Uitspraak · Personen- en familierecht

Rechtbank Den Haag, 18 september 2026

ECLI:NL:RBDHA:2026:30674Zaaknummer C/09/696418 / FA RK 25-9626

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
18 september 2026
Publicatiedatum
23 oktober 2026
Zaaknummer
C/09/696418 / FA RK 25-9626
Rechtsgebied
Civiel recht, Personen- en familierecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig, Beschikking
Zittingsplaats
Den Haag
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Wijziging hoofdverblijfplaats en wijziging kinderalimentatie. Overeenstemming partijen tijdens de zitting over bedrag kali, maar niet over de ingangsdatum.

De rechtbank:

*

bepaalt de hoofdverblijfplaats van de minderjarige [de minderjarige 1], geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedatum 1] 2013, met ingang van 22 september 2026 bij de man;

*

bepaalt dat [de minderjarige 1], na het herstelgesprek met de vrouw, om de week een weekend bij de vrouw zal zijn, waarbij in het herstelgesprek zal worden bezien of een opbouw daartoe noodzakelijk is;

*

bepaalt de door de vrouw met ingang van 18 december 2025 te betalen kinderalimentatie ten behoeve van [de minderjarige 1] op € 35,- per maand, met ingang van heden bij vooruitbetaling te voldoen;

*

verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. C. Witteman, (kinder)rechter, bijgestaan door mr. T.A.L. Ravenhorst als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 18 september 2026.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. Wijziging hoofdverblijfplaats en wijziging kinderalimentatie
  2. Procedure
  3. Feiten
  4. Verzoek en verweer
  5. Beoordeling
  6. Beslissing

Rechtbank DEN HAAG

Enkelvoudige kamer

Rekestnummer: FA RK 25-9626

Zaaknummer: C/09/696418

Datum beschikking: 18 september 2026

Wijziging hoofdverblijfplaats en wijziging kinderalimentatie

Beschikking op het op 18 december 2025 ingekomen verzoek van:

[de man],

de man,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. W.N. Sardjoe te ’s-Gravenhage.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vrouw],

de vrouw,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. C. van der Zalm te ‘s-Gravenhage.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

­ het verzoekschrift, met bijlagen;

­ het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek, met bijlagen;

­ het F9-formulier van 5 maart 2026 van de zijde van de vrouw, met bijlage;

­ het verweer tegen het zelfstandig verzoek, met bijlagen;

­ het F9-formulier van 24 maart 2026 van de zijde van de man;

­ het F9-formulier van 26 maart 2026 van de zijde van de vrouw;

­ het F9-formulier van 27 augustus 2026 van de zijde van de man, met bijlagen;

­ het F9-formulier van 28 augustus 2026 van de zijde van de vrouw, met bijlagen.

De minderjarige [de minderjarige 1] heeft in raadkamer zijn mening gegeven over het verzoek.

Op 8 september 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:

  • de man, bijgestaan door mr. N. Grijmans, waarnemend voor zijn advocaat;
  • de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
  • [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad).

Feiten

­ Partijen zijn gehuwd geweest van [datum 1] 2006 tot [datum 2] 2015.

­ Zij zijn de ouders van het volgende minderjarige kind:

- [de minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2013 te [geboorteplaats 1],

­ Zij zijn ook de ouders van het jongmeerderjarige kind:

- [de jongmeerderjarige], geboren op [geboortedatum 2] 2007 te [geboorteplaats 1].

­ De ouders zijn gezamenlijk belast met het gezag over [de minderjarige 1].

­ [de minderjarige 1] staat ingeschreven op het woonadres van de man.

­ Bij beschikking van deze rechtbank van 20 januari 2015 is – voor zover hier van belang – de echtscheiding tussen partijen uitgesproken.

­ Bij beschikking van deze rechtbank van 19 januari 2016 is de door de man met ingang van 1 november 2015 te betalen bijdrage ter voorziening in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen:

- [de jongmeerderjarige], geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedatum 2] 2007;

- [de minderjarige 1], geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedatum 1] 2013;

op nihil gesteld.

­ Bij beschikking van deze rechtbank van 14 januari 2021 is de door de man met ingang van 8 mei 2020 te betalen alimentatie ten behoeve van de minderjarige [de jongmeerderjarige], geboren op [geboortedatum 2] 2007 te [geboorteplaats 1], op € 132,00 per maand gesteld en ten behoeve van [de minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2013 te [geboorteplaats 1] op € 124,- per maand, vanaf de ingangsdatum telkens bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen.

