Uitspraak · Personen- en familierecht
Rechtbank Den Haag, 18 september 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:30711Zaaknummer C/09/712123 / JE RK 26-1579
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum uitspraak
- 18 september 2026
- Publicatiedatum
- 23 oktober 2026
- Zaaknummer
- C/09/712123 / JE RK 26-1579
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Personen- en familierecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig, Beschikking
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
6 De beslissing
De kinderrechter:
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg tot 17 juli 2027;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
| Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 18 september 2026 door mr. M.J.L. van der Waals, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. T.A.A. Hilhorst als griffier, en op schrift gesteld op 5 oktober 2026. |
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
- degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Familie- en Jeugdrecht
Zaaknummer: C/09/712123 / JE RK 26-1579
Datum uitspraak: 18 september 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
Stichting Jeugdbescherming West Zuid-Holland, gevestigd te Gouda,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2011 in [geboorteplaats],
hierna te noemen: [minderjarige].
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats].
De kinderrechter merkt als informant aan:
[de oma],
de oma moederszijde,
hierna te noemen: de oma,
wonende in [woonplaats].
1 Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 4 september 2026.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 16 september 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder;
- [naam], namens de gecertificeerde instelling.
De oma is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de oma moederszijde wel op de juiste wijze is opgeroepen.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld.
2 De feiten
[minderjarige] is erkend door zijn vader, [de vader].
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige].
[minderjarige] verblijft bij de oma.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 17 juli 2026 [minderjarige] onder toezicht gesteld tot 17 juli 2027. Bij diezelfde beschikking heeft de kinderrechter een machtiging verleend [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg tot 17 oktober 2026.
3 Het verzoek
De gecertificeerde instelling verzoekt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
Ter zitting heeft de gecertificeerde instelling benadrukt dat het van belang is dat de moeder als gezaghebbende ouder in contact blijft met de gecertificeerde instelling om zaken over [minderjarige] te regelen.
4 De standpunten
De moeder heeft eerder aangegeven dat zij niet wil dat [minderjarige] bij zijn oma woont, maar zij wil niet meer vechten. De moeder hoopt dat [minderjarige] goed zit bij zijn oma. Zij geeft ter zitting aan dat zij al een jaar geen rol meer speelt in het leven van [minderjarige]. Zij merkt op dat het misschien beter is als zij afstand doet van haar gezag.
5 De beoordeling
Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding.[_9e404c7b-d8a8-4d11-a7be-4b74ea02d263] De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
[minderjarige] verblijft bij zijn oma en haar partner (hierna: opa). [minderjarige] heeft bij zijn oma nu een positieve en stabiele situatie en het gaat goed met hem. [minderjarige] houdt zich beter aan afspraken. Hij accepteert het gezag van zijn opa en oma en blowt niet meer. [minderjarige] loopt niet meer weg en hij is niet meer in aanraking geweest met de politie. [minderjarige] werkt nu voor zijn oom in de bouw en hij geeft zelf aan dat hij het fijn heeft en rust heeft bij zijn opa en oma. De kinderrechter vindt het daarom van belang dat zijn verblijf daar voorlopig wordt voortgezet. Daarbij is het wel belangrijk dat er spoedig een volledige screening van de oma als pleeggezin wordt uitgevoerd, maar daar is de jeugdbeschermer al mee bezig. De kinderrechter begrijpt dat er veel is gebeurd tussen de oma en de moeder en dat het daarom voor de moeder lastig is om contact te houden met [minderjarige]. De kinderrechter hoopt wel dat daar toch een manier voor te vinden is. Zoals de jeugdbeschermer ter zitting ook heeft aangegeven kan er worden gekeken naar alleen contact tussen [minderjarige] en zijn moeder. Wel benadrukt de kinderrechter dat er in ieder geval contact zal moeten zijn tussen de moeder en de jeugdbeschermer, omdat moeder het gezag heeft en dus bepaalde beslissingen moet blijven nemen. De kinderrechter zal de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] verlengen tot het einde van de ondertoezichtstelling, te weten tot 17 juli 2027, zoals is verzocht.
De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6 De beslissing
De kinderrechter:
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg tot 17 juli 2027;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
| Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 18 september 2026 door mr. M.J.L. van der Waals, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. T.A.A. Hilhorst als griffier, en op schrift gesteld op 5 oktober 2026. |
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
- degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Voetnoten
- Artikel 1:265c, tweede lid, Burgerlijk Wetboek.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.