Uitspraak · Personen- en familierecht
Rechtbank Den Haag, 18 september 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:30671Zaaknummer C/09/696883 / FA RK 25-9904
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum uitspraak
- 18 september 2026
- Publicatiedatum
- 23 oktober 2026
- Zaaknummer
- C/09/696883 / FA RK 25-9904
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Personen- en familierecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig, Beschikking
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Toewijzing gezamenlijk gezag, vaststelling kinderalimentatie, verwijzing UHA ouderschapsbemiddeling, vaststelling zorgregeling.
De rechtbank:
in de zaak met zaak- en rekestnummer C/09/698191 en FA RK 26-642:
*
bepaalt dat voortaan aan de man en de vrouw gezamenlijk het gezag zal toekomen over de minderjarigen:
- [de minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2013 te [geboorteplaats 1];
- [de minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2015 te [geboorteplaats 1];
*
bepaalt de door de man met ingang van 18 september 2026 te betalen kinderalimentatie ten behoeve van de minderjarigen [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] op € 159,- per kind per maand, vanaf heden telkens bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen;
*
stelt vast dat partijen, te weten:
[de vrouw],
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
en
[de man],
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
bij (aangehecht) proces-verbaal van doorverwijzing zijn verwezen naar het Kenniscentrum Kind en Scheiding voor deelname aan het hulpverleningstraject Ouderschapsbemiddeling, en voor aanmelding bij de uitvoerende hulpverleningsinstantie;
beveelt de griffier binnen twee dagen na heden een afschrift van de kennisgeving van deze beschikking te zenden naar Kenniscentrum Kind en Scheiding, Albertus de Oudelaan 1, 2273 CW Voorburg;
stelt vast dat partijen bij eindbeslissing zijn verwezen naar het hulpverleningstraject, zodat het niet nodig is dat de uitvoerende hulpverleningsinstantie de rechtbank (tussentijds) rapporteert over het verloop van voornoemd traject;
in de zaak met zaak- en rekestnummer C/09/696883 en FA RK 25-9904:
*
stelt vast een zorgregeling voor de minderjarigen:
- [de minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2013 te [geboorteplaats 1];
- [de minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2015 te [geboorteplaats 1],
waarbij:
- de minderjarigen in de eerste week op maandag en dinsdag bij de man verblijven, met overnachting;
- de weekenden afwisselend worden verdeeld;
- in de tweede week, wanneer het weekend van de man valt, de minderjarigen van vrijdag tot dinsdagavond bij de man verblijven;
- de ouder bij wie de kinderen op dat moment verblijven, hen naar de ijshockeytraining brengt;
*
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
| Deze beschikking is gegeven door mr. C. Witteman, (kinder)rechter, bijgestaan door mr. T.A.L. Ravenhorst als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 18 september 2026. |
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 25-9904 en FA RK 26-642
Zaaknummer: C/09/696883 en C/09/698191
Datum beschikking: 18 september 2026
Gezag, omgang c.q. verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en kinderalimentatie
Beschikking op de op 29 december 2025 en op 15 januari 2026 ingekomen verzoeken van:
[de vrouw],
de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. S.K. Gopal te [geboorteplaats 1].
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de man],
de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. J.G. Schnoor te [geboorteplaats 1].
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken waaronder:
In de zaak met zaak- en rekestnummer C/09/696883 en FA RK 22-9904:
- het verzoekschrift, met bijlagen;
het F9-formulier van 9 juli 2026 van de zijde van de vrouw;
het F9-formulier van 20 augustus 2026 van de zijde van de vrouw, met bijlagen.
In de zaak met zaak- en rekestnummer C/09/698191C/09/696883 en FA RK 26-642:
het verzoekschrift, met bijlagen;
het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek, met bijlagen;
het F9-formulier van 9 juli 2026 van de zijde van de vrouw;
het F9-formulier van 18 augustus 2026 van de zijde van de man, met bijlagen;
het F9-formulier van 21 augustus van de zijde van de vrouw, met bijlagen.
In beide zaken:
De minderjarigen [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] hebben zich in raadkamer uitgelaten over het verzoek.
Op 1 september 2026 zijn de zaken gecombineerd op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
- de man, bijgestaan door zijn advocaat;
- [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming.
Feiten
Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.
