Uitspraak · Personen- en familierecht
Rechtbank Den Haag, 18 september 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:30682Zaaknummer C/09/708894 / FA RK 26-7087
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum uitspraak
- 18 september 2026
- Publicatiedatum
- 23 oktober 2026
- Zaaknummer
- C/09/708894 / FA RK 26-7087
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Personen- en familierecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig, Beschikking
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Gezagsgeschillen (1:253a BW): vervangende toestemming inschrijving basisschool afgewezen, geen wijziging hoofdverblijfplaats en wijziging van de zorgregeling naar week op week af.
Beslissing
De rechtbank – met wijziging in zoverre van de beschikking van deze rechtbank van 21 november 2023 – :
*
verklaart de moeder niet ontvankelijk in haar verzoek om de zorgregeling te wijzigen;
*
bepaalt dat de minderjarige [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2015 in [geboorteplaats], afwisselend een volledige week bij de moeder (even weken) en een volledige week bij de vader (oneven weken) verblijft, met het wisselmoment op maandag via school;
*
stelt vast dat de ouders, te weten:
[de moeder],
wonende te [adres 1],
en
[de vader],
wonende te [adres 2],
bij (aangehecht) proces-verbaal van doorverwijzing zijn verwezen naar(De Rotterdamse omgangsbegeleiding voorziet blijkens haar folder in omgangsbegeleiding voor de duur van in beginsel maximaal zes maanden, overeenkomend met acht à negen contacten.) Gemeenschappelijke Regeling Jeugd en Wmo (GR JW) voor deelname aan het traject Ouderschapsbemiddeling en voor aanmelding bij de uitvoerende hulpverleningsinstantie;
beveelt de griffier binnen twee dagen na heden een afschrift van (de kennisgeving van) deze beschikking te zenden naar:
Gemeenschappelijke Regeling Jeugd en Wmo (GR JW) per beveiligde e-mail naar retmh@grjw.nl;
stelt vast dat de ouders bij eindbeschikking zijn verwezen naar het hulpverleningstraject, zodat het niet nodig is dat de uitvoerende hulpverleningsinstantie de rechtbank (tussentijds) rapporteert over het verloop van voornoemd traject;
*
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
*
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;
*
wijst af het meer of anders verzochte.
| Deze beschikking is gegeven door mr. C. Witteman, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. M.I. Noordegraaf als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 18 september 2026. |
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige Kamer
Rekestnummer: FA RK 26-7087
Zaaknummer: C/09/708894
Datum beschikking: 18 september 2026
Gezagsuitoefening
Beschikking op het op 10 juli 2026 ingekomen verzoek van:
[de moeder],
de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. J.J.A. Bosch te Rotterdam.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de vader],
de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. S. Kara te Rotterdam.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
- het verzoekschrift, met producties;
- het F9-formulier van 19 juli 2026, met producties, van de zijde van de moeder;
- de twee F9-formulieren van 3 augustus 2026, met producties, van de zijde van de moeder;
- het op 6 augustus 2026 ingekomen verweerschrift met zelfstandige verzoeken, met producties, van de zijde van de vader;
- het F9-formulier van 23 augustus 2026, met producties, van de zijde van de moeder;
- het F9-formulier van 25 augustus 2026, met als bijlage de geboorteakte, van de zijde van de moeder;
- de brief van 31 augustus 2026 met aanvullend verzoek, en met producties, van de zijde van de vader.
Op 7 augustus 2026 zou de zaak ter zitting van deze rechtbank worden behandeld. Hierbij zijn verschenen:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- de vader via een videoverbinding;
- de advocaat van de vader.
Op deze zitting is namens de vader een verzoek tot wraking tegen de behandelend rechter ingediend. De behandeling op de zitting is daarop geschorst.
Het wrakingsverzoek is bij beslissing van 24 augustus 2026 door de meervoudige wrakingskamer van deze rechtbank afgewezen. Daarbij is bepaald dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek.
Vervolgens is de behandeling van de zaak ter zitting van deze rechtbank voortgezet op 3 september 2026. Hierbij zijn verschenen:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- de vader via een videoverbinding;
- de advocaat van de vader.
