Uitspraak · Personen- en familierecht
Rechtbank Den Haag, 17 september 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:30613Zaaknummer C/09/712470 / KG ZA 26-984
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum uitspraak
- 17 september 2026
- Publicatiedatum
- 19 oktober 2026
- Zaaknummer
- C/09/712470 / KG ZA 26-984
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Personen- en familierecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig, Kort geding
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Vonnis. Vordering schorsing omgang afgewezen.
5 De beslissing
De voorzieningenrechter:
wijst de vordering van de vader af;
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. P. Burgers en in het openbaar uitgesproken op 17 september 2026.
SN
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
Rechtbank den haag
Team handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/712470 / KG ZA 26-984
Vonnis in kort geding van 17 september 2026
in de zaak van
[de vader] te [woonplaats],
eiser,
advocaat mr. M. Erkens te Den Haag,
tegen:
[de moeder] op een geheim adres,
gedaagde,
in persoon verschenen.
Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘de vader’ en ‘de moeder’.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties;
- de door de moeder op 13 september 2026 overgelegde stukken.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 15 september 2026, waarbij zijn verschenen de vader, bijgestaan door zijn advocaat, en de moeder. Namens de vader zijn pleitnotities overgelegd. Tijdens de zitting is vonnis bepaald op vandaag.
2 De feiten
Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.
Zij zijn de ouders van de minderjarige: [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2020 in [geboorteplaats].
[minderjarige] heeft van 15 november 2021 tot 15 december 2024 onder toezicht gestaan van Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden.
Bij beschikking van 28 juni 2024 is – voor zover hier van belang – bepaald dat:
- de vader alleen belast zal zijn met het gezag over [minderjarige];
- [minderjarige] haar hoofdverblijfplaats bij de vader zal hebben;
- [minderjarige] eens in de twee weken van vrijdag uit school tot en met zondag 17.00 uur bij de moeder zal zijn;
- bepaald dat de moeder aan de vader een dwangsom verbeurt van € 500,- voor iedere keer dat zij voormelde omgangsregeling niet nakomt, met een maximum van € 10.000,;
- machtigt, in het geval de moeder voormelde omgangsregeling niet nakomt, de vader om de tenuitvoerlegging van deze beschikking te bewerkstelligen door middel van de sterke arm van politie en justitie.
Bij beschikking van 15 januari 2025 van het Gerechtshof Den Haag is de beschikking
van 28 juni 2024 bekrachtigd met uitzondering van de tenuitvoerlegging met de sterke arm.
Bij beschikking van 30 juni 2026 van deze rechtbank is – met wijziging in zoverre van de beschikking van het gerechtshof Den Haag van 15 januari 2025 – bepaald dat [minderjarige] in de even weken van vrijdagmiddag uit school tot maandagochtend naar school bij de moeder zal zijn. Hiertegen is appel ingesteld door de vader. Dat dient op 29 oktober 2026.
3 Het geschil
De vader vordert de omgangsregeling uit de beschikking van 30 juni 2026 te schorsen totdat het gerechtshof een uitspraak heeft gedaan in bovengenoemde zaak.
Daartoe voert de vader – samengevat – het volgende aan. De vader heeft recentelijk voor de tweede maal keer een afluisterapparaat aangetroffen, nu in de knuffel van [minderjarige], waarmee geluidsopnames kunnen worden gemaakt en de locatie kan worden gevolgd. Hierdoor wist de moeder dat de vader en [minderjarige] op vakantie zouden gaan naar [plaats], waarna zij eveneens zelf ook naar [plaats] is gereisd. Deze actie past in een patroon dat de moeder al jarenlang laat zien: zij uit herhaaldelijk onterechte beschuldigingen jegens de vader en onderneemt impulsieve acties, ingegeven door haar – onterechte – bezorgdheid om [minderjarige] bij de vader. Gelet op de ernstige aard van de meest recentelijke privacy-inbreuk, acht de vader zowel zijn eigen veiligheid als die van [minderjarige] niet langer gewaarborgd bij contact tussen [minderjarige] en de moeder.
De moeder voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.
4 De beoordeling van het geschil
Voordat de voorzieningenrechter de vordering van de vader inhoudelijk beoordeelt, zal hij eerst beoordelen of sprake is van een spoedeisend belang bij de gevraagde voorziening. Dat is het geval wanneer van de vader in redelijkheid niet kan worden gevergd dat hij een beslissing in een bodemprocedure afwacht.
De voorzieningenrechter ziet zich voor de vraag gesteld of sprake is van een zodanig onveilige situatie voor [minderjarige] en de vader, dat een beslissing in de bodemprocedure niet kan worden afgewacht. De moeder betwist zowel dat zij een zender en/of volgapparaat in de knuffel van [minderjarige] heeft geplaatst, als dat haar reis naar [plaats] – die de moeder als zodanig niet betwist - verband hield met de vakantie van [minderjarige] en de vader in [plaats].
Aangenomen dat hetgeen de vader stelt juist is, dan is naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen sprake van een dusdanig acuut dreigend gevaar voor de veiligheid van [minderjarige] en de vader, dat onmiddellijk ingrijpen geboden is. De vader heeft het gevaar voor de (fysieke) veiligheid van [minderjarige] en die van hemzelf niet concreet gemaakt, zodat dit voor de voorzieningenrechter onvoldoende duidelijk is geworden. Het gestelde plaatsen van apparatuur in de knuffel en het volgen van de vader en [minderjarige] naar [plaats], is daarvoor onvoldoende. De gestelde dreigementen door de (ex)partner van de moeder zijn daarvoor ook onvoldoende, omdat die al enige tijd geleden zouden hebben plaatsgevonden en geen direct verband lijken te houden met de situatie nu. Er bestaat dan ook geen noodzaak om voor de korte periode (enkele maanden) tot aan de beslissing van het hof in de bodemprocedure een ordemaatregel te treffen. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de vader geen spoedeisend belang heeft bij zijn vordering en zal deze vordering derhalve afwijzen.
Omdat partijen ex-partners zijn en het een omgangsgeschil betreft zullen de proceskosten worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.
5 De beslissing
De voorzieningenrechter:
wijst de vordering van de vader af;
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. P. Burgers en in het openbaar uitgesproken op 17 september 2026.
SN
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.