Zij zijn de ouders van de volgende nog minderjarige kinderen:
- [de minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2013 te [geboorteplaats 1],
- [de minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2015 te [geboorteplaats 1].
De man heeft de kinderen erkend.
[de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] wonen bij de vrouw.
De vrouw is van rechtswege alleen met het ouderlijk gezag over [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] belast.
De man is ook de ouder van de volgende jong-meerderjarige:
- [de jong-meerderjarige], geboren op [geboortedatum 3] 2006 te [geboorteplaats 2].
Verzoek en verweer
In de zaak met zaak- en rekestnummer C/09/696883 en FA RK 25-9904:
De vrouw verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
een omgangsregeling vast te stellen waarbij de omgang wekelijks en voor de schoolvakanties is vastgelegd.
In de zaak met zaak- en rekestnummer C/09/698191 en FA RK 26-642:
De vrouw verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
vast te stellen dat de man een bijdrage in de kosten van opvoeding en het levensonderhoud dient te voldoen van € 1.030,- per maand aldus € 565,- per maand per kind bij vooruitbetaling dan wel dat deze rechtbank zelf een bijdrage in de kosten van levensonderhoud vaststelt.
In beide zaken:
De man voert verweer dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Tevens heeft de man zelfstandig verzocht, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
te bepalen dat de man samen met de vrouw het ouderlijk gezag zal uitoefenen over de minderjarige kinderen [de minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2013 te [geboorteplaats 1] en [de minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2015 te [geboorteplaats 1];
een zorgregeling vast te stellen waarbij de zorgtaken tussen de ouders gelijkelijk zullen zijn verdeeld, in die zin dat de kinderen elke maandag en dinsdag bij de man verblijven, alsmede de vrijdag en de kinderen in de weekenden om en om bij de vrouw en de man verblijven, althans een dusdanige co-ouderschapsregeling c.q. zorgregeling vast te stellen als deze rechtbank meent dat in goede justitie zal behoren, waarbij ook de vakanties bij helfte tussen partijen dienen te worden verdeeld.
Beoordeling
Gezag
Wettelijk kader
Op grond van artikel 1:253c lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de man, die tot het gezag bevoegd is en nooit het gezag gezamenlijk met de vrouw uit wie het kind is geboren heeft uitgeoefend, de rechtbank verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag te belasten. Het verzoek om de ouders met het gezamenlijk gezag te belasten wordt slechts afgewezen indien er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of indien afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
Het uitgangspunt van de wet is dat het gezag over een kind gezamenlijk door de ouders wordt uitgeoefend. Voor gezamenlijk gezag is echter wel vereist dat de ouders in staat zijn tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening en dat zij beslissingen van enig belang over het kind in gezamenlijk overleg kunnen nemen, althans ten minste in staat zijn vooraf afspraken te maken over situaties die zich rond het kind kunnen voordoen.
Standpunt man
De man stelt dat er na de erkenning van de kinderen nooit over het gezag is gesproken en dat dat ook niet nodig was, nu partijen een goede relatie hadden. Er zijn geen contra-indicaties om het gezamenlijk gezag aan partijen toe te kennen, volgens de man. Hij draagt intensief de zorg voor de kinderen en begeleidt hen vrijwel dagelijks naar school en sportevenementen.
Standpunt vrouw
De vrouw stelt dat de man haar gezag ondermijnt. De man neemt zelf beslissingen die hij niet met haar bespreekt en bespreekt ook volwassen zaken met de kinderen. Zij doet pogingen om met de man in gesprek te treden, maar volgens de vrouw is dat niet mogelijk. Bovendien hebben de ouders verschillende ideeën over de invulling van het ouderschap. Communicatie tussen de ouders ontaardt telkens in conflicten, scheldpartijen en spanningen. Mede doordat de man een andere financiële positie heeft, voelt de vrouw zich achtergesteld en gediskwalificeerd als moeder. Gelet op het voorgaande is de vrouw van mening dat een onaanvaardbaar risico bestaat dat [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] klem of verloren zullen raken tussen de ouders bij toewijzing van het verzoek van de man.