Namens de moeder zijn op de zitting pleitnotities overgelegd en voorgedragen.
De minderjarige [minderjarige] heeft in een gesprek met de kinderrechter op 3 september 2026 zijn mening gegeven over het verzoek.
Feiten
- De vader en de moeder hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.
- Zij zijn de ouders van de nog minderjarige [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2015 in [geboorteplaats].
- De vader en de moeder oefenen het gezamenlijk gezag over [minderjarige] uit.
- [minderjarige] heeft zijn hoofdverblijfplaats bij de moeder.
- Bij beschikking van deze rechtbank van 21 november 2023 is – voor zover hier van belang – bepaald dat [minderjarige] eens in de veertien dagen van woensdag uit school tot maandag naar school (oneven weken) en de helft van de vakantie- en feestdagen bij de vader verblijft, en is het verzoek van de moeder om vervangende toestemming te verlenen voor de inschrijving van [minderjarige] op basisschool [schoolnaam] in [plaats 1] afgewezen.
Verzoek en verweer
De moeder heeft in het kader van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (BW) verzocht:
- de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken te wijzigen, in die zin dat [minderjarige] een keer in de twee weken van donderdagmiddag na school tot maandagochtend voor school bij de vader zal verblijven;
- haar toestemming te verlenen, welke toestemming die van de vader vervangt, om [minderjarige] per 30 augustus 2026 in te schrijven op de basisschool [schoolnaam] in [plaats 1];
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De vader heeft verweer gevoerd, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Daarnaast heeft de vader zelfstandig verzocht:
- de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij hem te bepalen en de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken als volgt te wijzen:
[minderjarige] verblijft gedurende twee aansluitende weekenden bij de moeder, van vrijdag uit school tot maandagochtend, waarbij de moeder ervoor zorgdraagt dat [minderjarige] maandag tijdig op school is;
vervolgens verblijft [minderjarige] het derde weekend bij de vader;
daarna verblijft [minderjarige] opnieuw gedurende twee aansluitende weekenden bij de moeder, van vrijdag uit school tot maandagochtend;
deze regeling herhaalt zich vervolgens;
althans een zorgregeling te bepalen die de rechtbank in het belang van [minderjarige] acht;
- indien de rechtbank het primaire verzoek tot wijziging van de hoofdverblijfplaats afwijst de huidige zorgregeling te wijzigen naar een co-ouderschap regeling waarbij [minderjarige] afwisselend een volledige week bij de moeder en een volledige week bij de vader verblijft, met het wisselmoment op maandagmiddag uit school, althans een zorgregeling te bepalen die de rechtbank in het belang van [minderjarige] acht;
- althans een zodanige beslissing te nemen die de rechtbank in het belang van [minderjarige] juist acht;
- de moeder te veroordelen in de volledige proceskosten van de vader, waaronder begrepen het door hem betaalde griffierecht en de daadwerkelijk gemaakte kosten van rechtsbijstand;
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
Beoordeling
Toelaten stukken
Op de zitting van 7 augustus 2026 had de rechtbank beslist dat het door de vader op 6 augustus 2026 ingediende verweerschrift met zelfstandige verzoeken en producties niet zou worden toegelaten, omdat de rechtbank de late indiening daarvan in strijd met de goede procesorde achtte. De rechtbank heeft deze stukken na de afwijzing van het wrakingsverzoek alsnog toegelaten omdat de grondslag van de eerdere beslissing, namelijk dat er geen gelegenheid was voor de moeder om zich gedegen voor te bereiden, inmiddels niet meer gold. De rechtbank heeft daarom voorafgaand aan de zitting aan partijen laten weten dat zij deze stukken alsnog toe zou laten, waarbij aan de moeder gelegenheid is gegeven om uiterlijk twee werkdagen voor de zitting een reactie op het verweerschrift en de zelfstandige verzoeken in te dienen.
