Uitspraak · Personen- en familierecht
Rechtbank Den Haag, 18 september 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:30712Zaaknummer C/09/712430 / JE RK 26-1606
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum uitspraak
- 18 september 2026
- Publicatiedatum
- 23 oktober 2026
- Zaaknummer
- C/09/712430 / JE RK 26-1606
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Personen- en familierecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig, Beschikking
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
verlenging machtiging tot uithuisplaatsing 1:265c, tweede lid, BW
6 De beslissing
De kinderrechter:
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 25 december 2026;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
| Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 18 september 2026 door mr. J.E. Bierling, kinderrechter, in aanwezigheid van S.A. van Schaik-van Dommelen als griffier, en op schrift gesteld op 1 oktober 2026. |
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
- degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Familie- en Jeugdrecht
Zaaknummer: C/09/712430 / JE RK 26-1606
Datum uitspraak: 18 september 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verzoek om verlenging van een machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland, gevestigd te Leiden,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2011 in [geboorteplaats],
hierna te noemen: [minderjarige].
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats].
1 Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 10 september 2026.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 18 september 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder;
- [naam 1] namens de gecertificeerde instelling.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening over het verzoek gevraagd. [minderjarige] heeft een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld.
2 De feiten
[minderjarige] is erkend door [naam 2].
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige].
[minderjarige] verblijft op een groep van [zorginstelling] in [plaats].
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 25 maart 2026 [minderjarige] onder toezicht gesteld tot 25 december 2026 en een machtiging verleend om [minderjarige] tot 25 juni 2026 gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder. De behandeling van het verzoek betreffende verlening van de machtiging tot uithuisplaatsing (dat zag op een periode van zes maanden) is voor het overige aangehouden.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 4 juni 2026 een machtiging verleend om [minderjarige] tot 25 september 2026 gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder.
3 Het verzoek
De gecertificeerde instelling heeft schriftelijk verzocht om de bij de hiervoor genoemde beschikking van 4 juni 2026 verleende machtiging tot uithuisplaatsing met zes maanden te verlengen en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Ter zitting heeft de gecertificeerde instelling dit verzoek gewijzigd in een verzoek om bedoelde machtiging te verlengen tot het einde van de ondertoezichtstelling.
4 De standpunten
De moeder heeft ingestemd met verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing voor de duur van de ondertoezichtstelling.
5 De beoordeling
Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding.[_2ef04d62-a535-40d9-bdb6-7887fe16b825]
De kinderrechter overweegt daartoe als volgt. Ten tijde van de zitting die leidde tot de beschikking van 4 juni 2026 werd ervan uitgegaan dat [minderjarige] over circa zes weken zou kunnen starten met een intensief behandeltraject bij [zorginstantie]. Helaas is dat niet gebeurd. Alle betrokkenen achten het van belang dat [minderjarige] hiermee alsnog zo snel mogelijk kan beginnen. [minderjarige] wil dat zelf ook graag. Ter zitting heeft de gecertificeerde instelling toegelicht dat de financiën voor dit traject weliswaar geregeld zijn, maar dat [zorginstantie] op dit moment in de regio waar [minderjarige] en zijn moeder onder vallen, een cliëntenstop hanteert en slechts in een beperkt aantal gevallen een uitzondering op die stop maakt. De gecertificeerde instelling heeft verder laten weten dat zij haar best doet om ervoor te zorgen dat [minderjarige] die uitzonderingspositie krijgt. Volgens de gecertificeerde instelling is ambulante behandeling vanuit huis geen passend alternatief en de moeder en [minderjarige] onderschrijven dat. [minderjarige] kan daarom nog niet weer volledig bij de moeder gaan wonen. Een traject vergelijkbaar met dat van [zorginstantie] is volgens de gecertificeerde instelling (ook) niet voorhanden. Duidelijk is dat [minderjarige] op de groep bij [zorginstelling] niet op zijn plek zit. Dit is niet meer dan een woonplek voor hem, terwijl er méér en iets anders nodig is. Een meer passende verblijfplek is op dit moment, zo heeft de kinderrechter begrepen, echter niet beschikbaar.
De kinderrechter benadrukt met klem dat het van groot belang is dat [minderjarige] zo snel mogelijk met het [zorginstantie]-traject kan beginnen. Uit het gesprek met [minderjarige] heeft de kinderrechter opgemaakt dat hij door de onduidelijkheid rondom dat traject veel stress ervaart en dat heeft een negatieve invloed op zijn draagkracht en (mentale) welzijn. De kinderrechter is het met de moeder eens dat deze situatie niet lang meer kan voortduren en acht het daarom van belang dat er de komende tijd ook gezocht wordt naar alternatieve behandelplekken.
