Uitspraak · Personen- en familierecht

Rechtbank Den Haag, 18 september 2026

ECLI:NL:RBDHA:2026:30666Zaaknummer C/09/705062 / FA RK 26-4755

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
18 september 2026
Publicatiedatum
23 oktober 2026
Zaaknummer
C/09/705062 / FA RK 26-4755
Rechtsgebied
Civiel recht, Personen- en familierecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig, Beschikking
Zittingsplaats
Den Haag
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Gezag, verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, dwangsom en kinderalimentatie

Beslissing

De rechtbank – met wijziging in zoverre van de beschikking van deze rechtbank van 19 april 2024 –:

*

bepaalt dat de minderjarigen:

- [de minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2017 te [geboorteplaats 1],

- [de minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2009 te [geboorteplaats 2],

bij de man zullen zijn:

- iedere woensdag uit school tot donderdag naar school en,

- om het weekend van vrijdag uit school tot zondag 18.45 uur;

bepaalt ten aanzien van de vakanties en feestdagen dat het volgende geldt:

- de kinderen verblijven in de zomervakantie in de oneven jaren de eerste drie weken bij de man en de laatste drie weken bij de vrouw, en in de even jaren omgekeerd;

- in de kerstvakantie zijn [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] in de even jaren de eerste week van de vakantie bij de man van vrijdag uit school tot een week later zaterdag, 12.00 uur, waarbij de man de kinderen terug naar de vrouw brengt. In de oneven jaren zijn de kinderen de tweede week bij de man van zaterdag 12.00 uur tot een week later maandag, naar school. In de oneven jaren zullen de kinderen op eerste kerstdag bij de man zijn en op tweede kerstdag bij de vrouw. In de even jaren is dit omgekeerd. De verdeling van de kerstdagen gaat daarbij voor op de weekregeling. Indien de wisseldag samenvalt met een kerstdag, wordt het wisselmoment verschoven naar de volgende ochtend om 10.00 uur;

- [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] zijn op hun verjaardagen in de oneven jaren bij de man en in de even jaren bij de vrouw;

- [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] zijn op Moederdag bij de vrouw zijn en op Vaderdag bij de man;

bepaalt dat de vakantieregeling voorgaat op de feestdagenregeling voor zover die overlappen;

verklaart deze regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken per 1 januari 2027 uitvoerbaar bij voorraad;

*

stelt vast dat er op het verzoek tot vervangende toestemming voor de inschrijving van de minderjarige [de minderjarige 2] op [school] te [plaats] niets meer te beslissen valt;

*

bepaalt dat de ouders over en weer gehouden zijn om de paspoorten van de kinderen uiterlijk veertien dagen vóór het daadwerkelijke op vakantie gaan aan de betreffende ouder te overhandigen, tenzij de ouder die de paspoorten heeft dan zelf op vakantie is met de kinderen; in dat geval zullen de paspoorten worden overgedragen op de eerste dag na de vakantie van die ouder.

*

bepaalt de door de man met ingang van 1 januari 2027 te betalen alimentatie voor de minderjarigen [de minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2017 te [geboorteplaats 1], en [de minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2009 te [geboorteplaats 2] op € 237,- per maand per kind, met inachtneming van de jaarlijkse wettelijke indexering, voor het eerst per 1 januari 2027, telkens bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen;

*

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

*

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. C. Witteman, (kinder)rechter, bijgestaan door mr. T.A.L. Ravenhorst als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 18 september 2026.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. Procedure
  2. Feiten
  3. Verzoek en verweer
  4. Beslissing

Rechtbank DEN HAAG

Enkelvoudige kamer

Rekestnummer: FA RK 26-4755

Zaaknummer: C/09/705062

Datum beschikking: 18 september 2026

Gezag, verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, dwangsom en kinderalimentatie

Beschikking op het op 13 mei 2026 ingekomen verzoek van:

[de vrouw],

de vrouw,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. P.F.D.P. de Milliano te [plaats].

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de man],

de man,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. T. Kocabas te Zoetermeer.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken waaronder:

­ het verzoekschrift, met bijlagen;

­ het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek, met bijlagen;

­ het verweer tegen het zelfstandig verzoek, met bijlage.

De minderjarige [de minderjarige 1] heeft zich schriftelijk uitgelaten over het verzoek.

Op 1 september 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:

  • de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
  • de man, bijgestaan door zijn advocaat;
  • [naam 1] namens de Raad voor de Kinderbescherming.

Feiten

­ Partijen hebben een affectieve relatie gehad.

­ Zij zijn de ouders van de volgende nog minderjarige kinderen:

- [de minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2017 te [geboorteplaats 1],

- [de minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2009 te [geboorteplaats 2].

­ De man heeft de kinderen erkend.

­ [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] wonen bij de vrouw.

­ Partijen zijn gezamenlijk belast met het gezag over de kinderen.

