Uitspraak · Personen- en familierecht
Rechtbank Den Haag, 17 september 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:30600Zaaknummer C/09/710178 / FA RK 26-7879
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum uitspraak
- 17 september 2026
- Publicatiedatum
- 22 oktober 2026
- Zaaknummer
- C/09/710178 / FA RK 26-7879
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Personen- en familierecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig, Voorlopige voorziening, Beschikking
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Voorlopige voorzieningen
De rechtbank:
*bepaalt dat de man bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning aan het adres [adres] en beveelt mitsdien dat de vrouw die woning dient te verlaten en verder niet mag betreden en bij het eerste overdrachtsmoment van de kinderen de sleutels van de woning aan de man dient te overhandigen;
*bepaalt dat de minderjarigen:
- [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2022 te [geboorteplaats 1],
- [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2024 te [geboorteplaats 2].
aan de vrouw worden toevertrouwd;
* stelt een voorlopige zorgregeling vast, inhoudende dat Ferzane en Zeren bij beide partijen eerst drie aaneengesloten verblijven en vervolgens bij beide partijen vier aaneengesloten dagen verblijven, waarbij de overdracht plaatsvindt om 16.00 uur op de parkeerplaats van politiebureau [locatie] en de communicatie tussen partijen – behoudens spoedeisende situaties – per e-mail verloopt en waarbij de man post die hij voor de vrouw ontvangt bij de overdracht van de kinderen aan de vrouw dient te geven;
*bepaalt dat de man aan de vrouw, met ingang van 17 september 2026 voorlopig een kinderalimentatie ten behoeve van Ferzane en Zeren van € 325,50 per maand, per kind zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
*verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
*bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;
*wijst af het meer of anders verzochte.
| Deze beschikking is gegeven door mr. A. P. de Klerk, rechter, tevens kinderrechter, bijgestaan door mr. A. Hoek als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 september 2026. |
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 26-7879
Zaaknummer: C/09/710178
Datum beschikking: 17 september 2026
Voorlopige voorzieningen
Beschikking op het op 30 juli 2026 ingekomen verzoek van:
[de vrouw],
de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. F. Durdu te Rotterdam.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de man],
de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. T. Harmankaya te ’s-Gravenhage.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
- het verzoekschrift;
- het verweerschrift van 28 augustus 2026, van de man.
- het F9-formulier met bijlagen van 31 augustus 2026, van de man;
- het verweerschrift tegen de zelfstandige verzoeken van 31 augustus 2026, van de vrouw;
- het F9-formulier met bijlage van 31 augustus 2026, van de vrouw.
Op 3 september 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld.
- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
- de man, bijgestaan door mr. U. Özcan, waarnemend voor zijn advocaat;
- [naam], namens de Raad voor de Kinderbescherming.
Feiten
- Partijen zijn gehuwd op [datum] 2020 te [plaats].
- Zij zijn de ouders van de volgende nu nog minderjarige kinderen:
- [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2022 te [geboorteplaats 1],
- [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2024 te [geboorteplaats 2].
- Partijen oefenen het gezamenlijk gezag over de kinderen uit.
- De vrouw heeft een verzoek tot echtscheiding bij de rechtbank ingediend, dat onder zaak- en rekestnummer C/09/710221 / FA RK 26-7903 in behandeling is.
Verzoek en verweer
Het verzoek van de vrouw strekt ertoe dat:
- de vrouw gerechtigd zal zijn tot het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning aan het adres [adres], met het bevel dat de man die woning dient te verlaten en deze gedurende de werking van de voorlopige voorziening verder niet mag betreden;
- de minderjarige kinderen van partijen aan de vrouw worden toevertrouwd;
- een door de man aan de vrouw te betalen voorlopige kinderalimentatie van € 486,90 per maand per kind wordt vastgesteld, althans een bedrag dat de rechtbank juist acht;
- een door de man aan de vrouw te betalen voorlopige partneralimentatie van € 1.000,- bruto per maand wordt vastgesteld, althans een bedrag dat de rechtbank juist acht;
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en kosten rechtens.