Inhoudelijke beoordeling
De rechtbank stelt bij haar beoordeling voorop dat het uitgangspunt van de wetgever is dat de ouders samen het gezag over hun kinderen uitoefenen, omdat dit in het belang van het kind wordt geacht. Hiervoor is wel vereist dat partijen daadwerkelijk in staat zijn tot een behoorlijk overleg over zaken die de kinderen aangaan en dat zij beslissingen van enig belang over hun kinderen in gezamenlijk overleg kunnen nemen, althans in staat zijn afspraken te maken over situaties die zich rond de kinderen (kunnen) voordoen. Hoewel de communicatie tussen partijen en het onderlinge vertrouwen (nog) verstoord zijn en partijen het niet eens zijn over elkaars opvoedstijl, zijn er naar het oordeel van de rechtbank geen feiten of omstandigheden komen vast te staan waaruit blijkt dat gezamenlijke gezagsuitoefening tot situaties leidt waarin de kinderen klem of verloren zullen raken of anderszins in hun belangen worden geschaad. Daartoe heeft de moeder onvoldoende gesteld en onderbouwd. De rechtbank neemt daarbij mee dat uit de kindgesprekken is gebleken dat het de ouders goed lukt om afspraken te maken over de begeleiding van en naar ijshockeywedstrijden in het weekend, wanneer [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] naar verschillende delen van het land moeten. Daaruit concludeert de rechtbank dat het niet alleen maar conflictueus en gespannen is als ouders iets met elkaar moeten afspreken. Daar komt bij dat partijen zullen worden doorverwezen naar het traject Ouderschapsbemiddeling, onder meer om hun onderlinge communicatie in het belang van de kinderen verder te verbeteren en om te leren om hun ouderschap over de kinderen samen vorm te geven. De rechtbank acht het in het belang van de kinderen dat partijen deze gesprekken op basis van gelijkwaardigheid met elkaar aan kunnen gaan. De rechtbank zal het verzoek van de man om hem mede met het gezag over de kinderen te belasten daarom toewijzen.
Ouderschapsbemiddeling
Beide partijen hebben op de zitting de bereidheid uitgesproken om deel te nemen aan het traject Ouderschapsbemiddeling om te gaan werken aan de verbetering van hun onderlinge communicatie. De rechtbank zal partijen in de gelegenheid stellen deel te nemen aan dit traject, zoals blijkt uit het proces-verbaal van doorverwijzing dat aan deze beschikking is gehecht. Zij kunnen gedurende de Ouderschapsbemiddeling proberen het verleden een plek te geven en te bespreken op welke wijze zij samen vorm willen geven aan het ouderschap.
Het proces-verbaal is al per e-mail verzonden naar Kenniscentrum Kind en Scheiding voor deelname aan voornoemd traject en aanmelding bij de betreffende uitvoerende hulpverleningsinstantie. De rechtbank zal een kennisgeving van deze beschikking per post zenden aan Kenniscentrum Kind en Scheiding.
Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (zorgregeling)
Wettelijk kader
Aangezien de ouders gezamenlijk worden belast met het ouderlijk gezag over de kinderen is artikel 1:253a BW van toepassing op het verzoek tot wijziging van de zorgregeling. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van de kinderen wenselijk voorkomt. Uit het vierde lid van artikel 1:253a BW volgt dat artikel 1:377e BW van overeenkomstige toepassing is, zodat de rechtbank op verzoek van de ouders of van een van hen een beslissing inzake de omgang kan wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.
Standpunt vrouw
De vrouw heeft met behulp van hulpverleningsinstanties in november 2025 een noodwoning toegewezen gekregen in Naaldwijk, waar zij meer rust heeft gekregen na de problemen en spanningen die zij ervaarde in het huwelijk. De vrouw acht contact met de vader, hoe dan ook vormgegeven, in het belang van de ontwikkeling van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2]. Er is momenteel contact tussen de kinderen en hun vader, maar dit is niet vastgelegd. De vrouw wenst een vastgestelde regeling. Daarbij heeft zij tijdens de zitting opgemerkt dat zij het heen en weer brengen van spullen ongelukkig vindt voor de jongens. Ook wenst zij een grotere rol te spelen in de ijshockeyhobby van de kinderen.
Standpunt man
Volgens de man zijn de spanningen in huis voorbij. De politie heeft haar rapporten na een gesprek met de kinderen en de man gesloten bij gebrek aan belang. Het ging een tijdje wat minder met de kinderen op school, wat volgens de man onder meer te maken had met de spanningen tussen de ouders in huis. Nu partijen uiteen zijn, is de sfeer thuis verbeterd en gaat het ook beter met de kinderen.
