Uitspraak · Personen- en familierecht
Rechtbank Den Haag, 17 september 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:30652Zaaknummer C/09/712099 / JE RK 26-1576 (I) en C/09/712536 / JE RK 26-1619 (II)
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum uitspraak
- 17 september 2026
- Publicatiedatum
- 22 oktober 2026
- Zaaknummer
- C/09/712099 / JE RK 26-1576 (I) en C/09/712536 / JE RK 26-1619 (II)
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Personen- en familierecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig, Beschikking
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Niets meer te beslissen ten aanzien van verzoek tot machtiging tot uithuisplaatsing in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder. Machtiging gesloten jeugdhulp
6 De beslissing
De kinderrechter:
Ten aanzien van verzoek I C/09/712099 / JE RK 26-1576
stelt vast dat ten aanzien van het verzoek niets meer te beslissen valt.
Ten aanzien van verzoek II C/09/712536 / JE RK 26-1619
verleent een machtiging om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van 17 september 2026 tot 29 oktober 2026;
houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan tot de zitting van 26 oktober 2026 om 10:30 uur, bij mr. A.P. Pereira Horta;
vraagt de griffier tegen voormelde zitting op te roepen:
- [minderjarige] met haar advocaat;
- de vader;
- de moeder;
- de gecertificeerde instelling.
verzoekt de gecertificeerde instelling uiterlijk één week voorafgaand aan voornoemde zitting een schriftelijke update aan de rechtbank en de belanghebbenden te doen toekomen.
| Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 17 september 2026 door mr. M.J.L. van der Waals, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. M. Veiga als griffier, en op schrift gesteld op 9 oktober 2026. |
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
- degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Familie- en Jeugdrecht
Zaaknummers: C/09/712099 / JE RK 26-1576 (I) en C/09/712536 / JE RK 26-1619 (II)
Datum uitspraak: 17 september 2026
Beschikking van de kinderrechter
I. Machtiging tot uithuisplaatsing in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder
II. Machtiging gesloten jeugdhulp
in de zaak van
Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden, gevestigd te Den Haag,
hierna te noemen de gecertificeerde instelling,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2009 in [geboorteplaats],
hierna te noemen [minderjarige],
advocaat mr. B.J. de Bruijn uit Den Haag.
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats],
advocaat mr. J. Gravesteijn uit Den Haag,
[de vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats].
1 Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift I met bijlagen, ontvangen op 4 september 2026;
- het verzoekschrift II met bijlagen, ontvangen op 10 september 2026;
- de instemmende verklaring van de gedragswetenschapper van 16 september 2026;
- de pleitaantekeningen die de advocaat van de moeder tijdens de zitting heeft overgelegd.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 17 september 2026. Daarbij waren aanwezig:
- mr. B.J. de Bruijn namens [minderjarige];
- de vader;
- de advocaat van de moeder;
- [naam] namens de gecertificeerde instelling.
[minderjarige] en haar moeder zijn niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat zij op de juiste wijze zijn opgeroepen. Haar advocaat heeft toegelicht dat de moeder ziek is en daarom niet naar de zitting komt en hij zal namens haar het woord voeren.
De kinderrechter heeft [minderjarige] in de gelegenheid gesteld haar mening te geven. [minderjarige] heeft hier geen gebruik van gemaakt.
2 De feiten
Het huwelijk van de ouders is op [datum] 2020 door echtscheiding ontbonden.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige].
[minderjarige] verbleef bij [zorginstelling], maar zij is op dit moment van [zorginstelling] weggelopen.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 17 maart 2026 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 30 april 2027. Ook heeft de kinderrechter een machtiging verleend [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp tot 17 september 2026.
3 De verzoeken
Verzoek I
De gecertificeerde instelling heeft aanvankelijk verzocht een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling, te weten tot 30 april 2027 en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Ter zitting heeft de gecertificeerde instelling laten weten dit verzoek niet langer te handhaven.
Verzoek II
De gecertificeerde instelling heeft op een later moment vanwege de gewijzigde omstandigheden verzocht een machtiging te verlenen om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de duur van drie maanden.