­ Bij beschikking van deze rechtbank van 23 november 2022 is - voor zover hier van belang - bepaald dat een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken zal gelden voor [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2], inhoudende dat:

  • de man eens per drie weken omgang zal hebben met [de minderjarige 1]. De man zal de vrouw in dit kader eens per twee maanden een voorstel doen ten aanzien van de dagen (zaterdag of zondag) waarop die omgang plaats kan vinden tussen 13.00 uur en 16.00 uur. Tijdens de eerste drie contactmomenten met [de minderjarige 1] zal de vrouw van 13.00 uur tot 14.00 uur met [de minderjarige 2] aanwezig zijn. De man zal de vrouw tijdig informeren over de locatie waar de omgang plaats zal vinden. De vrouw zal de kinderen brengen naar de omgangslocatie. De man zal [de minderjarige 1] na afloop weer bij de vrouw terugbrengen;
  • de man en de vrouw het contact tussen de man en [de minderjarige 2] na de eerste drie omgangsmomenten zullen evalueren. Indien de omgang positief verloopt voor [de minderjarige 2], zal voor [de minderjarige 2] dezelfde regeling gaan gelden als voor [de minderjarige 1]. Indien die stap voor [de minderjarige 2] nog te groot blijkt, zullen de ouders met elkaar in overleg treden over het verder opbouwen van het contact tussen de man en [de minderjarige 2];
  • zodra de man over eigen woonruimte beschikt, waar de kinderen kunnen overnachten, de ouders in gesprek zullen gaan over de uitbreiding van de zorgregeling en over de verdeling van de zorg voor de kinderen tijdens de schoolvakanties en feestdagen;
  • de man eenmaal per week zal videobellen met [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2].

Tevens is bepaald dat de vrouw de man zal informeren over belangrijke aangelegenheden ten aanzien van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2], waartoe de vrouw de man minimaal eens per maand per e-mail zal voorzien van relevante informatie en foto's.

­ Bij beschikking van deze rechtbank van 19 april 2024 is – voor zover hier van belang –:

- bepaald dat voortaan aan de man en de vrouw gezamenlijk het gezag zal toekomen over de minderjarige: [de minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2021 te [geboorteplaats 2];

- bepaald dat [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] bij de man zullen zijn:

- op 29 maart en 3 april 2024 van 15.00 tot 17.30 uur bij KidsZoo in Noordwijkerhout, in aanwezigheid van [naam 2], een vriendin van de vrouw, waarbij [naam 2] de kinderen bij de vrouw ophaalt en ook weer terugbrengt;

- op 11 april 2024, waarbij de man de kinderen zal ophalen bij de BSO en het kinderdagverblijf om 15.00 uur en de kinderen tussen 17.30 en 18.00 uur bij de vrouw terugbrengt en waarbij [naam 2] niet meer aanwezig is vanaf de week van 15 april op twee doordeweekse momenten, waarbij de man de kinderen uit school dan wel het kinderdagverblijf haalt en de kinderen om 18.45 uur, na het eten, weer bij de vrouw terugbrengt en daarnaast ook één keer in de drie weken in het weekend van vrijdag uit school dan wel het kinderdagverblijf tot zaterdagavond 18.45 uur, waarbij de man de kinderen bij de vrouw terugbrengt, of van zaterdagochtend 10.00 uur, waarbij de man de kinderen bij de vrouw ophaalt, tot zondagavond om 18.45 uur, waarbij de man de kinderen bij de vrouw terugbrengt;

- bepaald ten aanzien van de wettelijke feestdagen en bijzondere dagen dat de kinderen bij de man verblijven in de even jaren op tweede paasdag, Koningsdag, Bevrijdingsdag, tweede pinksterdag en eerste kerstdag en jaarlijks op Vaderdag waarbij de man de kinderen op de desbetreffende feestdag om 10.00 uur bij de vrouw ophaalt en hen na het avondeten, met uitzondering van oud en nieuw, om 19.00 uur bij de vrouw terugbrengt. Op Nieuwsjaardag dient de man [de minderjarige 1] om 19.00 uur weer bij de vrouw terug te brengen;

Tevens zijn de ouders verwezen naar de bij hen bekende mediator.

Verzoek en verweer

De vrouw verzoekt - na aanvulling -, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

  • te bepalen dat de zorgregeling wordt aangepast in die zin dat de minderjarigen, in de reguliere schoolweken, van woensdag uit school tot donderdag naar school bij de man verblijven, waarbij de man de minderjarigen uit school haalt en naar school brengt;
  • te bepalen dat de minderjarigen eens per drie weken van vrijdag uit school tot zondag 18.45 uur bij de man verblijven, waarbij de man de minderjarigen uit school haalt en naar de vrouw brengt;
  • te bepalen dat de navolgende vakantieregeling wordt vastgesteld;

- in de oneven jaren zijn de minderjarigen in de herfstvakantie bij de man en in de even jaren bij de vrouw, van vrijdag uit school tot maandag, een week later, naar school;