Aan het verzet tegen het toelaten van het door de vader op 31 augustus 2026 ingediende aanvullend verzoek met betrekking tot de proceskosten, met producties, gaat de rechtbank voorbij. Deze stukken zijn tijdig ingediend en de moeder heeft voldoende tijd gehad om zich hierop voor te bereiden.
Juridisch kader en ontvankelijkheid
Op grond van artikel 1:253a BW kunnen geschillen over de gezamenlijke uitoefening van het gezag, zoals de inschrijving op een basisschool, aan de rechtbank worden voorgelegd. Op basis van het tweede lid van dit artikel kan de rechtbank een beslissing nemen bij welke ouder het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft. Het vierde lid van dit artikel in samenhang met artikel 1:377 BW geeft de rechter de mogelijkheid om de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken te wijzigen als er sprake is van een wijziging van omstandigheden.
Om beide ouders in hun verzoeken te kunnen ontvangen, moet sprake zijn van een wijziging van omstandigheden. De rechtbank heeft bij beschikking van 21 november 2023 immers al eerder een beslissing genomen over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, en over de inschrijving op de basisschool [schoolnaam] in [plaats 1].
De moeder heeft gesteld dat de omstandigheden zijn gewijzigd ten opzichte van de vorige beslissing over de inschrijving op [schoolnaam], omdat [minderjarige] meer wordt gepest en hij onder de situatie lijdt. De moeder heeft dit standpunt gemotiveerd onderbouwd. De rechtbank ziet hierin een wijziging van de omstandigheden en zal de moeder ontvangen in haar verzoek. De moeder heeft ten aanzien van haar verzoek om een gewijzigde zorgregeling geen gewijzigde omstandigheden aangevoerd, zodat de rechtbank de moeder in dit verzoek niet ontvankelijk zal verklaren.
De vader heeft ten aanzien van zijn verzoeken gesteld dat sprake is van schoolverzuim van [minderjarige], met name op de dagen dat hij bij de moeder is. Dit heeft hij onderbouwd met stukken van de school. De rechtbank ziet hierin voldoende om een wijziging van omstandigheden aan te nemen en zal de vader ontvangen in zijn verzoeken.
Het is de rechtbank, gelet op het vijfde lid van artikel 1:253a BW, niet gelukt om een vergelijk tussen de ouders te beproeven. De rechtbank zal daarom een beslissing nemen op de verzoeken, die haar in het belang van [minderjarige] wenselijk voorkomt.
Standpunt van de moeder
De moeder heeft – net als in de eerdere procedure die in 2023 is behandeld – verzocht vervangende toestemming te verlenen om [minderjarige] in te schrijven op basisschool [schoolnaam] in [plaats 1]. De moeder heeft toen ook aangevoerd dat [minderjarige] wordt gepest op zijn huidige basisschool, maar volgens de moeder is het pestgedrag sinds 2026 verergerd. [minderjarige] wordt volgens de moeder bespuugd en mishandeld door [naam], ter onderbouwing waarvan zij foto’s van blauwe plekken en kapotte kleding heeft overgelegd. De moeder heeft hiervan meldingen gedaan bij de wijkagent, en heeft dit besproken met de huisarts. [minderjarige] heeft dit ook gemeld tijdens een gesprek met Sociaal Kernteam [regio] op 6 maart 2026. Daarnaast wordt [minderjarige] volgens de moeder overvraagd door het heen en weer reizen vanuit [plaats 1] – waar hij nu het meest van de tijd verblijft – naar zijn basisschool in [plaats 2]. Door deze omstandigheden heeft [minderjarige] het niet meer naar zijn zin op school, en is er regelmatig sprake van schoolverzuim. De moeder maakt zich ook zorgen dat [minderjarige] een geïsoleerd leven heeft bij de vader in [plaats 2], nu [minderjarige] in [plaats 2] weinig vrienden heeft en voornamelijk in [plaats 1] verblijft, waar hij ook vriendjes heeft. [minderjarige] wil graag van school wisselen, maar de vader weigert hiervoor zijn toestemming te geven. De moeder vraagt de rechtbank daarom om haar vervangende toestemming te geven om [minderjarige] in te schrijven op een andere basisschool.
