Uitspraak · Personen- en familierecht

Rechtbank Den Haag, 18 september 2026

ECLI:NL:RBDHA:2026:30716Zaaknummer C/09/712208 / JE RK 26-1589

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
18 september 2026
Publicatiedatum
23 oktober 2026
Zaaknummer
C/09/712208 / JE RK 26-1589
Rechtsgebied
Civiel recht, Personen- en familierecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig, Beschikking
Zittingsplaats
Den Haag
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

voorlopige ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing

6 De beslissing

De kinderrechter:

6.1.

stelt [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] met ingang van 21 september 2026 voorlopig onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden tot 7 december 2026;

6.2.

verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] bij de vader met ingang van 18 september 2026 tot 7 december 2026;

6.3.

verklaart de beslissing onder 6.2 uitvoerbaar bij voorraad;

6.4.

wijst het meer of anders verzochte af;

6.5.

stelt vast dat er niets meer te beslissen valt ten aanzien van het verzoek om het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 2].

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 18 september 2026 door mr. J.E. Bierling, kinderrechter, in aanwezigheid van S.A. van Schaik-van Dommelen als griffier, en op schrift gesteld op 1 oktober 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking over de machtiging tot uithuisplaatsing is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking over de voorlopige ondertoezichtstelling staat geen hoger beroep open.[_f97760fe-76ef-4515-82cc-ddd2a72374f0]

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 Het verdere verloop van de procedure
  2. 2 De feiten
  3. 3 Het verzoek
  4. 4 De standpunten
  5. 5 De beoordeling
  6. 6 De beslissing

RECHTBANK DEN HAAG

Familie- en Jeugdrecht

Zaaknummer: C/09/712208 / JE RK 26-1589

Datum uitspraak: 18 september 2026

Beschikking van de kinderrechter over een voorlopige ondertoezichtstelling en een machtiging tot uithuisplaatsing

in de zaak van

de Raad voor de Kinderbescherming,

'sGravenhage,

hierna te noemen: de Raad,

over

[de minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2022 in [geboorteplaats 1],

hierna te noemen: [de minderjarige 1],

[de minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2025 in [geboorteplaats 2],

hierna te noemen: [de minderjarige 2].

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de moeder],

hierna te noemen: de moeder,

wonende in [woonplaats],

feitelijk verblijvende in een GGZ-instelling in [plaats],

advocaat: mr. A. Alam-Khan uit Delft,

[de vader],

hierna te noemen: de vader,

wonende in [woonplaats].

De kinderrechter merkt als informant aan:

Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden,hierna te noemen: de gecertificeerde instelling.

1 Het verdere verloop van de procedure

1.1.

Op 7 september 2026 heeft mr. O.F. Bouwman, kinderrechter in deze rechtbank, mondeling (buiten kantooruren) [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] voorlopig onder toezicht gesteld en

een machtiging verleend om [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] met spoed uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg tot 8 september 2026 om 17:00 uur.

1.2.

Bij beschikking van 8 september 2026 heeft de kinderrechter in deze rechtbank [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] voorlopig onder toezicht gesteld tot 21 september 2026 en voor dezelfde duur een spoedmachtiging verleend om [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg. De behandeling van het verzoek (dat strekt tot een voorlopige ondertoezichtstelling en verlening van een machtiging tot uithuisplaatsing voor een periode van drie maanden) is voor het overige aangehouden tot de zitting van 18 september 2026 (zie hierna).

1.3.

De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

- de beschikking van 8 september 2026 en de daarin genoemde stukken;

- het gewijzigde verzoekschrift, binnengekomen bij de rechtbank op 16 september 2026.

1.4.

Op 18 september 2026 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:

- de vader;

- de moeder met haar advocaat en een begeleider van de moeder als toehoorder, allen via een videoverbinding;

  • [naam 1] namens de Raad;
  • [naam 2] namens de gecertificeerde instelling.

2 De feiten

2.1.

Voor zover de kinderrechter uit de beschikbare stukken kan afleiden heeft de vader [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] erkend, is de moeder belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige 1] en zijn de moeder en de vader gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige 2].

2.2.

[de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] verblijven sinds 17 september 2026 bij de vader.

3 Het verzoek

De Raad heeft schriftelijk verzocht om [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] voorlopig onder toezicht te stellen voor de duur van drie maanden. Bij gewijzigd verzoekschrift is verzocht een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] bij de vader (met gezag) te verlenen voor de duur van ook drie maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Ter zitting heeft de Raad het verzoek om het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 2] ingetrokken omdat de moeder instemt met een verblijf bij de vader met gezag. De Raad heeft het verzoek om het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] bij de vader gehandhaafd omdat hij, voor zover de Raad thans bekend is, geen gezag heeft over [de minderjarige 1].

4 De standpunten

4.1.