- in de oneven jaren zijn de minderjarigen in de voorjaarsvakantie bij de vrouw en in de even jaren bij de man, van vrijdag uit school tot maandag, een week later, naar school;

- de meivakantie bij helfte te verdelen, waarbij de minderjarigen zin de even jaren de eerste week van vrijdag uit school tot zaterdag een week later 12.00 uur en in de oneven jaren de tweede week bij de man van zaterdag 12.00 uur tot maandag, een week later, naar school;

- de zomervakantie te delen, waarbij de minderjarigen, in de even jaren de eerste twee weken van vrijdag uit school tot zaterdag twee weken later 12.00 uur bij de man verblijven, daarna twee weken bij de vrouw en waarna de reguliere zorgregeling van toepassing is. In de oneven jaren zal de verdeling andersom zijn.

- de kerstvakantie te delen, waarbij de minderjarigen in de even jaren de eerste week van de vakantie bij de man verblijven van vrijdag uit school tot zaterdag een week later, 12.00 uur, waarbij de man de minderjarigen terug naar de vrouw brengt. In de oneven jaren zal de man de minderjarigen de tweede week van de vakantie bij zich hebben van zaterdag 12.00 uur tot maandag een week later, naar school;

- te bepalen dat de man een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding dient te voldoen van €258,- per kind per maand, dan wel een bijdrage in goede justitie te bepalen.

De vrouw doet haar verzoek steunen op de stelling dat de omstandigheden nadien zijn gewijzigd.

De man voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken, en verzoekt zelfstandig, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

  • de verzoeken van de vrouw af te wijzen;
  • te bepalen dat de hierna omschreven zorg- en opvoedingsregeling wordt vastgesteld, bij gebreke van vrijwillige naleving te versterken met een dwangsom van € 250,- voor iedere dag of elk dagdeel dat de vrouw in strijd met de beschikking handelt, tot een maximum van € 10.000,- voor beide partijen:

- een week-om-weekregeling, waarbij de overdracht van de minderjarigen wekelijks plaatsvindt op vrijdag direct na school of BSO, zodanig dat de ene week de man de kinderen ophaalt en zij tot de vrijdag daarop bij hem verblijven, en de andere week de vrouw de kinderen ophaalt;

- de zomervakantie wordt verdeeld in twee gelijke periodes van drie weken; in de oneven jaren verblijven de kinderen de eerste drie weken bij de man en de laatste drie weken bij de vrouw in de even jaren omgekeerd;

- de herfstvakantie, de meivakantie en de kerstvakantie lopen mee in het reguliere co-ouderschapsritme, met uitzondering van de kerstdagen: in de oneven jaren verblijven de kinderen op eerste kerstdag bij de man en op tweede kerstdag bij de vrouw; in de even jaren omgekeerd;

- de verjaardagen van de minderjarigen worden in de oneven jaren bij de man gevierd en in de even jaren bij de vrouw;

- Moederdag verblijven de kinderen steeds bij de vrouw; Vaderdag steeds bij de man;

- de voornoemde regeling treedt in werking per 1 januari 2027;

  • toestemming te verlenen op de voet van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (BW), die de toestemming van de vrouw vervangt, voor de inschrijving van de minderjarige [de minderjarige 2] op [school] te [plaats];
  • te bepalen dat de vrouw gehouden is tijdig en onvoorwaardelijk haar schriftelijke medewerking te verlenen aan buitenlandse vakanties van de man met de minderjarigen gedurende de aan hem toekomende vakantieperiodes, alsmede de paspoorten van de kinderen uiterlijk veertien dagen vóór aanvang van die vakantieperiode aan de man te overhandigen, bij gebreke waarvan de vrouw een dwangsom verbeurt van € 250,- per dag dat zij in gebreke blijft, met een maximum van € 5.000,-;
  • de kinderalimentatie met ingang van de datum van de te wijzen beschikking, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum, te bepalen op € 152,- per kind per maand.

De vrouw voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Wijziging zorgregeling

Ontvankelijkheid – wijziging van omstandigheden

Niet in geschil tussen de ouders is dat de zorgregeling zoals deze is vastgesteld in de beschikking van deze rechtbank van 19 april 2024 niet wordt uitgevoerd. Ook is door de man aangevoerd dat hij na zijn recente verhuizing op vijf minuten fietsafstand van de vrouw is gaan wonen en dat dat van invloed is op de zorgregeling. Om die redenen zal de rechtbank partijen ontvangen in hun verzoek.

Wettelijk kader

Op grond van artikel 1:253a, lid 1 en lid 4, in samenhang met artikel 1:377e Burgerlijk Wetboek kan de rechtbank op verzoek van (één van) de ouders een beslissing inzake de zorgregeling wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. De rechtbank neemt in een dergelijk geval een beslissing die haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt.