4 De standpunten
Namens [minderjarige] is door haar advocaat verweer gevoerd tegen het verzoek. [minderjarige] wil niet terug naar [zorginstelling]. Primair wordt daarom namens [minderjarige] verzocht het verzoek af te wijzen. Als een gesloten plaatsing toch noodzakelijk wordt gevonden door de kinderrechter, dan wordt subsidiair verzocht om de machtiging te verlenen voor een kortere periode van maximaal zes weken. De advocaat verzoekt in dat geval wel dat het door de gedragswetenschapper geschetste kader wordt toegepast. Dit houdt in dat wordt gewerkt met een meer hybride karakter bij [zorginstelling] en dat samen met [minderjarige] een plan wordt gemaakt voor uitstroom naar een open plek. De advocaat geeft aan dat het ook echt noodzakelijk is dat er een vaste jeugdbeschermer komt zodat de stappen worden gezet om een passende plek te vinden voor [minderjarige].
Namens de moeder is het volgende naar voren gebracht. De moeder heeft het gevoel dat er in deze situatie gekozen moet worden tussen twee kwaden. Als het verzoek voor een gesloten machtiging wordt toegewezen, dan heeft [minderjarige] daar ten onrechte last van en als het niet wordt toegewezen ontstaat er een onveilige situatie waarin [minderjarige] geen plek heeft om te verblijven. Namens de moeder wordt verzocht om, als het verzoek tot plaatsing in een gesloten accommodatie wordt toegewezen, de machtiging te verlenen voor een beperkte duur, zodat er druk is om zo snel mogelijk een passende open plek voor [minderjarige] te vinden.
De vader maakt zich grote zorgen over [minderjarige] en hij weet niet waar zij op dit moment verblijft. De vader vreest dat er zonder vaste jeugdbeschermer niks opgepakt zal worden en er niet op zoek wordt gegaan naar een passende plek voor zijn dochter. [minderjarige] heeft het afgelopen jaar echt stappen gemaakt en dingen geleerd. Hij hoopt dat het goed met [minderjarige] gaat.
5 De beoordeling
Verzoek I
De kinderrechter stelt vast dat zij in deze zaak geen beslissing meer hoeft te nemen nu de gecertificeerde instelling dit verzoek ter zitting heeft ingetrokken.
Verzoek II
De kinderrechter is van oordeel dat jeugdhulp noodzakelijk is in verband met ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling van [minderjarige] naar volwassenheid ernstig belemmeren. Deze problemen maken dat het verblijf in een gesloten accommodatie noodzakelijk en geschikt is om te voorkomen dat [minderjarige] zich onttrekt aan de jeugdhulp die zij nodig heeft of daaraan door anderen wordt onttrokken. Het is niet gebleken dat er minder ingrijpende mogelijkheden zijn om deze problemen te behandelen.[_dbe32958-2714-4d45-b537-565ee2cf488e] De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
De kinderrechter stelt voorop dat de zorgen over [minderjarige] groot zijn en in de afgelopen periode is er veel gebeurd. De gecertificeerde instelling was van plan om de huidige machtiging tot gesloten jeugdhulp af te laten lopen en in aansluiting hierop een reguliere machtiging te vragen. Het was de bedoeling dat [minderjarige] zou doorstromen naar een open plek. Dit was mogelijk omdat [minderjarige] het heel goed heeft gedaan en een duidelijke ontwikkeling heeft doorgemaakt. Door onder andere problemen met wachtlijsten is volgens de gedragswetenschapper bij [minderjarige] onduidelijkheid ontstaan over haar perspectief en dit heeft ertoe geleid dat zij is teruggevallen in oud gedrag. Dit komt voort uit frustratie met de situatie en dat kan de kinderrechter goed begrijpen. Op het moment van het gesprek met de gedragswetenschapper is [minderjarige] van [zorginstelling] weggelopen. In de weken voorafgaand aan het weglopen van [zorginstelling] is [minderjarige] maar beperkt naar school geweest en zij heeft zich daarbij onttrokken aan het toezicht, de begeleiding en de hulpverlening. Haar verblijfplaats en de omstandigheden waarin zij momenteel verblijft, zijn onbekend. Wel heeft zij gelukkig goed telefonisch contact met onder andere de jeugdbeschermer. Dit neemt niet weg dat er grote zorgen zijn over de veiligheid van [minderjarige] nu zij niet wil vertellen waar zij verblijft.