Standpunt van de vader
De vader voert verweer. Hij betwist dat sprake is van een rechtens relevante wijziging van omstandigheden en dat [minderjarige] stelselmatig wordt gepest. Volgens de vader zijn er bij de school van [minderjarige] geen signalen bekend van structureel pestgedrag door [naam], en evenmin in de directe omgeving van de school. In een bericht van 13 mei 2026 geeft de leerkracht van [minderjarige] aan dat [minderjarige] gelukkig oogt in de klas. Sinds groep 1 is [naam] al de beste vriend van [minderjarige], en ze zijn afgelopen zomervakantie zelfs nog samen met de vader op vakantie geweest. De vader stelt dat de door de moeder overgelegde politiemeldingen zonder nadere informatie niet als bewijs van pestgedrag kunnen dienen, en dat de moeder de gestelde incidenten aangrijpt om voor elkaar te krijgen dat [minderjarige] naar een school in [plaats 1] gaat. Dit is volgens de vader niet in het belang van [minderjarige], ook omdat [minderjarige] dan zijn vertrouwde schoolomgeving en sociale netwerk moet verlaten. De vader heeft het idee dat door de moeder op [minderjarige] wordt ingepraat. De vader wordt gesterkt in dit vermoeden door het eindverslag van Groei door Ervaring, waar [minderjarige] van maart 2025 tot februari 2026 hulpverlening heeft ontvangen, waarin wordt beschreven dat met name zorgen worden gezien over de verschillen in wat [minderjarige] aan beide ouders vertelt, waarbij wordt gedacht aan loyaliteitsdynamiek. Daarnaast is het zo dat [minderjarige] het afgelopen schooljaar vaak afwezig is geweest wegens ziekte en te laat komen, hoofdzakelijk op dagen waarop [minderjarige] bij de moeder verbleef. Voor een stabiele schoolgang, rust en continuïteit is het volgens de vader in het belang van [minderjarige] om op doordeweekse dagen, of volgens een week op-week afregeling bij hem te verblijven. De vader is dan ook van mening dat het verzoek van de moeder moet worden afgewezen, en hij verzoekt zelfstandig om de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] te wijzigen naar de vader en de zorgregeling zo te wijzigen dat [minderjarige] vaker bij hem verblijft.
Overwegingen en oordeel van de rechtbank
Algemeen
Op basis van de stukken en wat op de zitting is besproken, overweegt de rechtbank als volgt. Er is sprake van een situatie waarbij [minderjarige] nu het meest verblijft bij de ouder waar hij niet naar school gaat, namelijk bij zijn moeder. Als gevolg hiervan kan [minderjarige] op de dagen dat hij bij zijn moeder verblijft niet makkelijk afspreken met vriendjes van school, terwijl hij in de woonplaats van de moeder juist beperkt sociale contacten heeft omdat hij daar niet naar school gaat. De rechtbank maakt zich zorgen over deze situatie, waarbij [minderjarige] uiteindelijk nergens een anker heeft. De moeder heeft zelf ook benoemd dat [minderjarige] volgens haar in een isolement leeft. Dat rechtbank betwijfelt echter of dat isolement in [plaats 2] is. De moeder stelt dat [minderjarige] in [plaats 2] vrijwel geen vrienden heeft, maar de leerkracht van [minderjarige] heeft in de door de vader overgelegde e-mail van 13 mei 2026 geschreven dat [minderjarige] vrienden heeft in de klas en dat hij niet alleen is tijdens het buitenspelen. De vader heeft op de zitting ook aangegeven dat [minderjarige] afspreekt met vriendjes en naar verjaardagsfeestjes gaat als hij bij hem is in [plaats 2]. Als [minderjarige] bij de moeder verblijft, komt hij daar veel minder aan toe. Uit de stelling van de moeder dat [minderjarige] meer vriendjes kan maken in [plaats 1] als hij daar naar school gaat, leidt de rechtbank af dat [minderjarige] in [plaats 1] inderdaad nu nog een beperkt sociaal leven heeft. De rechtbank gunt [minderjarige] een goede sociale ontwikkeling en een fijne tijd op school. Dat betekent in dit geval dat [minderjarige] óf naar school gaat bij de ouder waar hij het meest verblijft, namelijk bij zijn moeder, óf meer tijd verblijft bij de ouder die bij zijn huidige school woont, te weten bij zijn vader.