Standpunt vrouw

De vrouw stelt dat de huidige zorgregeling alleen wordt nagekomen door de man wanneer het hem uitkomt. Dat is afhankelijk van zijn werkschema’s, terwijl de vrouw ook werk heeft om rekening mee te houden. Volgens haar is structuur in de regeling belangrijk en biedt zij graag stabiliteit aan de kinderen. De regeling voor de feestdagen die bij beschikking van deze rechtbank van 19 april 2024 is vastgesteld, hoeft wat betreft de vrouw niet opnieuw te worden vastgesteld. Wel zou de vrouw graag een regeling voor de vakanties laten vastleggen, nu dat in voornoemde beschikking niet is gebeurd. De verzochte vakantieregeling sluit aan bij de zorgregeling die zij heeft verzocht.

Standpunt man

De man merkt op dat de opbouwregeling zoals die in de beschikking van 19 april 2024 is vastgesteld, een stap was richting een ruimere zorgverdeling. Op dit moment werkt hij in ploegendiensten, maar hij heeft bij zijn werkgever aangevraagd om reguliere werktijden te gaan werken, opdat hij meer tijd kan doorbrengen met [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2]. De man is verhuisd en woont nu op vijf minuten fietsafstand van de vrouw. Hij ziet daardoor mogelijkheden voor [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] om op en neer te fietsen tussen de ouders als zij de ouder bij wie zij op dat moment niet verblijven tussentijds willen zien. De man oppert om de overdracht bij de door hem zelfstandig verzochte week-om-weekregeling plaats te laten vinden op de BSO, waarbij de ouders de kinderen een vaste structuur kunnen bieden, zoals ook de vrouw wenst.

Voor de man zou het werkbaar zijn om de regeling per 1 januari 2027 te laten starten, in verband met zijn al vastgelegde werkrooster tot aan het einde van dit kalenderjaar.

Ter zake van het ontbreken van een vakantieregeling merkt de man op dat de beschikking van 19 april 2024 van deze rechtbank hierin bewust niet heeft voorzien, juist omdat partijen dit onderwerp in het mediationtraject waar zij naar zijn verwezen nader dienden uit te werken. Dat er op dit moment geen vakantieregeling bestaat, is volgens de man het gevolg van de non-participatie van de vrouw in dat traject.

Inhoudelijke beoordeling

Reguliere zorgregeling

De vrouw heeft verzocht te bepalen dat de kinderen op woensdag en donderdag bij de man verblijven, alsmede eens per drie weken gedurende het weekend. De man heeft verzocht om een regeling van co-ouderschap. Partijen zijn het erover eens dat de huidige zorgregeling niet naar behoren wordt nagekomen. De man heeft aangevoerd dat daarin verandering zal komen, nu hij reguliere werktijden zal gaan werken. Uit de stukken en hetgeen is besproken op de zitting is de rechtbank echter niet gebleken dat dit daadwerkelijk het geval zal zijn. De man heeft dit alleen ter zitting aangekondigd, maar heeft bijvoorbeeld niet een document van zijn werkgever overgelegd waarin zijn nieuwe werktijden zijn bevestigd. De man heeft tijdens de zitting bovendien verklaard dat de reguliere werkdagen ook shifts bevatten, bestaande uit ochtend-, middag- of nachtdiensten. Dat strookt niet met zijn stelling dat hij overdag zal gaan werken waarbij hij buiten de werktijden voor de kinderen kan zorgen, nu hij ofwel vroeg zal moeten beginnen ofwel laat zal eindigen. De rechtbank ziet daarom onvoldoende aanknopingspunten om ervan uit te gaan dat de man zijn verzorgings- en opvoedingstaken in een co-ouderschapsregeling kan dragen.

Tijdens de zitting is besproken waarom de vrouw heeft verzocht om de weekendregeling terug te brengen naar eens per drie weken. De vrouw heeft toegelicht dat zij zich daarbij uitsluitend heeft aangesloten bij de eerder door de rechtbank vastgestelde regeling.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank de volgende zorgregeling in het belang van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2]. Op woensdagmiddag worden zij uit school gehaald door de man en verblijven zij bij hem tot donderdagochtend naar school, waarbij de man de kinderen naar school brengt en de vrouw hen die middag van school ophaalt. Om het weekend van vrijdag na school tot zondag 18.45 uur verblijven de kinderen bij de man. Daarmee wordt aangesloten bij de behoefte aan duidelijkheid en voorspelbaarheid voor de kinderen, terwijl de regeling ook voldoende ruimte biedt voor een structurelere betrokkenheid van de man bij hun dagelijkse leven.

Verdeling van de vakanties

De vrouw en de man wensen beiden een verdeling van de vakanties en feestdagen bij helfte, maar verschillen van mening over de wijze waarop die verdeling moet worden vormgegeven. Het verzoek van de man sluit aan bij een regeling van week-op-week-af. Nu de rechtbank daarin niet meegaat, zal zij op dit punt aansluiten bij het verzoek van de vrouw. De man heeft immers geen andere regeling voorgesteld dan de regeling die hij in het kader van co-ouderschap voor ogen had.