­ De vrouw is ook de ouder van de minderjarige [de minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 3] 2015 te [geboorteplaats 1].

­ De man is ook de ouder van de minderjarigen:

- [de minderjarige 3], geboren op [geboortedatum 4] 2019 te [geboorteplaats 2],

- [de minderjarige 4], geboren op [geboortedatum 5] 2023 te [geboorteplaats 2].

Verzoek en verweer

Het verzoek van de man luidt, na wijziging:

­ ten aanzien van de hoofdverblijfplaats:

- te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige 1] bij de man zal zijn vanaf 22 september

2025, althans een datum die de rechtbank redelijk acht;

­ ten aanzien van de kinderalimentatie:

- te bepalen dat de bij de beschikking van deze rechtbank van 14 januari 2021 bepaalde

kinderalimentatie ter hoogte van € 124,- voor [de minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2013 te [geboorteplaats 1] wordt beëindigd met ingang van 1 oktober 2025;

- primair: te bepalen dat de vrouw aan de man moet voldoen een bedrag aan kinderalimentatie ten aanzien van [de minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2013 te [geboorteplaats 1] ter hoogte van € 207,- met ingang van 1 oktober 2025, althans op zodanig bedrag en met zodanige datum als de rechtbank redelijk acht;

- subsidiair: te bepalen dat de vrouw aan de man moet voldoen een bedrag aan kinderalimentatie ten aanzien van [de minderjarige 1] ter hoogte van € 125,- met ingang van 1 oktober 2025, althans op zodanig bedrag en met zodanige datum als de rechtbank redelijk acht,

een en ander uitvoerbaar bij voorraad.

De vrouw voert verweer dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Daarnaast heeft de vrouw zelfstandig verzocht, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

­ te bepalen dat het contact en de omgang tussen de vrouw en [de minderjarige 1] zal worden hersteld en opgebouwd onder begeleiding van een hulpverleningsinstantie, waarbij de wijze van de omgang, zoals de duur, frequentie, opbouw en uitbreiding van de omgangsmomenten door deze hulpverleningsinstantie zullen worden bepaald.

Beoordeling

Wijziging hoofdverblijfplaats

In artikel 1:253a, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) is bepaald dat in geval van gezamenlijke uitoefening van het gezag geschillen hieromtrent op verzoek van de ouders of van een van hen aan de rechtbank kunnen worden voorgelegd. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt.

In het tweede lid van dit artikel is bepaald dat de rechtbank eveneens op verzoek van de ouders of een van hen een regeling kan vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag. Deze regeling kan omvatten

( a) een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken en

( b) de beslissing bij welke ouder het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft.

Inhoudelijke beoordeling

Sinds 22 september 2025 staat [de minderjarige 1] op het adres van de man ingeschreven. Feitelijk is de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige 1] dus al bijna een jaar bij de man. Om die reden verzoekt de man om de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige 1] bij de man te bepalen sinds de datum van inschrijving op zijn woonadres. De vrouw heeft er geen bezwaar tegen dat de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige 1] bij de man wordt bepaald en verzoekt het verzoek van de man toe te wijzen.

De rechtbank acht het in het belang van [de minderjarige 1] dat de juridische situatie in overeenstemming wordt gebracht met de feitelijke situatie en zal derhalve het verzoek om de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige 1] bij de man te bepalen, toewijzen.

Vaststelling zorgregeling

Wettelijk kader

Op grond van artikel 1:253a tweede lid onder a BW kan de rechtbank op verzoek van de ouders of van één van hen een zorgregeling vaststellen. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt.

Standpunt vrouw

De vrouw stelt dat de opvoedsituatie met [de minderjarige 1] tijdens zijn verblijf bij haar onder druk kwam te staan door grensoverschrijdend en soms fysiek agressief gedrag van [de minderjarige 1], ook richting zijn broertje [de minderjarige 2]. Zij voelde zich ondermijnd in haar ouderrol. Daarom is [de minderjarige 1] bij de man gaan wonen, wat overigens volgens haar niets afdoet aan haar betrokkenheid als moeder. Sinds 22 september 2025, dus sinds de verhuizing van [de minderjarige 1] naar de man, is er geen contact meer tussen de vrouw en [de minderjarige 1]. Zij zegt dat zij herhaaldelijk heeft geprobeerd het contact te herstellen, maar dat de man dit tegenhoudt en haar ook geen informatie over [de minderjarige 1] geeft. Volgens haar werkt de man niet mee aan herstel van het contact en weigert hij ook passende hulpverlening via Delft Support, terwijl dat juist zou kunnen helpen.