Vervangende toestemming wijzigen basisschool
De rechtbank zal allereerst een oordeel geven over het verzoek van de moeder om haar vervangende toestemming te verlenen voor het inschrijven van [minderjarige] op basisschool [schoolnaam] in [plaats 1]. De rechtbank stelt daarbij voorop dat zij het – net als de Raad – in beginsel niet in het belang van [minderjarige] vindt om hem voor de laatste twee schooljaren van zijn basisschool in [plaats 2] te halen, waar hij inmiddels al zes jaar naartoe gaat. De vraag is of wat de moeder heeft aangevoerd, voldoende aanleiding geeft om [minderjarige] alsnog van school te laten wisselen. Daartoe heeft de moeder allereerst naar voren gebracht dat het pestgedrag is verergerd. De rechtbank wil niet bagatelliseren wat er gebeurt, maar ziet in hetgeen is overgelegd onvoldoende aanwijzingen voor buiten proportioneel pestgedrag tegen [minderjarige]. Met de door de moeder gedane meldingen van het pestgedrag bij de politie is niet bewezen dat de meldingen op waarheid berusten. Het bevreemdt de rechtbank daarbij dat de moeder niet eerst met de ouders van [naam] zelf in gesprek is gegaan, maar direct de politie heeft ingeschakeld. Dat de ouders van [naam] goede vrienden van de vader zijn, zou dat niet anders moeten maken. De moeder kan immers de school, waar het pesten (ook) plaatsvindt, vragen om een gesprek met de ouders van [naam] te begeleiden. De overgelegde foto’s van blauwe plekken en vieze kleding overtuigen de rechtbank ook niet, omdat vieze kleding en blauwe plekken nu eenmaal voorkomen bij jongens van die leeftijd en bovendien ook nergens uit blijkt dat dit het gevolg is van pesten. Hoewel [minderjarige] bij het Sociaal Kernteam [regio] in maart 2026 heeft verteld dat een jongen hem vaak pest, waarbij de rechtbank aanneemt dat [minderjarige] hier op [naam] doelt, was [naam] lange tijd een goede vriend van [minderjarige] en is [naam] in de zomervakantie zelfs nog mee op vakantie geweest. Uit de berichten van school blijkt verder dat zij een blij kind zien dat vrienden heeft en het naar zijn zin heeft, en op zitting is namens de moeder naar voren gebracht dat is afgesproken dat [minderjarige] het bij de juf kan aangeven als hij wordt gepest, waarbij de juf vraagt of zij het moet oplossen of dat [minderjarige] het zelf wil doen. Dat [minderjarige] weinig gebruik maakt van deze mogelijkheid, zoals de school heeft verklaard, wil dus niet zeggen dat de school niets doet aan het pestgedrag. De rechtbank merkt op dat het zo kan zijn dat er strijd is tussen [naam] en [minderjarige] en dat de vriendschap niet meer is wat het is geweest, echter biedt de school hulp aan en is de rechtbank niet gebleken dat het pesten zo hevig is dat er geen andere oplossing is dan [minderjarige] van school te halen. Ook de stelling van de moeder dat [minderjarige] lijdt onder de huidige situatie en dat hij om die reden van school zou moeten wisselen, volgt de rechtbank niet. De enige onderbouwing die de moeder daarvoor heeft gegeven is wat de huisarts daarover heeft geschreven. De moeder heeft op de zitting echter bevestigd dat de huisarts dit heeft opgeschreven op basis van wat zij zelf heeft verklaard, en dat de huisarts [minderjarige] niet zelf heeft gesproken. Uit het eindverslag van Groei door Ervaring van februari 2026 blijkt dat [minderjarige] het inderdaad moeilijk heeft.. Dat dit door de situatie op school komt of door het heen en weer reizen, blijkt naar het oordeel van de rechtbank echter nergens uit. In het verslag is daarentegen vooral terug te vinden dat [minderjarige] last heeft van loyaliteitsgevoelens binnen de scheidingscontext, waarbij de belangrijkste beïnvloedende factor de systeemdynamiek is. Het siert de ouders dat zij daaraan gaan werken, zoals hieronder is vermeld.