Ten aanzien van de zomervakantie volgt de rechtbank de man. Er bestaat geen aanleiding om de verblijfsduur tijdens de zomervakantie te beperken. Bovendien wil de rechtbank beide ouders en de kinderen de gelegenheid bieden om ook langer dan twee weken op vakantie te gaan.

Voor de kerstvakantie zal de rechtbank een regeling vaststellen waarbij zowel de verdeling in twee weken als de verdeling van de kerstdagen wordt meegenomen. Als uitgangspunt geldt dat de kinderen, volgens het verzoek van de vrouw, in de even jaren de eerste week van de vakantie bij de man verblijven van vrijdag uit school tot een week later zaterdag, 12.00 uur, waarbij de man de kinderen terug naar de vrouw brengt. In de oneven jaren zal de man de kinderen de tweede week van de vakantie bij zich hebben van zaterdag 12.00 uur tot een week later maandag, naar school. Daarbij komt de toedeling van de kerstdagen overeenkomstig het verzoek van de man, dus in de oneven jaren verblijven de kinderen op eerste kerstdag bij de man en op tweede kerstdag bij de vrouw. In de even jaren is dit omgekeerd. De verdeling van de kerstdagen gaat daarbij voor op de weekregeling. Indien de wisseldag samenvalt met een kerstdag, wordt het wisselmoment verschoven naar de volgende ochtend om 10.00 uur.

Voor de verjaardagen van de kinderen en voor Moederdag en Vaderdag zijn partijen het eens. Daarvoor geldt dat de kinderen op Moederdag bij de vrouw zijn en op Vaderdag bij de man. Wat betreft de verjaardagen van de kinderen zullen zij in oneven jaren de man zijn en in even jaren bij de vrouw.

Ten aanzien van de overige feestdagen geldt dat hierover al in de beschikking van 19 april 2024 van deze rechtbank is beslist. Voor zover het niet om de kerstperiode gaat, blijft de verdeling van de feestdagen daarom ongewijzigd en overeenkomstig die beslissing. De vakantieregeling gaat daarbij voor op de feestdagenregeling voor zover die overlappen.

Deze regeling zal ingaan per 1 januari 2027, nu de man heeft aangegeven dat hij dan een nieuw rooster zal krijgen, ongeacht of hij dan wel of niet in ploegendiensten werkt.

Dwangsom

De man verzoekt de rechtbank de vrouw een dwangsom op te leggen inhoudende dat de vrouw een dwangsom moet betalen van € 250,- voor iedere dag of elk dagdeel dat de vrouw in strijd met de beschikking handelt, tot een maximum van € 10.000,- voor beide partijen.

Met een dergelijke maatregel dient terughoudend te worden omgegaan. De rechtbank zal geen dwangsom verbinden aan de nakoming van de zorgregeling, omdat zij op dit moment geen aanwijzingen ziet dat de vrouw zich niet aan deze regelingen zal houden. Zij wijst het verzoek van de man dus af.

Vervangende toestemming schoolkeuze

De man heeft tijdens de zitting aangegeven dat partijen gezamenlijk een schoolkeuze hebben gemaakt voorafgaand aan de zitting. De vrouw heeft dat beaamd. De man heeft daarom zijn verzoek ingetrokken. De rechtbank constateert daarom dat zij hierover geen beslissing meer hoeft te nemen.

Medewerking buitenlandse reizen en overhandiging reisdocumenten

De man wenst op het punt van toestemming voor buitenlandse reizen en afgifte van daarvoor bestemde reisdocumenten geen discussie meer en zou daarom willen vastleggen dat de vrouw haar medewerking daaraan verleent en de paspoorten tijdig voor die vakantieperiode afgeeft. Hij kan ermee instemmen dat de dwangsom die hij daaraan verbindt in zijn verzoek voor beide partijen geldt. De vrouw ziet geen belang bij dit verzoek.

Inhoudelijke beoordeling

Uit hetgeen hierover op zitting is besproken overweegt de rechtbank als volgt. Het verzoek gaat niet om vervangende toestemming voor een specifieke vakantie. De rechtbank acht het daarmee een onbepaald verzoek. Echter, de vrouw heeft op zitting aangegeven dat zij ermee in zal stemmen toestemming te verlenen voor alle bestemmingen die volgens de rijksoverheid op dat moment veilig zijn. De rechtbank gaat ervan uit dat dat ook voor de man geldt. Deze afspraak leent zich niet voor opname in het dictum. Nu het een partijafspraak betreft, is die wel bindend tussen partijen.

Voor wat betreft het gedeelte van het verzoek over de afgifte van de paspoorten is niet van enig bezwaar gebleken. De rechtbank zal dat gedeelte van het verzoek dus toewijzen, met dien verstande dat de paspoorten uiterlijk twee weken voor het daadwerkelijke op vakantie gaan bij de betreffende ouder zijn, tenzij de ouder die de paspoorten heeft dan zelf op vakantie is met de kinderen. In dat geval zullen de paspoorten worden overgedragen op de eerste dag na de vakantie van die ouder.