Positief is dat [minderjarige] op dit moment een deel van de week bij zijn moeder logeert en dit, gezien de omstandigheden, goed verloopt. De kinderrechter spreekt de hoop uit dat deze logeermomenten doorgang kunnen blijven vinden en, waar dat mogelijk is, uitgebreid kunnen worden.
Gelet op het voorgaande zal de kinderrechter het verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing toewijzen tot 25 december 2026, zijnde voor de nog resterende duur van de ondertoezichtstelling.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
Kindbrief
Zoals afgesproken met [minderjarige] en zoals ook tijdens de zitting is besproken,
heeft de kinderrechter haar beslissing in een brief aan [minderjarige] uitgelegd. Hieronder volgt de
tekst van die brief, zodat de moeder en de gecertificeerde instelling weten welke boodschap [minderjarige] heeft ontvangen.
Beste [minderjarige],
Wij spraken elkaar nog niet zo lang geleden, op 18 september. Ik herinner mij dat gesprek nog goed. Ik vond het bijzonder krachtig van jou dat je zo goed kon aangeven wat het met jou doet dat het traject bij [zorginstantie] nog niet is gestart, een traject waarvan iedereen vindt, ook jij, dat dat het beste is voor jou. Je zei dat je moe bent van het wachten, er moedeloos van wordt en moeite hebt om positief te blijven. Wat jij beschreef, was ook aan jou te zien. Ook vertelde je dat je het bij [zorginstelling] niet naar je zin hebt. Het is alleen maar een woonplek voor mij, zei je, terwijl je méér nodig hebt. Knap en moedig, [minderjarige], dat je dat kunt zeggen.
Op de zitting heb ik met jouw moeder en een jeugdbeschermer gesproken. Het is vooral gegaan over het [zorginstantie]-traject en de vraag waarom je nog niet met dat traject kunt beginnen. Het is een ingewikkeld verhaal en dat zal ik jou besparen. Wij jij moet weten, is dat er nog geen streep door staat. De jeugdbeschermer doet er momenteel alles aan om er voor te zorgen dat jij alsnog, en zo snel mogelijk, bij [zorginstantie] terecht kunt.
De vraag die ik als kinderrechter moest beantwoorden, was of jij nog langer uit huis geplaatst moet blijven. Op de zitting is het daarom ook gegaan over de vraag of jij terug zou kunnen naar jouw moeder. Dit heb ik ook met jou besproken. Jij vertelde mij dat het daarvoor nog te vroeg is. Er moet eerst iets veranderen, zei jij. Op de zitting zei jouw moeder hetzelfde. Jullie bedoelen daarmee allebei dat behandeling en begeleiding nodig is, bij voorkeur bij [zorginstantie]. Ik heb het verzoek van de jeugdbeschermer daarom toegewezen. De toestemming voor jouw uithuisplaatsing loopt nu door tot 25 december 2026.
Het was fijn om te horen dat jij op dit moment een deel van de week thuis bent bij jouw moeder, zus en broertje en dat dat best goed gaat. Jouw moeder is een sterke vrouw, die ontzettend veel van jou houdt en het allerbeste voor jou wil. Dat heb ik gezien en gehoord op de zitting. Hopelijk blijft jullie contact zo fijn als het nu is.
[minderjarige], ik hoop ook dat er heel snel duidelijkheid komt over het [zorginstantie]-traject. Houd het wachten nog even vol. Ik weet dat jij dat kunt. Ik wens je veel sterkte en kracht toe de komende tijd.
Voor jouw moeder en de jeugdbeschermer maak ik een officiële uitspraak. De inhoud van deze brief wordt in de uitspraak opgenomen. Zo weten zij ook wat ik aan jou heb geschreven.
Hartelijke groet,
De kinderrechter
6 De beslissing
De kinderrechter:
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 25 december 2026;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
| Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 18 september 2026 door mr. J.E. Bierling, kinderrechter, in aanwezigheid van S.A. van Schaik-van Dommelen als griffier, en op schrift gesteld op 1 oktober 2026. |
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
- degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Voetnoten
- Artikel 1:265c, tweede lid, Burgerlijk Wetboek.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.