Gelet op wat hiervoor is overwogen ziet de rechtbank in wat de moeder naar voren heeft gebracht onvoldoende redenen om [minderjarige] te laten wijzigen van basisschool. De rechtbank zal het verzoek van de moeder om haar vervangende toestemming te verlenen voor de inschrijving van [minderjarige] op basisschool [schoolnaam] in [plaats 1] dan ook afwijzen.
Wijzigen hoofdverblijfplaats en zorgregeling
Omdat het verzoek van de moeder tot wijziging van de basisschool zal worden afgewezen, betekent dit dat [minderjarige] naar de basisschool in [plaats 2] zal blijven gaan. Zoals de rechtbank hiervoor al overwoog gunt zij [minderjarige] een goede sociale ontwikkeling en een fijne tijd op school. Het belang van [minderjarige] brengt naar het oordeel van de rechtbank met zich mee dat hij meer tijd zal doorbrengen bij de ouder die bij zijn school woont, en dat is de vader. Voor een beperking van de zorgregeling met de moeder naar een weekendregeling en het wijzigen van de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] naar de vader, zoals de vader primair heeft verzocht, ziet de rechtbank evenmin aanleiding. [minderjarige] heeft tot nu toe zijn hoofdverblijf gehad bij de moeder en de rechtbank ziet geen reden om daar verandering in te brengen. Het beperken van het contact tussen de moeder en [minderjarige] naar de weekenden acht de rechtbank evenmin in zijn belang. [minderjarige] is hecht met zijn moeder en heeft bij het Sociaal Wijkteam gezegd dat hij het beste met zijn moeder kan praten. Wat daarvan ook zij, is dat hoe het nu is. [minderjarige] dan nog slechts om de week een (lang) weekend bij de moeder laten doorbrengen, is niet wenselijk. De daartoe strekkende verzoeken van de vader zal de rechtbank dan ook afwijzen.
Dan resteert het subsidiaire verzoek van de vader ten aanzien van de zorgregeling, namelijk het wijzigen van de zorgregeling naar een week op-week afregeling met het wisselmoment op maandagmiddag uit school. De rechtbank overweegt dat [minderjarige] met deze regeling twee dagen per twee weken meer bij de vader verblijft dan in de huidige regeling, waardoor er meer gelegenheid bestaat voor [minderjarige] om aan het school- en sociale leven er omheen deel te nemen. Ook wordt het heen en weer reizen van [minderjarige] met deze regeling beperkt, ook al zal [minderjarige] in de week dat hij bij de moeder verblijft nog wel op en neer moeten blijven reizen. Het is de rechtbank echter niet gebleken dat het voor de moeder niet mogelijk is om [minderjarige] te brengen en halen naar de school in [plaats 2]. Zij heeft alleen gesteld dat de reistijd te belastend is voor [minderjarige]. De rechtbank overweegt dat die reistijd met deze regeling in ieder geval wordt beperkt naar een week per twee weken, in plaats van het merendeel van de schooldagen. De rechtbank laat ook meewegen dat [minderjarige] erg veel verzuimt van school in de tijd dat hij bij de moeder is, zelfs zoveel dat de leerplichtambtenaar is betrokken. De rechtbank kan zich niet aan de indruk onttrekken dat het verzuim mede wordt veroorzaakt door de afstand tussen de woning van de moeder en de school. De rechtbank maakt zich zorgen om dit schoolverzuim, maar laat deze zorg niet opwegen tegen het belang van regelmatig contact tussen de moeder en [minderjarige]. Alles afwegende ziet de rechtbank aanleiding om het subsidiaire verzoek van de vader toe te wijzen, en zij zal de zorgregeling dus wijzigen in die zin dat [minderjarige] volgens een week op-week afregeling bij beide ouders verblijft met het wisselmoment op maandag via school.