Dwangsom

De man verzoekt de rechtbank de vrouw een dwangsom op te leggen inhoudende dat de vrouw een dwangsom moet betalen van € 250,- per dag dat zij in gebreke blijft, met een maximum van € 5.000,-. Zoals eerder overwogen, dient met een dergelijke maatregel terughoudend te worden omgegaan. De rechtbank zal geen dwangsom verbinden aan de afgifte van de paspoorten van de kinderen voorafgaand aan vakanties, omdat zij op dit moment geen aanwijzingen ziet dat de vrouw zich hieraan niet zal houden. De rechtbank wijst het verzoek van de man dus af.

Kinderalimentatie Wettelijk kader

Op grond van artikel 1:401 lid 1 BW kan een rechterlijke uitspraak of een overeenkomst betreffende levensonderhoud bij latere rechterlijke uitspraak worden gewijzigd of ingetrokken, wanneer zij nadien door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen. Op grond van artikel 1:401 lid 4 BW kan een rechterlijke uitspraak betreffende levensonderhoud ook worden gewijzigd of ingetrokken, indien zij van de aanvang af niet aan de wettelijke maatstaven heeft beantwoord doordat bij die uitspraak van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Voorts kan op grond van artikel 1:401 lid 5 BW een overeenkomst betreffende levensonderhoud ook worden gewijzigd of ingetrokken, indien de overeenkomst is aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven.

Ontvankelijkheid

De rechtbank constateert dat sprake is van een wijziging van omstandigheden, nu de zorgregeling na de vaststelling van de kinderalimentatie is verruimd. De rechtbank zal partijen ontvangen in hun verzoeken en hierna overgaan tot een inhoudelijke beoordeling om te onderzoeken of, en zo ja, in hoeverre de wijzigingsgrondslag leidt tot een wijziging van de alimentatie.

De rechtbank zal hierna aan de hand van een nieuwe beoordeling van de draagkracht onderzoeken of, en zo ja, in hoeverre de wijziging van omstandigheden ertoe leidt dat de rechterlijke uitspraak niet meer aan de wettelijke maatstaven voldoet.

Daarbij geldt dat er geen sprake mag zijn van strijd met de dwingendrechtelijke bepaling dat iedere ouder ten minste verplicht is naar draagkracht te voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding van minderjarige kinderen (artikel 1:404 lid 1 BW).

De rechter moet alle bestaande revelante omstandigheden tijdens deze beschikking meewegen.

Inhoudelijke beoordeling

De man heeft de rechtbank verzocht te bepalen dat hij met ingang van de datum van de te wijzen beschikking gehouden is om € 152,- per kind per maand bij te dragen in de kosten van het levensonderhoud en de opvoeding van de kinderen. De vrouw heeft hiertegen verweer gevoerd en verzoekt zelfstandig te bepalen dat de man een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding dient te voldoen van € 258,- per kind per maand.

Omdat partijen niet tot overeenstemming zijn gekomen over de bijdrage in het levensonderhoud van de kinderen, zal de rechtbank overgaan tot het maken van een berekening.

Bij de wijziging van de kinderalimentatie en de berekening neemt de rechtbank de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie opgenomen in het Rapport alimentatienormen als uitgangspunt. De rechtbank rondt hierna in haar berekening de bedragen telkens af op hele euro’s.

Ingangsdatum

Om proceseconomische redenen zal de rechtbank eerst de ingangsdatum vaststellen. De rechtbank stelt voorop dat zij op grond van artikel 1:402 BW een grote mate van vrijheid heeft bij het vaststellen van de ingangsdatum. Drie data liggen het meest voor de hand: de datum van het inleidend (zelfstandig) verzoek, de datum waarop de rechter beslist of de datum waarop de omstandigheden intreden die voor de onderhoudsverplichting bepalend zijn.

De rechtbank zal de kinderalimentatie vaststellen met ingang van 1 januari 2027 omdat vanaf die datum de nieuwe zorgregeling ingaat.

Behoefte

Partijen zijn het erover eens dat de behoefte van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] in 2021 € 1.130,- per maand bedraagt. Geïndexeerd naar 2026 bedraagt deze behoefte € 1.409,- per maand, wat neerkomt op een bedrag van € 705,- per kind per maand.

Draagkracht

Vervolgens moet worden beoordeeld in welke verhouding de vrouw en de man dienen bij te dragen in de behoefte van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2]. De rechtbank volgt daarbij het Rapport Alimentatienormen, waaruit volgt dat het eigen aandeel in de kosten van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] tussen partijen moet worden verdeeld naar rato van hun draagkracht. Het bedrag aan draagkracht in 2026 wordt vastgesteld aan de hand van de formule: 70% van [NBI -(0,3 x NBI + 1.365)].