De man voert verweer en verzoekt:
- het verzoek van de vrouw tot vaststelling van een kinderalimentatie van € 486,90 per kind per maand af te wijzen, althans deze bijdrage met ingang van de datum van de door de rechtbank te wijzen beschikking vast te stellen op ten hoogste € 196,50 per kind per maand, bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen, met dien verstande dat de door de man over eenzelfde periode reeds betaalde bijdragen daarop in mindering strekken;
- het verzoek van de vrouw tot vaststelling van partneralimentatie van € 1.000 bruto per maand af te wijzen, althans een eventuele bijdrage niet eerder te laten ingaan dan op de datum van de door de rechtbank te wijzen beschikking en bij de vaststelling daarvan rekening te houden met de rechtstreeks door de man betaalde persoonlijke lasten van de vrouw, met dien verstande dat de bedragen die de man vanaf die datum aantoonbaar voldoet ter zake van de telefoonrekening, autoverzekering motorrijtuigenbelasting en zorgverzekering van de vrouw op die bijdrage in mindering strekken;
Voorts heeft de man zelfstandig verzocht:
- een voorlopige verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vast te stellen waarbij de kinderen afwisselend gedurende drie en vier aaneengesloten dagen bij ieder van partijen verblijven, overeenkomstig de tijdens het netwerkoverleg gemaakte afspraken, waarbij de wisselingen om 16.00 uur plaatsvinden op de parkeerplaats van politiebureau [locatie] en partijen, behoudens spoedeisende situaties, per e-mail met elkaar communiceren;
- te bepalen dat de man bij uitsluiting van de vrouw gerechtigd zal zijn tot het gebruik van
de echtelijke woning aan het adres [adres] en de vrouw te bevelen:
- de echtelijke woning niet zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de man te betreden, waaronder begrepen het betreden van de woning voor het ophalen van post of persoonlijke zaken, waarbij de man de aan de vrouw gerichte post afzonderlijk zal bewaren en deze op een vooraf afgestemd moment aan haar of aan een door haar aangewezen derde zal overhandigen;
- alle sleutels van de echtelijke woning waarover zij beschikt binnen twee dagen na de datum van de beschikking aan de man af te geven;
- althans ten aanzien van de hiervoor genoemde onderwerpen een zodanige voorlopige
voorziening te treffen die de rechtbank juist acht,een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en kosten rechtens.
De vrouw voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Beoordeling
Voorgeschiedenis
De rechtbank stelt vast dat partijen tot begin juli 2026 in gezinsverband hebben samengewoond in de echtelijke woning. Tijdens de eerste helft van juli 2026 zijn de spanningen tussen partijen hoog opgelopen en is de situatie geëscaleerd. Naar aanleiding daarvan heeft de vrouw aangifte gedaan en is aan de man op 11 juli 2026 een tijdelijk huisverbod opgelegd. Naar aanleiding van het huisverbod hebben op 27 en 31 juli 2026 netwerkgesprekken plaatsgevonden. Daarbij waren vertegenwoordigers van onder meer de Reclassering, de Crisisdienst Huisverbod, het Crisisinterventieteam, Veilig Thuis en het Veilig Verder Team aanwezig. Tijdens deze gesprekken is ingezet op het maken van veiligheidsafspraken, waarbij partijen onder meer een tijdelijke zorgregeling overeen zijn gekomen, te weten een 3-3-4-4-regeling. Dat betekent dat de kinderen afwisselend eerst drie aaneengesloten dagen en dan vier aaneengesloten dagen bij beide partijen verblijven. Verder hebben partijen, in samenspraak met de betrokken hulpverlening, afgesproken dat de overdracht om 16.00 uur plaatsvindt