Verwijzing naar ouderschapsbemiddeling (Uniform Hulpaanbod)
Beide ouders hebben op de zitting de bereidheid uitgesproken om deel te nemen aan het traject ouderschapsbemiddeling. De rechtbank acht het van groot belang voor [minderjarige] dat beide ouders zich hiervoor zullen inzetten. Zoals hierboven vermeld blijkt uit het eindverslag van Groei door Ervaring dat de communicatie tussen de ouders soms via [minderjarige] verloopt, wat invloed heeft op [minderjarige]. Ook blijkt [minderjarige] bekneld te zitten tussen de ouders, die ieder hun eigen waarheid hebben en vooral de ander de schuld geven van de problemen die er spelen. Benadrukt is dat de ouders de uitspraken die [minderjarige] doet, moeten plaatsen binnen de ontwikkelingsfase en loyaliteitsdynamiek van [minderjarige], omdat hij uitspraken kan doen die door iedere ouders verschillend geïnterpreteerd kunnen worden. Bij afsluiting van het traject is aan de ouders geadviseerd om [minderjarige] niet te belasten met communicatie over de andere ouder en gesprekken hierover alleen gezamenlijk of buiten [minderjarige] te voeren. Ook is ouderbegeleiding geadviseerd, gericht op verbetering van de onderlinge communicatie. Ook de rechtbank acht het van belang, met name ook gelet op de nieuwe co-ouderschapsregeling, dat de ouders goed met elkaar communiceren.
De rechtbank zal de ouders in de gelegenheid stellen deel te nemen aan het traject ouderschapsbemiddeling, zoals blijkt uit het proces-verbaal van doorverwijzing dat aan deze beschikking is gehecht. Dit proces-verbaal is al per email verzonden naar Gemeenschappelijke Regeling Jeugd en Wmo (GR JW) voor deelname aan voornoemd traject en/of training en aanmelding bij de betreffende uitvoerende hulpverleningsinstantie. De rechtbank zal (een kennisgeving van) deze beschikking per post zenden aan Gemeenschappelijke Regeling Jeugd en Wmo (GR JW).
De rechtbank zal de ouders bij eindbeschikking verwijzen naar het hulpverleningstraject, zodat het niet nodig is dat de hulpverleningsinstantie een (eind)rapportage over het verloop van het traject indient.
Brief aan [minderjarige]
De rechtbank heeft [minderjarige] een brief geschreven om hem te laten weten wat er is gebeurd na het gesprek dat zij hadden. Dit is de inhoud van die brief:
“Beste [minderjarige],
Op 3 september hebben wij elkaar gesproken. Op diezelfde dag heb ik ook met je ouders gesproken. Ik heb jou beloofd je uit te leggen wat ik heb beslist. Dat doe ik met deze brief.
Jouw ouders willen allebei dat jij gelukkig bent en dat jij opgroeit tot een leuke jongeman. Zij hebben allebei ideeën over hoe dat moet. Zoals jij wel merkt, zijn jouw ouders het hierover niet altijd eens met elkaar. Zij vinden het moeilijk om daar met elkaar over te praten en dan een oplossing te vinden. Dat is niet jouw schuld. Jij kunt er niets aan doen en jij kunt het ook niet veranderen. Soms loopt het zo tussen gescheiden ouders, hoe verdrietig dat ook is.
Omdat jouw ouders het niet met elkaar eens zijn, heb ik beslist hoe het verder moet nu. Ik heb heel goed geluisterd naar jou en alle anderen. Het belangrijkste was voor mij dat het nu niet fijn voor jou is dat de plek waar je het meeste woont best een eind weg is van je school. Dat moet anders.