De rechtbank merkt op dat het bedrag dat zij een eventueel bedrag aan kinderalimentatie met ingang van 1 januari 2027 zal vaststellen terwijl de tarieven van periode 2027-I nog niet bekend zijn. De rechtbank zal daarom rekenen met de tarieven van periode 2026-II en bepalen dat de kinderalimentatie per 1 januari 2027 moet worden verhoogd met de jaarlijkse indexering, welke op dit moment nog niet bekend is.

Draagkracht van de man

De man heeft aangegeven dat hij reguliere werktijden zal gaan werken wat betekent dat hij de ploegentoeslag niet meer zal ontvangen. De vrouw betwist hetgeen de man heeft gesteld nu nergens uit blijkt dat de man reguliere tijden zal gaan werken.

De rechtbank overweegt als volgt.

Gelet op de betwisting door de vrouw had het op de weg van de man gelegen om zijn standpunt hierover nader en duidelijker te onderbouwen. Bovendien heeft de man, zoals hiervoor bij de zorgregeling is overwogen, verklaard dat de reguliere werkdagen ook shifts bevatten, bestaande uit ochtend-, middag- of nachtdiensten. Dat strookt niet met zijn stelling dat hij reguliere tijden overdag zal gaan werken en geen ploegentoeslag meer zal ontvangen. Nu de rechtbank niet is gebleken dat de man reguliere werktijden gaat werken, gaat zij ervan uit dat de man de ploegentoeslag zal blijven ontvangen. Mocht de ploegentoeslag komen te vervallen, wijst de rechtbank partijen erop dat zij aan de hand van de berekening die de rechtbank nu maakt, een nieuwe berekening kunnen maken waarbij de ploegentoeslag niet wordt meegerekend. Voor wat betreft de onkostenvergoeding van de man merkt de rechtbank op dat een onkostenvergoeding een financiële compensatie van de werkgever is voor werkgerelateerde kosten die de werknemer zelf heeft gemaakt. Deze vergoeding wordt geacht te zijn uitgegeven aan hetgeen waarvoor het is bedoeld waardoor de rechtbank hier geen rekening mee zal houden.

Voor de bepaling van de draagkracht van de man gaat de rechtbank daarom uit van een inkomen van € 5.259,- bruto per maand, te vermeerderen met een ploegentoeslag van € 1166,- per maand inclusief vakantiegeld. De rechtbank gaat hierbij uit van de salarisspecificaties van april tot en met juni 2026.

De rechtbank houdt verder rekening met:

- de pensioenpremie van € 246,- per maand.

Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten berekent de rechtbank het NBI van de man in 2026 op € 3.890,- per maand en zijn draagkracht op € 951,- per maand.

Draagkracht van de vrouw

Voor de bepaling van de draagkracht van de vrouw gaat de rechtbank uit van een inkomen van € 2.585,- bruto per maand inclusief vakantiegeld. De rechtbank gaat hierbij uit van het gemiddelde van de salarisspecificaties van maart tot en met mei 2026, aangezien beide partijen daarmee rekenen.

De rechtbank houdt verder rekening met:

  • de pensioenpremie van € 162,-;
  • de WIA-werknemersverzekering van € 9,-;
  • de inkomensafhankelijke combinatiekorting;
  • het kindgebonden budget;
  • de alleenstaande ouderkop.

Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten, berekent de rechtbank het NBI van de vrouw in 2026 op € 3.325,- per maand en haar draagkracht op € 673,- per maand.

Draagkrachtvergelijking

De draagkracht van partijen bedraagt gezamenlijk € 1.624,- per maand (€ 951,- + € 673,-). Dit is voldoende om volledig in de behoefte van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] van € 1.409,- te voorzien.

De verdeling van de kosten over beide ouders wordt dan berekend volgens de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte.

Daarmee bedraagt het eigen aandeel van de man: (€ 951,- / € 1624,-) x € 1409,- = € 825,-.

Het eigen aandeel van de vrouw bedraagt: (€ 673,- / € 1624,-) x € 1409,- = € 584,-.

Van de totale behoefte van [de minderjarige 2] en [de minderjarige 1] komt een gedeelte van € 825,- per maand voor rekening van de man en een gedeelte van € 584,- per maand voor rekening van de vrouw.

Zorgkorting

Tussen partijen is het te hanteren zorgkortingspercentage in geschil. Omdat de man gemiddeld twee dagen per week de zorg heeft voor [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2], geldt een percentage van 25. De zorgkorting bedraagt dan € 352,- per maand (25% van € 1409,-).

De zorgkorting strekt in mindering op het hiervoor berekende aandeel van de man. De door de man te betalen bijdrage bedraagt dan € 473,- per maand (€ 825,- -/- € 352,-). Dat komt neer op een bijdrage van € 237,- per kind per maand (€ 473,- / 2).

Conclusie

De rechtbank zal gelet op al het voorgaande bepalen dat de man aan de vrouw, met ingang van 1 januari 2027, een kinderalimentatie voor de kinderen moet betalen van€ 473,- met inachtneming van de jaarlijkse wettelijke indexering, voor het eerst per 1 januari 2027.