op neutraal terrein, namelijk op de parkeerplaats van politiebureau [locatie]. Ook is bij die gelegenheid overeengekomen dat de communicatie over de kinderen per e-mail verloopt. Partijen hebben in samenspraak met de hulpverlening afgesproken dat voornoemde afspraken gelden tot in onderhavige procedure een beslissing is genomen. Het huisverbod is – na een verlenging – op 8 augustus 2026 geëindigd, waarna de man is teruggekeerd naar de echtelijke woning. De vrouw en de kinderen hebben de echtelijke woning kort daarvoor verlaten en zijn zij bij de ouders van de vrouw ingetrokken. Op 18 augustus 2026 zijn de man en de kinderen twee weken met elkaar op vakantie geweest
Uitsluitend gebruik echtelijke woning en voorlopige zorgregeling
De man acht het van belang dat de rechtbank de door partijen overeengekomen afspraken vastlegt als voorlopige zorgregeling. De vrouw kan zich daar niet in vinden, omdat de communicatie tussen partijen ernstig is verstoord, met als gevolg dat een co-ouderschapsregeling praktisch niet uitvoerbaar is. Ook maakt zij zich zorgen over de veiligheid van de kinderen bij de man en of de man in staat is om voor twee kinderen te zorgen. Daarbij is de regeling volgens de vrouw niet haalbaar voor de man omdat hij fulltime en onregelmatig werkt. De vrouw stelt zich op het standpunt dat zij tijdens de samenleving van partijen het grootste deel van de zorgtaken op zich heeft genomen. Zij vindt het belangrijk dat deze structuur gehandhaafd blijft. De vrouw wil rustig opbouwen naar een regeling waarbij de kinderen veruit het grootste deel van de tijd bij haar zijn.
De rechtbank ziet aanleiding om het verzoek van de man toe te wijzen – onder gelijktijdige afwijzing van het verzoek van de vrouw – en overweegt hiertoe als volgt. Door partijen wordt op dit moment uitvoering gegeven aan voornoemde 3-3-4-4-regeling, zoals partijen tijdens de netwerkgesprekken, en dus in samenspraak met de betrokken hulpverlening, overeen zijn gekomen. Anders dan de vrouw is de rechtbank van oordeel dat beëindiging of een aanzienlijke beperking van de inmiddels aangevangen regeling een nieuwe en onnodige verandering betekent voor de kinderen. Dat acht de rechtbank niet in hun belang. De rechtbank weegt hierbij mee dat de man ook een rol had in de opvoeding en de verzorging van de kinderen en dat de kinderen en de man elkaar dagelijks zagen. Verder is de rechtbank van oordeel dat, hoewel de kinderen getuige zijn geweest van spanningen, ruzies en escalaties tussen partijen, uit de stukken en het verhandelde ter zitting onvoldoende blijkt dat het voor de kinderen onveilig is bij de man. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de professionele hulpverlening deze regeling kennelijk niet onveilig vindt, en dat de vrouw op de zitting heeft verklaard dat zij geen onrust of andere bijzonderheden bij de kinderen heeft ervaren na de vakantie van de kinderen bij de man. Verder is de rechtbank, van oordeel dat voldoende blijkt dat de man in staat is om uitvoering te geven aan voornoemde zorgregeling, in het bijzonder nu de man in de ziektewet zit, waardoor hij voldoende tijd en ruimte heeft om de zorgtaken op zich te nemen. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank een voorlopige zorgregeling vaststellen inhoudende dat de kinderen afwisselend eerst drie aaneengesloten dagen en dan vier aaneengesloten dagen bij beide partijen verblijven, waarbij de overdracht plaatsvindt om 16.00 uur op de parkeerplaats van politiebureau [locatie] en de communicatie tussen partijen – behoudens spoedeisende situaties – per e-mail verloopt.