Ter zitting is gebleken dat iedereen het vooral heel jammer vindt dat de open plek voor [minderjarige] nog niet is geregeld en dat iedereen [minderjarige] een passende plek in een open setting gunt. Een plek waar zij passende begeleiding kan krijgen en waar zij kan werken aan haar ontwikkeling. Daarbij lijkt het niet de voorkeur te hebben haar nu eerst op een crisisplek te plaatsen en ook [minderjarige] heeft bij de gedragswetenschapper aangegeven geen crisisplek te willen. De kinderrechter begrijpt heel goed de frustratie die bij alle betrokkenen bestaat over het feit dat er nog geen passende plek voor [minderjarige] is gevonden. Ter zitting is gebleken dat de gecertificeerde instelling hard op zoek is naar een plek en op dit moment hierover in gesprek is met [zorginstantie]. De kinderrechter vindt het belangrijk dat voortvarend wordt gezocht naar een passende open plek voor [minderjarige]. De kinderrechter gaat ervan uit dat de gecertificeerde instelling het zoeken en regelen van de juiste plek voor [minderjarige] voortvarend oppakt en het zou meer dan de voorkeur verdienen als er snel een vaste jeugdbeschermer is, ook voor [minderjarige].
Gelet op de huidige situatie en ernstige zorgen over de veiligheid van [minderjarige] en het feit dat er op dit moment geen passend alternatief is, vindt de kinderrechter het noodzakelijk de machtiging te verlenen, ook al had de kinderrechter het heel graag anders gezien. Om te kunnen toewerken naar een passende open plek is het eerst nodig dat [minderjarige] de gelegenheid krijgt om te stabiliseren en tot rust te komen. Vanuit die stabiele situatie kan vervolgens worden toegewerkt naar een passende open plek. De kinderrechter vindt het daarbij belangrijk dat zoals de gedragswetenschapper heeft voorgesteld, samen met [minderjarige] een concreet plan wordt gemaakt. Ook moet het advies van de gedragswetenschapper worden gevolgd om binnen [zorginstelling] het kader van haar plaatsing een meer hybride karakter te geven, zodat [minderjarige] gemotiveerd wordt om zich in te zetten en zich kan voorbereiden op het toewerken naar passende vrijheden en meer zelfstandigheid op een open plek.
Tegelijkertijd is het belangrijk dat de plaatsing niet langer dan noodzakelijk is en dat alles in het werk wordt gesteld om zo spoedig mogelijk een passende open plek voor [minderjarige] te vinden. Daarom is op zitting met iedereen besproken dat het goed is om op korte termijn snel een nieuwe zitting te plannen en met elkaar te kijken wat de stand van zaken is. De kinderrechter ziet daarom aanleiding om het verzoek toe te wijzen voor de duur van zes weken en aan te houden voor het overige. Door alle betrokkenen is ook ingestemd met deze termijn, omdat iedereen heel graag [minderjarige] wil helpen. Daarom wordt op korte termijn een nieuwe zitting gepland. Op die zitting kan besproken worden wat er in de tussentijd is gebeurd, hoe het met [minderjarige] gaat en welke stappen er zijn gezet richting een passende vervolgplek.
De kinderrechter zal daarom de gecertificeerde instelling machtigen om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp tot 29 oktober 2026. De behandeling van het verzoek zal voor het overige worden aangehouden tot de volgende zitting.
De kinderrechter verzoekt de gecertificeerde instelling uiterlijk één week voorafgaand aan de volgende zitting een schriftelijke update te versturen, met daarin de huidige stand van zaken.
6 De beslissing
De kinderrechter:
Ten aanzien van verzoek I C/09/712099 / JE RK 26-1576
stelt vast dat ten aanzien van het verzoek niets meer te beslissen valt.
Ten aanzien van verzoek II C/09/712536 / JE RK 26-1619
verleent een machtiging om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van 17 september 2026 tot 29 oktober 2026;
houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan tot de zitting van 26 oktober 2026 om 10:30 uur, bij mr. A.P. Pereira Horta;
vraagt de griffier tegen voormelde zitting op te roepen:
- [minderjarige] met haar advocaat;
- de vader;
- de moeder;
- de gecertificeerde instelling.
verzoekt de gecertificeerde instelling uiterlijk één week voorafgaand aan voornoemde zitting een schriftelijke update aan de rechtbank en de belanghebbenden te doen toekomen.
| Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 17 september 2026 door mr. M.J.L. van der Waals, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. M. Veiga als griffier, en op schrift gesteld op 9 oktober 2026. |
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
- degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Voetnoten
- Artikel 6.1.2, tweede lid, Jeugdwet (Jw).
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.