Aanhechten berekening

De door de rechtbank gemaakte berekening is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan onderdeel uit.

Brief aan [de minderjarige 1]

Tegelijkertijd met de beschikking zal de kinderrechter aan [de minderjarige 1] een brief sturen, waarin de beslissing aan haar wordt uitgelegd. In die brief is het volgende opgenomen:

Beste [de minderjarige 1],

Jij hebt een hele mooie brief aan mij gestuurd. Dank je wel daarvoor. Ik vind het heel fijn om te lezen dat jij blij bent met hoe alles nu gaat. Je wil verder liever niet te veel veranderingen, omdat het al zo spannend is dat je naar een andere school gaat.

Ik heb ook met jouw ouders gesproken. We hebben het gehad over vaste dagen waarop jij en [de minderjarige 2] bij jullie vader zijn. Dan weten jullie waar jullie zijn op welke dag. Dat vinden jouw ouders en ik een beter plan dan dat het steeds maar wisselt. Jouw ouders hebben ieder een voorstel gedaan voor de dagen dat jullie bij jullie vader zijn. Omdat die voorstellen een beetje van elkaar verschilden, heb ik daarover een besluit genomen.

Vanaf nu gaan jullie elke woensdag uit school naar jullie vader. Daar blijven jullie dan een nachtje slapen. Jullie gaan ook om het weekend naar jullie vader. Een weekend is van vrijdag uit school tot zondagavond.

Ook de vakanties en alle feestdagen zijn verdeeld. Even makkelijk gezegd zijn jullie de helft van alle vakanties en feestdagen bij jullie moeder en de andere helft bij jullie vader. Als ik dat hier heel precies moet opschrijven, wordt deze brief een beetje lang. Jullie ouders weten hoe het zit voor elke vakantie. Dat hoor je dus van hen.

Hopelijk vind jij het goed zo en is [de minderjarige 2] ook tevreden. Ik wens je verder heel veel plezier op je nieuwe school, [de minderjarige 1] !

Hartelijke groetjes, de kinderrechter

Beslissing

De rechtbank – met wijziging in zoverre van de beschikking van deze rechtbank van 19 april 2024 –:

*

bepaalt dat de minderjarigen:

- [de minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2017 te [geboorteplaats 1],

- [de minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2009 te [geboorteplaats 2],

bij de man zullen zijn:

- iedere woensdag uit school tot donderdag naar school en,

- om het weekend van vrijdag uit school tot zondag 18.45 uur;

bepaalt ten aanzien van de vakanties en feestdagen dat het volgende geldt:

- de kinderen verblijven in de zomervakantie in de oneven jaren de eerste drie weken bij de man en de laatste drie weken bij de vrouw, en in de even jaren omgekeerd;

- in de kerstvakantie zijn [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] in de even jaren de eerste week van de vakantie bij de man van vrijdag uit school tot een week later zaterdag, 12.00 uur, waarbij de man de kinderen terug naar de vrouw brengt. In de oneven jaren zijn de kinderen de tweede week bij de man van zaterdag 12.00 uur tot een week later maandag, naar school. In de oneven jaren zullen de kinderen op eerste kerstdag bij de man zijn en op tweede kerstdag bij de vrouw. In de even jaren is dit omgekeerd. De verdeling van de kerstdagen gaat daarbij voor op de weekregeling. Indien de wisseldag samenvalt met een kerstdag, wordt het wisselmoment verschoven naar de volgende ochtend om 10.00 uur;

- [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] zijn op hun verjaardagen in de oneven jaren bij de man en in de even jaren bij de vrouw;

- [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] zijn op Moederdag bij de vrouw zijn en op Vaderdag bij de man;

bepaalt dat de vakantieregeling voorgaat op de feestdagenregeling voor zover die overlappen;

verklaart deze regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken per 1 januari 2027 uitvoerbaar bij voorraad;

*

stelt vast dat er op het verzoek tot vervangende toestemming voor de inschrijving van de minderjarige [de minderjarige 2] op [school] te [plaats] niets meer te beslissen valt;

*

bepaalt dat de ouders over en weer gehouden zijn om de paspoorten van de kinderen uiterlijk veertien dagen vóór het daadwerkelijke op vakantie gaan aan de betreffende ouder te overhandigen, tenzij de ouder die de paspoorten heeft dan zelf op vakantie is met de kinderen; in dat geval zullen de paspoorten worden overgedragen op de eerste dag na de vakantie van die ouder.

*

bepaalt de door de man met ingang van 1 januari 2027 te betalen alimentatie voor de minderjarigen [de minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2017 te [geboorteplaats 1], en [de minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2009 te [geboorteplaats 2] op € 237,- per maand per kind, met inachtneming van de jaarlijkse wettelijke indexering, voor het eerst per 1 januari 2027, telkens bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen;

*

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

*

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. C. Witteman, (kinder)rechter, bijgestaan door mr. T.A.L. Ravenhorst als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 18 september 2026.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.