De vrouw vindt dat contactherstel in het belang van [de minderjarige 1] is. Zij wijst erop dat hij 13 jaar is en in een kwetsbare ontwikkelingsfase zit, en dat langdurig geen contact kan leiden tot vervreemding, loyaliteitsconflicten en hechtingsproblemen. Omdat [de minderjarige 1] ADHD en autismekenmerken zou hebben, wil de vrouw dat het contact zorgvuldig en gefaseerd wordt opgebouwd met hulpverlening.

Standpunt man

De man geeft een andere invulling aan het ontbreken van omgang tussen [de minderjarige 1] en de vrouw, maar stelt ook het belang van [de minderjarige 1] voorop. Hij wil vooral rust voor [de minderjarige 1] en wil, gezien zijn kwetsbaarheid, meewerken aan het herstel van contact via een hulpverleningsinstantie. Daarom vraagt hij de rechtbank het verzoek van de vrouw toe te wijzen.

Inhoudelijke beoordeling

Tijdens de zitting is met beide partijen gesproken over de mogelijkheid van herstel van het contact en het vaststellen van een zorgregeling. Voorop staat dat [de minderjarige 1] in het kindgesprek heeft aangegeven dat hij zijn moeder graag weer wil zien, het liefst om het weekend. Dat kan volgens hem zonder begeleiding. [de minderjarige 1] wil de regeling graag flexibel inrichten, waarbij hij ook kan bepalen om een keer niet te gaan, als hij liever naar zijn oma wil of wil vissen in het weekend. [de minderjarige 1] heeft ook aangegeven het fijn te vinden als er eerst een gesprek plaatsvindt tussen hem en zijn moeder, waarin zij het kunnen hebben over de reden dat [de minderjarige 1] bij zijn vader is gaan wonen. [de minderjarige 1] weet namelijk zelf niet goed waarom dat was en kon alleen aan de kinderrechter vertellen dat hij op een dag bij moeder thuis de trap af kwam en toen weg moest gaan.

De man heeft verklaard dat [de minderjarige 1] goed in staat is om zijn wensen aan te geven en wil daarin meegaan. De vrouw heeft aangegeven dat zij erg blij is met de wens van [de minderjarige 1] om haar weer te willen zien. Wel benoemde de vrouw tijdens de zitting dat zij voorzichtig met de zorgregeling wil starten, gelet op de verstreken tijd waarin zij [de minderjarige 1] niet heeft gezien en gelet op wat er is gebeurd. De Raad heeft op zitting aan de vrouw meegegeven daar vertrouwen in te hebben en de vrouw geadviseerd om de wens van [de minderjarige 1] om zijn moeder weer te zien juist te omarmen.

Gelet op bovenstaande acht de rechtbank het van belang dat de zorgregeling tussen [de minderjarige 1] en de vrouw wordt gestart. Alvorens die op te starten, stelt de rechtbank voor dat er een begeleid herstelgesprek tussen [de minderjarige 1] en de vrouw plaatsvindt, zoals ook op zitting is besproken. In dat gesprek kan, onder begeleiding van een hulpverlener, mede worden bezien of het noodzakelijk of wenselijk is om de zorgregeling op te bouwen. Ook is er ruimte om over en weer te leren begrijpen wat er heeft gespeeld waardoor het contact tussen [de minderjarige 1] en de vrouw een jaar geleden is gestopt, zonder daarmee te veel te blijven hangen in het verleden. Verder merkt de rechtbank op dat [de minderjarige 1] het belangrijk vindt om de zorgregeling met enige flexibiliteit in te vullen. Ook dat kan onderwerp van gesprek zijn tijdens het herstelgesprek.

Uit het besprokene op zitting is gebleken dat er verschillende hulpverleners bij de vrouw betrokken zijn die het herstelgesprek zouden kunnen begeleiden. De rechtbank gaat ervan uit dat de vrouw de begeleiding bij het herstelgesprek bij de betrokken hulpverlening zal aanvragen.

