil bij de aangeefster.
De verdachte is in de woonkamer van de kliniek heel langzaam in de richting van de aangeefster is gelopen. Zij stond met haar rug naar hem toe, was in gesprek met medepatiënten en heeft hem niet horen naderen. Het op deze wijze totaal onverwachts iemand op seksuele wijze betasten getuigt van opzettelijk handelen, omdat de verdachte zich bewust was van de aantasting van de seksuele integriteit en hij de aangeefster niet de ruimte heeft gegeven daarover haar wil te uiten. Dit opzet vindt bovendien bevestiging in de verklaring van de verdachte zelf. Hij heeft immers verklaard te weten dat het hem niet is toegestaan om personeelsleden aan te raken en te begrijpen dat de aangeefster van zijn handelen is geschrokken.
Conclusie
Gezien het voorgaande komt de rechtbank tot een bewezenverklaring van opzetaanranding zoals hierna onder 3.5. omschreven.
De bewezenverklaring
De rechtbank is met betrekking tot het ten laste gelegde feit van oordeel dat dit feit wettig en overtuigend is bewezen.
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
hij op 2 mei 2025 te 's-Gravenhage met een persoon, te weten [slachtoffer], seksuele handelingen heeft verricht, te weten
- het stevig van achteren vastpakken van de heupen van die [slachtoffer] en
- het duwen van zijn, verdachtes, lichaam tegen het lichaam van die [slachtoffer]
terwijl hij, verdachte, wist, dat bij die [slachtoffer] daartoe de wil ontbrak.
4 De strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.
5 De strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.
6 De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier weken voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht om bij een veroordeling toepassing te geven aan artikel 9a Wetboek van Strafrecht.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken.
De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van het feit
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan opzetaanranding van een begeleidster van de FPA van Fivoor. Met zijn handelen heeft de verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer, terwijl het slachtoffer zich op dat moment inzette voor de zorg voor hem. Daarnaast heeft de verdachte door zijn gedrag van de werkplek van het slachtoffer een onveilige plek gemaakt. Dit rekent de rechtbank de verdachte aan.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 4 september 2026. Hieruit volgt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor een soortgelijk feit.
Persoon van de verdachte
Over de verdachte is gerapporteerd door [psychiater], in een Pro Justitia-rapport van 10 maart 2026, en door [GZ-psycholoog], in een Pro Justitia-rapport van 12 maart 2026.
Uit dit rapport volgt dat bij de verdachte ten tijde van het ten laste gelegde sprake was van gedrags- en persoonlijkheidsveranderingen en een verminderde impulscontrole. De psychiater concludeert dat sprake is van een bipolaire I stoornis, en een neurocognitieve stoornis. Differentiaal-diagnostisch kan hierbij nog niet worden uitgesloten dat het gaat om een dementieel proces of een resttoestand na jarenlange schade door ernstige psychiatrische klachten, alcoholgebruik en hospitalisatie. Volgens de psycholoog beschikt de verdachte weliswaar over ten minste enig besef van het wederrechtelijke van zijn handelen, maar handelt hij overwegend impulsief en gericht op zijn eigen verlangens en behoeften. Hij heeft niet de volledige controle over zijn gedragingen zoals hij die had voorafgaand aan het tot uiting komen van zijn psychiatrische ziektebeeld en de neurocognitieve stoornis. Op basis van het voorgaande wordt dan ook geadviseerd om de verdachte het tenlastegelegde in een (sterk) verminderde mate toe te rekenen. De psychiater schat het risico op recidive van seksueel grensoverschrijdend gedrag, vergelijkbaar met het tenlastegelegde, in als zeer hoog. De kans dat het toestandsbeeld van de verdachte verbetert, waardoor hij meer controle krijgt over zijn impulsen, is klein. De kans op verdere verslechtering is aanzienlijk groter, waarbij ook het risico op seksueel grensoverschrijdend gedrag toeneemt. Voortzetting van de behandeling binnen een forensisch kader heeft volgens de psychiater geen meerwaarde; een forensische titel maakt plaatsing buiten de FPA eerder ingewikkelder. Voortzetting van het traject dient te geschieden binnen de reguliere GGZ en/of ouderenpsychiatrie. De psychiater adviseert dan ook om het zorgtraject te continueren binnen een zorgmachtiging, conform de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg.
De rechtbank heeft verder kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de verdachte van 21 september 2026, waaruit volgt dat reclassering zich kan vinden in het Pro Justitia-rapport en sluit zich daarbij aan. De reclassering ziet daarbij geen mogelijkheden om de verdachte te begeleiden binnen een reclasseringstoezicht.
Strafmodaliteit en strafmaat
De verdediging heeft verzocht om te volstaan met schuldigverklaring zonder straf of maatregel, maar daar gaat de rechtbank – mede gelet op de aard en de ernst van het feit aan voorbij. De rechtbank is van oordeel dat voor dit feit een voorwaardelijke gevangenisstraf passend is.
Bij het bepalen van de duur heeft de rechtbank gekeken naar wat in soortgelijke gevallen doorgaans wordt opgelegd. In dit geval acht de rechtbank van belang dat het slachtoffer op een medewerkster van de zorginstelling was. Zorgverleners moeten veilig hun werk kunnen doen. Tegelijkertijd heeft de rechtbank oog voor de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en het gegeven dat het feit hem in (sterk) verminderde mate kan worden toegerekend. De rechtbank is met de deskundigen van oordeel dat een strak zorgkader passend is voor de verdachte en acht het van belang dat dit zorgkader niet wordt doorkruist.
Alles afwegende zal de rechtbank een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen voor de duur van twee weken met een proeftijd van twee jaren. Anders dan de officier van justitie ziet de rechtbank, mede gelet op het strafblad van de verdachte en de conclusies uit het Pro Justitia-rapport, geen aanleiding om daar een langere proeftijd aan te verbinden.
7 De toepasselijke wetsartikelen
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:
- 14a, 14b, 14c en 241 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.
8 De beslissing
De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
opzetaanranding;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van 2 (TWEE) WEKEN;
bepaalt dat die straf niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.
Dit vonnis is gewezen door
mr. C.A.W. Zijlstra, voorzitter,
mr. K.C.J. Vriend, rechter,
mr. F. Bouman, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. L.E. Kramer, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 16 oktober 2026.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.