Uitsluitend gebruik echtelijke woning
Ten aanzien van de verzoeken van partijen tot het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning overweegt de rechtbank dat de vrouw op dit moment niet in staat is om de lasten van de woning te voldoen en de man wel. Voor zover de vrouw stelt dat de man eigenaar is van een woning die hij verhuurt en daarom eenvoudig over alternatieve woonruimte kan beschikken gaat de rechtbank daaraan voorbij. Uit niets blijk dat de man die woning op korte termijn kan betrekken. Bovendien zou hij in dat geval zowel de kosten voor deze woning als voor de echtelijke woning moeten betalen, waardoor hij dubbele lasten moet dragen. De rechtbank neemt verder in aanmerking dat de vrouw op dit moment op een voor de kinderen vertrouwde plek verblijft, te weten bij haar ouders. Het voorgaande brengt mee dat de rechtbank zal bepalen dat de man voorlopig het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning toekomt. Dit betekent ook dat de vrouw de sleutels van die woning aan de man dient te overhandigen maar ook dat de man gehouden is om de post die voor de vrouw binnenkomt aan de vrouw te geven. Dat kan tijdens de overdracht van de kinderen.
Toevertrouwing minderjarigen Partijen verzoeken over en weer de minderjarigen aan haar dan wel hem toe te vertrouwen, zodat de rechtbank op dit punt zal beslissen. Hoewel de man de afgelopen jaren ook heeft bijgedragen in de opvoeding en verzorging van de kinderen, staat ook vast dat de vrouw de afgelopen jaren de primaire dagelijkse zorg voor de kinderen heeft gedragen. Gelet daarop acht de rechtbank het in het belang van de kinderen dat zij gedurende de echtscheidingsprocedure aan de vrouw worden toevertrouwd. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw toewijzen.
Voorlopige kinderalimentatie
Vooraf De vrouw verzoekt een voorlopige kinderalimentatie vast te stellen. Bij de beoordeling van dit verzoek stelt de rechtbank voorop dat deze voorlopige vaststelling het karakter heeft van een ordemaatregel. Daarbij is het uitgangspunt dat wordt uitgegaan van de actuele situatie van partijen, voor zover de rechtbank daar voldoende inzicht in heeft. Indien de rechtbank onvoldoende inzicht in de situatie van partijen heeft, zal de rechtbank beoordelen wat zij redelijk acht en in dat kader een schatting maken.
Verder neemt de rechtbank bij de vaststelling van de kinderalimentatie en de berekening de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie (hierna: de expertgroep) opgenomen in het Rapport alimentatienormen (hierna: het rapport) als uitgangspunt.
Behoefte
De vrouw kan zich vinden in de door man overgelegde financiële gegevens. De rechtbank zal de man dan ook volgen in zijn behoefteberekening, in die zin dat de behoefte van de kinderen € 1.058,- per maand bedraagt in 2026.
De rechtbank zal hierna beoordelen in welke verhouding deze behoefte tussen partijen moet worden verdeeld.
Draagkracht man De vrouw kan zich vinden in de door de man overgelegde draagkrachtberekening, waaruit een netto besteedbaar inkomen (NBI) van de man van € 4.921,- volgt en een draagkracht van € 1.394,- per maand. De rechtbank zal bij deze berekening aansluiten.Draagkracht vrouwTussen partijen is de draagkracht van de vrouw in geschil. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat de vrouw in 2025 de eenmanszaak, ‘[handelsnaam]’, is gestart. De man geeft aan dat het onduidelijk is in hoeverre de onderneming inkomsten oplevert voor de vrouw en dat de vrouw hierover onduidelijkheid laat bestaan. Daarnaast stelt de man zich op het standpunt aan de zijde van de vrouw voldoende capaciteit is om inkomen te genereren. Van de vrouw mag aldus verwacht worden dat zij gaat werken.
De vrouw heeft aangegeven dat zij momenteel geen inkomen genereert uit haar onderneming, omdat zij onvoldoende tijd heeft om hierin te investeren, gelet op de zorg die zij draagt voor de kinderen.