Je blijft op de school waar je nu zit. Daar ga je al heel lang naartoe en daar ken je iedereen. Je wordt daar ook gepest, vertelde jij aan die mevrouw waar je eerder mee sprak. Dat is natuurlijk helemaal niet leuk. Zeker niet als dat door iemand is die eerder je beste vriend was. Ik wil je vragen om erover te praten. Jouw juf of meester wil jou daar echt bij helpen. Net als je moeder en je vader. En als je vindt dat zij niet goed helpen en dat je er niets aan hebt, mag je dat ook zeggen. Zul je dat doen? Een andere school vind ik geen goede oplossing. Op elke school gebeuren dingen die niet leuk zijn. Het is niet goed om dan weg te rennen.
Omdat het leuk en fijn voor je is als je wat meer kunt afspreken met vriendjes, en naar hun verjaardagsfeestjes kunt gaan en ook je eigen verjaardag met vriendjes kunt vieren, is het beter als je wat vaker bij school in de buurt bent. Daarom blijf je voortaan wat langer bij je vader. Niet meer van woensdag tot maandag, maar van maandag tot maandag. Een hele week dus. Na een week bij je vader ben je dan weer een week bij je moeder.
Jij hebt eerder ook aan die andere mevrouw verteld dat de vriendin van jouw vader soms dingen zegt die jij niet leuk vindt. Over je moeder, of over jou. Dat is niet de bedoeling. Ook daarover kun je met je juf of meester praten. Ik hoop dat dat niet nodig is en dat de vriendin van je vader dat gewoon niet meer doet.
Misschien moet je even wennen aan het idee dat je op deze school blijft en steeds een week bij je vader bent. Dat begrijp ik heel goed. Ik hoop dat je het een kans wil geven. Gewoon proberen. Dan gaat het misschien wel wennen. Ik gun jou in ieder geval een leuke tijd in groep 7 en 8, met veel tijd voor vriendjes.
Hartelijke groetjes, de kinderrechter”
Proceskosten
De rechtbank ziet in het door de vader gestelde geen reden om de moeder te veroordelen in de volledige proceskosten, zoals hij heeft verzocht en waartegen de moeder verweer heeft gevoerd. De vader heeft immers zelf ook gebruik gemaakt van deze procedure door eigen verzoeken in te dienen. De rechtbank zal daarom zoals gebruikelijk in familierechtelijke procedures de proceskosten compenseren, in die zin dat ieder de eigen proceskosten draagt.
Beslissing
De rechtbank – met wijziging in zoverre van de beschikking van deze rechtbank van 21 november 2023 – :
*
verklaart de moeder niet ontvankelijk in haar verzoek om de zorgregeling te wijzigen;
*
bepaalt dat de minderjarige [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2015 in [geboorteplaats], afwisselend een volledige week bij de moeder (even weken) en een volledige week bij de vader (oneven weken) verblijft, met het wisselmoment op maandag via school;
*
stelt vast dat de ouders, te weten:
[de moeder],
wonende te [adres 1],
en
[de vader],
wonende te [adres 2],
bij (aangehecht) proces-verbaal van doorverwijzing zijn verwezen naar(De Rotterdamse omgangsbegeleiding voorziet blijkens haar folder in omgangsbegeleiding voor de duur van in beginsel maximaal zes maanden, overeenkomend met acht à negen contacten.) Gemeenschappelijke Regeling Jeugd en Wmo (GR JW) voor deelname aan het traject Ouderschapsbemiddeling en voor aanmelding bij de uitvoerende hulpverleningsinstantie;
beveelt de griffier binnen twee dagen na heden een afschrift van (de kennisgeving van) deze beschikking te zenden naar:
Gemeenschappelijke Regeling Jeugd en Wmo (GR JW) per beveiligde e-mail naar retmh@grjw.nl;
stelt vast dat de ouders bij eindbeschikking zijn verwezen naar het hulpverleningstraject, zodat het niet nodig is dat de uitvoerende hulpverleningsinstantie de rechtbank (tussentijds) rapporteert over het verloop van voornoemd traject;
*
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
*
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;
*
wijst af het meer of anders verzochte.
| Deze beschikking is gegeven door mr. C. Witteman, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. M.I. Noordegraaf als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 18 september 2026. |
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.