De moeder heeft ingestemd met een voorlopige ondertoezichtstelling die nog langer voortduurt en met een voorlopig verblijf van de kinderen bij de vader.

4.2.

De vader heeft hiermee ook ingestemd.

5 De beoordeling

5.1.

De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een voorlopige ondertoezichtstelling is voldaan.[_483a3fd3-bfe0-44fc-8a2c-623264eabc09] Er is een ernstig vermoeden dat de ontwikkeling van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] acuut en ernstig wordt bedreigd. De voorlopige ondertoezichtstelling is noodzakelijk om die bedreiging weg te nemen. Daarnaast is de kinderrechter van oordeel dat het noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding dat [de minderjarige 1] uit huis wordt geplaatst.[_de5747b7-40d1-42da-9716-b29549018736] De kinderrechter legt hieronder uit waarom.

5.2.

De kinderrechter acht het van belang dat de Raad verder onderzoek kan doen naar de gezinssituatie en kan bekijken wat in het belang van de kinderen is. Reden daarvoor is de psychische toestand van de moeder, die tot voor kort de zorg droeg voor de kinderen (de moeder verblijft momenteel in een GGZ-instelling omdat zij psychotisch was), zorgen over wat zich in het verleden tussen de vader en de moeder heeft afgespeeld (moeder verbleef voor haar opname in de GGZ-instelling met code rood in een vrouwenopvang) en zorgen over de opvoedvaardigheden van de vader, die tot voor kort uit beeld was en bij wie de kinderen sinds een dag verblijven.Gezien de situatie waarin de moeder momenteel verkeert, is het op dit moment het meest in het belang van de kinderen dat zij bij hun vader blijven wonen. Er zijn, zo heeft de kinderrechter begrepen, veiligheidsafspraken met de vader gemaakt en op zeer korte termijn zal ambulante spoedhulp bij de vader worden ingezet. Het is positief dat er een netwerk betrokken is dat de vader kan ondersteunen bij de zorg voor en de opvoeding van de kinderen.

5.3.

De kinderrechter acht het, gelet op het voorgaande, van belang dat er een jeugdbeschermer betrokken blijft die regie kan voeren over de hulpverlening en toezicht kan houden op het welzijn van de kinderen. De vader en de moeder hebben laten weten hier geen bezwaar tegen te hebben en open te staan voor hulpverlening. Daarnaast zal de jeugdbeschermer moeten onderzoeken hoe er op een verantwoorde manier contact kan gaan plaatsvinden tussen de moeder en de kinderen. Positief in dit verband is dat de moeder te kennen heeft gegeven nu weer medicatietrouw te zijn, zich mentaal beter te voelen en binnenkort terug te kunnen keren naar de vrouwenopvang en om van daar uit medicatie en therapie te gaan ontvangen. Een zorg is dat de vader en de moeder van mening verschillen over hoe het contact tussen de moeder en kinderen moet worden vormgegeven. De kinderrechter stelt [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2], gelet op het voorgaande, voorlopig onder toezicht tot 7 december 2026.

5.4.

De moeder heeft ingestemd met het verblijf van [de minderjarige 2] bij zijn vader met gezag. De Raad heeft het verzoek om het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 2] ter zitting daarom ingetrokken. De kinderrechter stelt, gelet hierop, vast dat zij op dit punt niets meer te beslissen heeft.

5.5.

Omdat ervan moet worden uitgegaan dat de vader geen gezag heeft over [de minderjarige 1], machtigt de kinderrechter de gecertificeerde instelling om haar bij hem uit huis te plaatsen tot 7 december 2026.

5.6.

De beslissing tot voorlopige ondertoezichtstelling wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister.[_9c70dd38-e09e-45ba-8bfc-cc28f6d73681]

5.7.

De kinderrechter verklaart de beslissing om de machtiging tot uithuisplaatsing af te geven uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6 De beslissing

De kinderrechter:

6.1.

stelt [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] met ingang van 21 september 2026 voorlopig onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden tot 7 december 2026;

6.2.

verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] bij de vader met ingang van 18 september 2026 tot 7 december 2026;

6.3.

verklaart de beslissing onder 6.2 uitvoerbaar bij voorraad;

6.4.

wijst het meer of anders verzochte af;

6.5.

stelt vast dat er niets meer te beslissen valt ten aanzien van het verzoek om het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 2].

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 18 september 2026 door mr. J.E. Bierling, kinderrechter, in aanwezigheid van S.A. van Schaik-van Dommelen als griffier, en op schrift gesteld op 1 oktober 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking over de machtiging tot uithuisplaatsing is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking over de voorlopige ondertoezichtstelling staat geen hoger beroep open.[_f97760fe-76ef-4515-82cc-ddd2a72374f0]

Voetnoten

  1. Artikel 1:257 BW.
  2. Artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek (BW).
  3. Artikel 2 Besluit gezagsregisters.
  4. Artikel 807 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.