Uitspraak · Personen- en familierecht

Rechtbank Den Haag, 17 september 2026

ECLI:NL:RBDHA:2026:30588Zaaknummer C/09/645628 / FA RK 23-2510

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
17 september 2026
Publicatiedatum
22 oktober 2026
Zaaknummer
C/09/645628 / FA RK 23-2510
Rechtsgebied
Civiel recht, Personen- en familierecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig, Beschikking
Zittingsplaats
Den Haag
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Nevenvoorzieningen bij scheiding

De rechtbank:

*

bepaalt dat de man aan de vrouw, met ingang van 17 september 2026 een kinderalimentatie ten behoeve van de minderjarigen:

  • [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2008 te [geboorteplaats 1], [land],
  • [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2014 te [geboorteplaats 2],

van € 25 per maand, per kind zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen, en verklaart de bepaling van deze bijdrage uitvoerbaar bij voorraad;

*

wijst de overige verzoeken van de vrouw af.

Deze beschikking is gegeven door mr. C.L. Strop, rechter, tevens kinderrechter, bijgestaan door mr. A.F. Lemmens als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 17 september 2026.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. Nevenvoorzieningen bij scheiding
  2. Procedure
  3. Beoordeling
  4. Beslissing

Rechtbank DEN HAAG

Enkelvoudige Kamer

Rekestnummer: FA RK 23-2510

Zaaknummer: C/09/645628

Datum beschikking: 17 september 2026

Nevenvoorzieningen bij scheiding

Beschikking op het op 31 maart 2023 ingekomen verzoek van:

[de vrouw],

de vrouw,

wonende in [woonplaats],

advocaat: mr. J.W. Stok te Delft.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de man],

de man,

wonende in [woonplaats],

advocaat: mr. M.A.V. Hoogerduyn te Voorburg.

Procedure

Bij beschikking van deze rechtbank van 19 april 2024 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en bepaald dat:

  • de minderjarigen hun hoofdverblijfplaats zullen hebben bij de vrouw;
  • de man aan de vrouw met ingang van vandaag voorlopig voor voornoemde minderjarigen een kinderalimentatie zal betalen van € 250,- per maand per kind;
  • de vrouw met ingang van de datum van inschrijving van deze beschikking in de registers van de burgerlijke stand de huurster zal zijn van de woonruimte aan het adres [adres];
  • de advocaten zich uiterlijk twee weken voor de na te noemen pro forma datum schriftelijk dienen uit te laten over de al dan niet bereikte overeenstemming en, indien geen overeenstemming is bereikt, hun standpunten met bijbehorende stukken bij de rechtbank dienen in te dienen.

Iedere verdere beslissing ten aanzien van de kinderalimentatie, de partneralimentatie en de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap is tot 1 oktober 2024 pro forma aangehouden.

De rechtbank heeft wederom kennisgenomen van de stukken, waaronder:

  • het F9 formulier van 1 oktober 2024, met bijlage, van de zijde van de man;
  • het F9 formulier van 31 december 2024 van de zijde van de vrouw;
  • het F9 formulier van 6 januari 2025, met bijlage, van de zijde van de man;
  • het F9 formulier van 8 oktober 2025 van de zijde van de vrouw;
  • het bericht van 24 februari 2026 van de zijde van de vrouw;
  • het bericht van 22 juli 2026 van de zijde van de vrouw.

Beoordeling

De rechtbank handhaaft al hetgeen bij genoemde beschikking is overwogen en beslist, voor zover in deze beschikking niet anders wordt overwogen en beslist. In de beschikking van 19 april 2024 heeft de rechtbank overwogen en bepaald dat indien partijen geen overeenstemming zouden bereiken over de kinderalimentatie, de partneralimentatie en de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap, dat zij hun standpunten daaromtrent met bijbehorende stukken bij de rechtbank dienden in te dienen.

De rechtbank constateert op basis van de berichten van 1 oktober 2024 van de man en 31 december 2024 van de vrouw dat het partijen niet gelukt is om overeenstemming te bereiken. Partijen hebben echter hun standpunten niet (nader) met stukken onderbouwd aan de rechtbank kenbaar gemaakt. Partijen hebben de rechtbank weliswaar verzocht een nieuwe zitting te bepalen, maar hebben de rechtbank niet met stukken duidelijk gemaakt wat tijdens een zitting zou moeten worden besproken. De rechtbank zal daarom overgaan tot het nemen van een beslissing op de openstaande verzoeken.