De rechtbank ziet geen aanleiding om bij de berekening van de draagkracht van de vrouw rekening te houden met een inkomen uit onderneming aan haar zijde. De man heeft op de zitting erkend dat de vrouw tijdens de samenleving niet werkte. Nu partijen sinds kort gescheiden van elkaar leven acht de rechtbank het dan ook onwaarschijnlijk dat haar inkomenssituatie in deze korte periode is veranderd. Ook uit de door de vrouw overgelegde BTW-aangifte van het eerste kwartaal van 2026 blijkt niet dat de vrouw inkomen genereert uit haar onderneming. Voorts ziet de rechtbank geen aanleiding om rekening te houden met een verdiencapaciteit aan de zijde van de vrouw. In het kader van de voorlopige voorzieningen procedure wordt zoveel als mogelijk zonder nader onderzoek aangesloten bij de actuele situatie van partijen. De vraag of rekening moet worden gehouden met een verdiencapaciteit vergt nader onderzoek waarvoor in deze voorlopige voorzieningenprocedure geen ruimte is. De rechtbank gaat daarom voorbij aan de stelling van de man op dit punt.
Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank aanleiding om uit te gaan van de door de man in het geding gebrachte draagkrachtberekening, waarbij gerekend is met een inkomen van nihil aan de zijde van de vrouw en waar een NBI van € 702,- per maand uit volgt. Bij een NBI tot € 1.950,- per maand geldt volgens de draagkrachttabel (2026) een minimale draagkracht van € 50,- per maand voor twee of meer kinderen. De rechtbank zal daarom deze draagkracht voor de vrouw in aanmerking nemen.
Gezamenlijke draagkracht De draagkracht van de ouders bedraagt gezamenlijk (€ 1.394,- + € 50 =) € 1.444,- per maand. Dit is voldoende om in de behoefte van de kinderen van € 1.058,- te voorzien. De rechtbank zal daarom een draagkrachtvergelijking maken. Hiervoor gebruikt de rechtbank de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte, oftewel:
het eigen aandeel van de man: 1.394 / 1.444 x 1.058 = 1.021
het eigen aandeel van de vrouw: 50 / 1.444 x 1.058 = 37
samen 1.058
Van de totale behoefte van de kinderen komt dus een gedeelte van € 1.021,- per maand voor rekening van de man en een gedeelte van € 37,- per maand voor rekening van de vrouw.
Zorgkorting
De rechtbank baseert de zorgkorting op de door de rechtbank vastgestelde voorlopige zorgregeling. De rechtbank gaat uit van een zorgkorting van 35%, nu sprake is van een co-ouderschapsregeling. De zorgkorting strekt in mindering op het hiervoor berekende aandeel (0,35 x € 1.058,- = € 370,-). De door de man te betalen voorlopige bijdrage bedraagt dan voor beide kinderen gezamenlijk € 651,- per maand (€ 1.021,- – € 370,-).
Ingangsdatum De rechtbank zal deze bijdrage vaststellen per de datum van deze beschikking, nu de man wekelijks € 100,- aan de vrouw voldoet als voorlopige bijdrage in de kosten van de verzorging en de opvoeding van de kinderen.
Conclusie Gelet op het voorgaande zal de rechtbank bepalen dat de man met ingang van de datum van deze beschikking een bedrag van € 651,- per maand aan de vrouw moet voldoen, zijnde € 325,50 per kind per maand.
Voorlopige partneralimentatie
Ontvankelijkheid en (aanvullende) behoefte
De vrouw stelt dat zij behoefte heeft aan een bijdrage van de man in haar levensonderhoud. Zij heeft haar behoefte begroot op circa € 2.085,- netto per maand. Wat betreft haar aanvullende behoefte voert de vrouw aan dat zij geen inkomen heeft. De vrouw beperkt haar verzoek in het kader van deze voorlopige voorzieningen tot een bijdrage van 1.000,- bruto per maand. Zij acht de man in staat deze bijdrage te voldoen.