De rechtbank stelt een zorgregeling vast waarbij [de minderjarige 1], al dan niet met opbouw, onbegeleid om het weekend een weekend bij de vrouw verblijft. Voordat de zorgregeling start, vindt er een begeleid herstelgesprek plaats. Of het noodzakelijk is om een opbouwregeling vast te stellen, laat de rechtbank bij de vrouw en [de minderjarige 1] om te bespreken tijdens het herstelgesprek. Van belang is dat wordt aangesloten bij de wensen van [de minderjarige 1] en de vrouw en dat in ieder geval wordt toegewerkt naar de vastgestelde regeling.

Wijziging kinderalimentatie

Ontvankelijkheid

Op grond van artikel 1:401 eerste lid BW kan een rechterlijke uitspraak of een overeenkomst betreffende levensonderhoud bij latere rechterlijke uitspraak worden gewijzigd of ingetrokken, wanneer zij nadien door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen.

Het moet hierbij gaan om een wijziging van de omstandigheden, zoals die door de rechter op het moment van de beslissing is vastgesteld, dan wel van de omstandigheden waarvan partijen op dat moment zijn uitgegaan. Hierna moet zich dus een wijziging in die omstandigheden hebben voorgedaan of sprake zijn van nieuwe omstandigheden waarmee eerder geen rekening had kunnen worden gehouden. Niet iedere wijziging van omstandigheden is voldoende voor een wijziging van de overeengekomen alimentatie. Het moet gaan om een wijziging waardoor het aanvankelijk overeengekomen bedrag niet meer aan de wettelijke maatstaven voldoet.

Niet in geschil is dat de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige 1] is gewijzigd, zodat is er sprake van een wijziging van omstandigheden.

De rechtbank zal daarom de man ontvangen in het verzoek en hierna overgaan tot een inhoudelijke beoordeling om te onderzoeken of, en zo ja, in hoeverre de wijzigingsgrondslag leidt tot een wijziging van de rechterlijke uitspraak.

Inhoudelijke beoordeling

Partijen zijn tijdens de zitting overeengekomen dat de vrouw een bedrag van € 35,- per maand aan de man betaalt als kinderalimentatie ten behoeve van [de minderjarige 1]. Over de ingangsdatum konden partijen het niet eens worden. De rechtbank dient hier dan ook nog op te beslissen.

Ingangsdatum

De rechtbank stelt voorop dat zij op grond van artikel 1:402 BW een grote mate van vrijheid heeft bij het vaststellen van de ingangsdatum. Drie data liggen het meest voor de hand: de datum van het inleidend verzoek, de datum waarop de rechter beslist of de datum waarop de omstandigheden intreden die voor de onderhoudsverplichting bepalend zijn.

De rechter kan een bijdrage vaststellen over een periode in het verleden, maar moet daar terughoudend mee omgaan omdat dit ingrijpende gevolgen voor partijen kan hebben. Mede gelet hierop is gebruikelijk dat de ingangsdatum van een wijziging van de alimentatieverplichting wordt bepaald op de datum van indiening van het verzoek bij de griffie van de rechtbank (in deze zaak 18 december 2025), tenzij er omstandigheden zijn die aanleiding geven anders te beslissen. De rechtbank overweegt dat de vrouw op de datum van indiening van het verzoekschrift bekend is geworden met het feit dat van haar een onderhoudsbijdrage werd verlangd. Vanaf dat moment had zij daarmee rekening kunnen en moeten houden. De rechtbank zal daarom de datum van indiening van het verzoekschrift bij de griffie van de rechtbank aanmerken als ingangsdatum van de wijziging.

Beslissing

De rechtbank:

*

bepaalt de hoofdverblijfplaats van de minderjarige [de minderjarige 1], geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedatum 1] 2013, met ingang van 22 september 2026 bij de man;

*

bepaalt dat [de minderjarige 1], na het herstelgesprek met de vrouw, om de week een weekend bij de vrouw zal zijn, waarbij in het herstelgesprek zal worden bezien of een opbouw daartoe noodzakelijk is;

*

bepaalt de door de vrouw met ingang van 18 december 2025 te betalen kinderalimentatie ten behoeve van [de minderjarige 1] op € 35,- per maand, met ingang van heden bij vooruitbetaling te voldoen;

*

verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. C. Witteman, (kinder)rechter, bijgestaan door mr. T.A.L. Ravenhorst als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 18 september 2026.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.