Vóór de zomer haalde de man [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] op maandag-, dinsdag- en vrijdagochtend bij de vrouw thuis op, liet hij ze bij hem thuis ontbijten en bracht hij de kinderen naar school. Ook werden zij uit school door hem opgehaald. Daarnaast verbleven zij één weekend in de veertien dagen bij de man. Nu de kinderen na de zomer naar een nieuwe school zijn gegaan, verblijven zij enkel nog om het weekend bij de vader.
De man acht het wenselijk dat de regeling zoals die feitelijk functioneerde vóór de zomer wordt opgenomen in de door de rechtbank te wijzen beschikking. Daarbij stelt de man de voorwaarde dat, zoals altijd al het geval is geweest gedurende het ijshockeyseizoen, hij de kinderen mag begeleiden naar trainingen en wedstrijden ook op eventuele dagen dat de kinderen bij vrouw verblijven. De man merkte tijdens de zitting op dat de kinderen geen schoolboeken mee naar huis hoeven te nemen, dus dat spullen over en weer brengen voor de kinderen zal meevallen.
Inhoudelijke beoordeling
De rechtbank zal de door de man voorgestelde zorgregeling toewijzen met een uitbreiding. Daarbij is van belang dat partijen zorgvuldig bezien hoe het doordeweekse wisselen van spullen praktisch kan worden geregeld, nu de vrouw als bezwaar naar voren heeft gebracht dat voorkomen moet worden dat spullen veel heen en weer gebracht moeten worden. Mocht de zorgregeling inderdaad betekenen dat er te veel verhuisd moet worden met spullen, dan kunnen partijen dit bespreken binnen het traject Ouderschapsbemiddeling. De rechtbank breidt de door de man voorgestelde regeling uit met een overnachting, zodat er minder onrust is in de regeling en tevens tegemoet wordt gekomen aan de wens van de kinderen om vaker bij de vader te zijn. Bij de vaststelling van de regeling neemt de rechtbank ook de ijshockeyactiviteiten van de kinderen in acht. De trainingen vinden op dit moment iedere dinsdag en vrijdag plaats en in het weekend spelen de kinderen een wedstrijd – uitzonderingen daargelaten –, zo heeft de rechtbank begrepen.
Al het voorgaande in acht nemend, stelt de rechtbank de volgende regeling vast. In de eerste week verblijven de kinderen op maandag en dinsdag bij de man, met overnachting. De weekenden, die nu tot zondag lopen, worden afwisselend verdeeld. In de tweede week, waarin het weekend van de man valt, verblijven de kinderen van vrijdag tot dinsdagavond bij de man. Hiermee wordt in die tweede week voorkomen dat de kinderen op zondagavond voor één nacht moeten wisselen naar de vrouw, hetgeen onnodig onrust met zich meebrengt.
De ouder bij wie de kinderen op dat moment verblijven, brengt hen naar de ijshockeytraining of -wedstrijd. Daarbij merkt de rechtbank op dat, zoals ook tijdens de zitting is besproken, het de ouder die de kinderen niet naar ijshockey brengt, uiteraard vrijstaat om bij die training of wedstrijd ook aanwezig te zijn. De rechtbank hoopt dat het partijen net als voorheen blijft lukken om afspraken te maken als de kinderen in het weekend ieder in een andere plaats moeten zijn.
Kinderalimentatie
De vrouw heeft de rechtbank verzocht te bepalen dat de man gehouden is om € 565,- per maand per kind bij te dragen in de kosten van het levensonderhoud en de opvoeding van de kinderen. De man heeft hiertegen verweer gevoerd en heeft tijdens de zitting toegezegd de kosten van de ijshockey volledig zelf te blijven dragen. De vrouw heeft verklaard dat zij, zodra zij niet langer is aangewezen op de Ziektewet, daar ook een bijdrage aan wil leveren. Daarover zal de rechtbank nu niets vastleggen. De man draagt op dit moment alle kosten. Zodra de vrouw weer financiële ruimte heeft, kunnen partijen hierover in onderling overleg, al dan niet binnen het traject Ouderschapsbemiddeling, nadere afspraken maken.