De man verzoekt het verzoek van de vrouw tot een voorlopige partneralimentatie niet-ontvankelijk te verklaren, nu het verzoek en de daarbij gegeven toelichting volgens hem uitermate summier is. De man is van mening dat de vrouw onvoldoende heeft onderbouwd dat zij behoefte heeft aan een bijdrage van € 1.000,- bruto per maand.
De rechtbank zal voorbij gaan aan het ontvankelijkheidsverweer van de man. Zoals hiervoor bij de voorlopige kinderalimentatie al overwogen staat vast dat de vrouw op dit moment geen inkomen heeft. Nu de vrouw geen inkomen uit arbeid dan wel anderszins heeft, acht de rechtbank voldoende aannemelijk dat behoefte bestaat aan een bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat in het kader van de voorlopige voorzieningenprocedure zoveel mogelijk wordt uitgegaan van de feitelijke situatie van partijen. Ook gaat de rechtbank wederom voorbij aan de stelling van de man dat de vrouw een verdiencapaciteit heeft en verwijst in dat verband naar hetgeen hiervoor is overwogen bij de berekening van de voorlopige kinderalimentatie.
Draagkracht man
Zoals in het kader van de voorlopige kinderalimentatie reeds overwogen volgt de rechtbank de door de man overgelegde draagkrachtberekening, nu de vrouw zich hierin kan vinden. Volgens de berekening van de man heeft hij in het kader van de voorlopige partneralimentatie een NBI van € 4.889,- per maand en een draagkracht van € 1.021,- per maand.
Zoals hiervoor overwogen gaat de rechtbank uit van een draagkracht van de man van € 1.021,- per maand. Nu kinderalimentatie voor gaat op partneralimentatie brengt de rechtbank de kosten die de man voor de kinderen maakt nog in mindering op voornoemde draagkracht. Bij de berekening van de voorlopige kinderalimentatie heeft de rechtbank uitgelegd dat de man een bedrag van € 651,- per maand aan kinderalimentatie moet voldoen. Daarnaast draagt de man al een bedrag van € 370,- per maand aan kosten op de momenten dat de kinderen bij hem zijn. In totaal betaalt de man dus € 1.021,- per maand aan de kinderen. Er blijft dan geen draagkracht over voor (voorlopige) partneralimentatie.
Conclusie
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het verzoek van de vrouw tot voorlopige partneralimentatie afwijzen.
Proceskosten Gelet op het feit dat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten compenseren als hierna vermeld.
Beslissing
De rechtbank:
*bepaalt dat de man bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning aan het adres [adres] en beveelt mitsdien dat de vrouw die woning dient te verlaten en verder niet mag betreden en bij het eerste overdrachtsmoment van de kinderen de sleutels van de woning aan de man dient te overhandigen;
*bepaalt dat de minderjarigen:
- [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2022 te [geboorteplaats 1],
- [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2024 te [geboorteplaats 2].
aan de vrouw worden toevertrouwd;
* stelt een voorlopige zorgregeling vast, inhoudende dat Ferzane en Zeren bij beide partijen eerst drie aaneengesloten verblijven en vervolgens bij beide partijen vier aaneengesloten dagen verblijven, waarbij de overdracht plaatsvindt om 16.00 uur op de parkeerplaats van politiebureau [locatie] en de communicatie tussen partijen – behoudens spoedeisende situaties – per e-mail verloopt en waarbij de man post die hij voor de vrouw ontvangt bij de overdracht van de kinderen aan de vrouw dient te geven;
*bepaalt dat de man aan de vrouw, met ingang van 17 september 2026 voorlopig een kinderalimentatie ten behoeve van Ferzane en Zeren van € 325,50 per maand, per kind zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
*verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
*bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;
*wijst af het meer of anders verzochte.
| Deze beschikking is gegeven door mr. A. P. de Klerk, rechter, tevens kinderrechter, bijgestaan door mr. A. Hoek als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 september 2026. |
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.