Omdat partijen niet tot overeenstemming zijn gekomen over de bijdrage in het levensonderhoud van de kinderen, zal de rechtbank overgaan tot het maken van een eerste vaststelling van een bedrag aan kinderalimentatie.
Bij de vaststelling van de kinderalimentatie en de berekening neemt de rechtbank de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie opgenomen in het Rapport alimentatienormen als uitgangspunt. De rechtbank rondt hierna in haar berekening de bedragen telkens af op hele euro’s.
Ingangsdatum
De rechtbank ziet aanleiding om eerst de ingangsdatum te bespreken. Ter zitting hebben zowel de man als de vrouw aangegeven akkoord te zijn met het vaststellen van de datum van deze beschikking als ingangsdatum, zodat de rechtbank 18 september 2026 als ingangsdatum zal bepalen.
Behoefte Bij de berekening van de kinderalimentatie wordt eerst gekeken naar wat de kosten van een kind (de behoefte) zijn. De behoefte van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] is tussen partijen in geschil. De rechtbank zal daarom hierna de behoefte vaststellen. Daarbij gaat de rechtbank voorbij aan de behoeftelijst die de vrouw heeft opgesteld en volgt de rechtbank zoals gezegd het Rapport alimentatienormen, te meer nu de vrouw zelf ook een behoefteberekening conform dit uitgangspunt heeft ingediend.
Voor het bepalen van de behoefte moet allereerst het netto besteedbaar inkomen (NBI) van ieder van partijen tijdens hun samenleving worden bepaald.
NBI van de vrouw
Tussen partijen is niet in geschil dat het NBI van de vrouw ten tijde van de samenleving €1.944,- per maand bedroeg, zodat de rechtbank dat zal volgen.
NBI van de man
Partijen zijn het niet eens over het NBI van de man ten tijde van de samenleving, zodat de rechtbank dat hierna zal berekenen. Nu partijen in 2025 uit elkaar zijn gegaan, rekent de rechtbank met de tarieven van 2025-II. De rechtbank zal uitgaan van een DGA-inkomen van de man van € 53.682,- bruto per jaar zoals ook de man en de vrouw van dit inkomen zijn uitgegaan in hun respectievelijke berekeningen.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten berekent de rechtbank het NBI van de man op het moment van de samenleving op € 3.146,- per maand.
NBGI
Het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI) van partijen bedroeg in 2025 dus € 5.472,- per maand (€ 1.944,- + € 3.146,-). Op basis van dit NBGI hadden partijen recht op een kindgebonden budget van € 382,- per maand, zodat de rechtbank daarmee rekening zal houden. Op basis van de tabel eigen aandeel kosten van kinderen 2025, leidt het voorgaande tot een behoefte van € 1.259,- per maand voor [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2]. Geïndexeerd naar 2026 bedraagt deze behoefte € 1.317,- per maand.
Draagkracht
Vervolgens moet worden beoordeeld in welke verhouding de vrouw en de man dienen bij te dragen in de behoefte van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2]. De rechtbank volgt daarbij het Rapport Alimentatienormen, waaruit volgt dat het eigen aandeel in de kosten van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] tussen partijen moet worden verdeeld naar rato van hun draagkracht.
Het bedrag aan draagkracht in 2026 wordt vastgesteld aan de hand van de formule: 70% van [NBI -(0,3 x NBI + 1.365)].
Vanwege de ingangsdatum, te weten 18 september 2026, rekent de rechtbank met de tarieven van 2026-II.
Draagkracht van de vrouw
Voor de bepaling van de draagkracht van de vrouw gaat de rechtbank uit van het gemiddelde van de salarisspecificaties van mei tot en met juli 2026, aangezien dat de meest recente beschikbare inkomsten zijn van de vrouw. De rechtbank gaat daarom gemiddeld uit van een arbeidsinkomen van € 1.669,- per maand, vakantiegeld van € 147 per maand, een eindejaarsuitkering van € 139,- per maand, en een oktobertoelage van € 79,- per maand.
De rechtbank houdt verder rekening met:
- de pensioenpremie van €101,- per maand;
- de premie AOP van € 3,- per maand;
- een gemiddelde extra netto pensioenpremie bij ziekte van € 4,-;
- een gemiddelde extra netto premie AOP van € 0,-.
Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de volgende fiscale heffingskortingen:
- de algemene heffingskorting;
- de arbeidskorting;
- het kindgebonden budget;
- de inkomensafhankelijke combinatiekorting.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten berekent de rechtbank het NBI van de vrouw in 2026 op € 2.701,- per maand.
Draagkracht van de man
Voor de bepaling van de draagkracht van de man gaat de rechtbank uit van een DGA-inkomen van € 53.682,- bruto aangezien ook hier beide partijen daarmee rekenen.
Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de volgende fiscale heffingskortingen:
de algemene heffingskorting;
de arbeidskorting.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten berekent de rechtbank zijn NBI in 2026 op € 3.197,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.
Draagkrachtverdeling
De draagkracht van partijen bedraagt gezamenlijk € 979,- per maand (€ 368,- + € 611,-). Dit is onvoldoende om volledig in de behoefte van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] te voorzien. De rechtbank komt daarom niet toe aan een draagkrachtvergelijking. Gelet op de behoefte van de kinderen van € 1.317,- in totaal, is er sprake van een tekort aan draagkracht van € 338,- per maand.
Zorgkorting
Tussen partijen is het te hanteren zorgkortingspercentage in geschil. Omdat de man gemiddeld drie dagen per week de zorg heeft voor [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2], geldt een percentage van 35%. De zorgkorting bedraagt dan € 461,- per maand (35% van € 1.317,-).
Omdat er sprake is van een tekort van € 339,- per maand, wordt het tekort aan beide ouders voor de helft toegerekend. De helft van het tekort (€ 339,- / 2 = € 170,-) komt in mindering op de zorgkorting van de man. Dit betekent dat hij nog recht heeft op een zorgkorting van € 293,- per maand (€ 461,- -/- € 169,-).
Conclusie
De rechtbank zal gelet op al het voorgaande bepalen dat de man aan de vrouw, met ingang van 18 september 2026, een kinderalimentatie voor de kinderen moet betalen van€ 319,- per maand, wat neerkomt op € 159,- per kind per maand.
Aanhechten berekening
De door de rechtbank gemaakte berekening is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan onderdeel uit.
Beslissing
De rechtbank:
in de zaak met zaak- en rekestnummer C/09/698191 en FA RK 26-642:
*
bepaalt dat voortaan aan de man en de vrouw gezamenlijk het gezag zal toekomen over de minderjarigen:
- [de minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2013 te [geboorteplaats 1];
- [de minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2015 te [geboorteplaats 1];
*
bepaalt de door de man met ingang van 18 september 2026 te betalen kinderalimentatie ten behoeve van de minderjarigen [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] op € 159,- per kind per maand, vanaf heden telkens bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen;
*
stelt vast dat partijen, te weten:
[de vrouw],
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
en
[de man],
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
bij (aangehecht) proces-verbaal van doorverwijzing zijn verwezen naar het Kenniscentrum Kind en Scheiding voor deelname aan het hulpverleningstraject Ouderschapsbemiddeling, en voor aanmelding bij de uitvoerende hulpverleningsinstantie;
beveelt de griffier binnen twee dagen na heden een afschrift van de kennisgeving van deze beschikking te zenden naar Kenniscentrum Kind en Scheiding, Albertus de Oudelaan 1, 2273 CW Voorburg;
stelt vast dat partijen bij eindbeslissing zijn verwezen naar het hulpverleningstraject, zodat het niet nodig is dat de uitvoerende hulpverleningsinstantie de rechtbank (tussentijds) rapporteert over het verloop van voornoemd traject;
in de zaak met zaak- en rekestnummer C/09/696883 en FA RK 25-9904:
*
stelt vast een zorgregeling voor de minderjarigen:
- [de minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2013 te [geboorteplaats 1];
- [de minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2015 te [geboorteplaats 1],
waarbij:
- de minderjarigen in de eerste week op maandag en dinsdag bij de man verblijven, met overnachting;
- de weekenden afwisselend worden verdeeld;
- in de tweede week, wanneer het weekend van de man valt, de minderjarigen van vrijdag tot dinsdagavond bij de man verblijven;
- de ouder bij wie de kinderen op dat moment verblijven, hen naar de ijshockeytraining brengt;
*
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
| Deze beschikking is gegeven door mr. C. Witteman, (kinder)rechter, bijgestaan door mr. T.A.L. Ravenhorst als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 18 september 2026. |
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.