Kinderalimentatie

Partijen hebben bij beschikking van 19 april 2024 een voorlopige afspraak gemaakt over de kinderalimentatie. Nu partijen geen definitieve afspraken hebben gemaakt en kinderalimentatie van openbare orde is zal de rechtbank een beslissing nemen op basis van de beschikbare stukken.

Ingangsdatum

Om proceseconomische redenen zal de rechtbank eerst de ingangsdatum vaststellen. De rechtbank stelt voorop dat zij op grond van artikel 1:402 van het Burgerlijk Wetboek (BW) een grote mate van vrijheid heeft bij het vaststellen van de ingangsdatum. Drie data liggen het meest voor de hand: de datum van het inleidend (zelfstandig)verzoek, de datum waarop de rechter beslist of de datum waarop de omstandigheden intreden die voor de onderhoudsverplichting bepalend zijn.

Nu partijen een voorlopige afspraak hadden gemaakt zal de rechtbank de ingangsdatum van de definitieve kinderalimentatie zijnde 17 september 2026.vaststellen op de datum van de beschikking,

Behoefte

Bij het bepalen van de behoefte hanteert de rechtbank de uitgangspunten, zoals deze zijn neergelegd in het Rapport Alimentatienormen van de Expertgroep Alimentatie en de daarbij behorende ‘Tabel Eigen Aandeel Kosten Kinderen’. Voor het bepalen van de behoefte dient allereerst het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI) van partijen ten tijde van het uiteengaan te worden bepaald. Partijen zijn in 2023 uit elkaar gegaan zodat de rechtbank zal rekenen met de tarieven 2023-I.

Voor de berekening van het netto besteedbaar inkomen (NBI) van de man gaat de rechtbank uit van inkomen dat de man in zijn verweerschrift heeft genoemd, te weten € 4.000,- per maand danwel € 48.000,- per jaar.

Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de volgende fiscale heffingskortingen:

  • de algemene heffingskorting;
  • de arbeidskorting.

De rechtbank berekent het NBI van de man daarmee op € 3.015,- per maand.

De vrouw heeft haar inkomsten in 2023 niet nader onderbouwd en het door de man gestelde inkomen niet betwist, zodat de rechtbank voor de berekening van het NBI van de vrouw uitgaat van en netto inkomen van € 1.350,- per maand.

De rechtbank berekent het NBI van de vrouw op € 1.350,- per maand.

Het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI) van partijen bedroeg in 2023 dus € 4.627,- per maand (€ 3.015,- + € 1.350,-). Op basis van dit NBGI hadden partijen recht op een kindgebonden budget van € 262,- per maand, zodat de rechtbank daarmee rekening zal houden. Op basis van de tabel eigen aandeel kosten van kinderen 2023 bedraagt de behoefte van de kinderen in 2023 € 1.089,-. Geïndexeerd naar 2026 bedraagt de behoefte € 1.288,- per maand.

Draagkracht

Vervolgens dient te worden beoordeeld in welke verhouding de ouders dienen bij te dragen in de behoefte van de kinderen. De rechtbank volgt ook daarbij het Rapport Alimentatienormen, waaruit volgt dat het eigen aandeel in de kosten van de kinderen tussen partijen moet worden verdeeld naar rato van hun draagkracht. Het bedrag aan draagkracht in 2026 wordt vastgesteld aan de hand van de formule: 70% van [NBI -(0,3 x NBI + 1.365)].

Vanwege de ingangsdatum, te weten 17 september 2026, rekent de rechtbank met de tarieven 2026-II.

Draagkracht van de man

De man stelt dat zijn inkomen ongeveer € 2.000,- is, maar heeft zijn inkomen verder niet nader onderbouwd. Bij een gebrek aan stukken zal de rechtbank uitgaan van een inkomen aan de zijde van de man van € 2.000,- x 12 = € 24.000,- per jaar.

De rechtbank houdt verder rekening met:

  • de algemene heffingskorting;
  • de arbeidskorting.

Uitgaande van bovenstaande gegevens, berekent de rechtbank het NBI van de man in 2026 op € 1.939,- per maand en de draagkracht van de man op € 50,- per maand.

Draagkracht van de vrouw

Wegens een gebrek aan stukken gaat de rechtbank net als bij de behoefte uit van de door de man gestelde inkomen van de vrouw van netto € 1.350,- per maand.

De rechtbank houdt verder rekening met:

  • de algemene heffingskorting;
  • het kindgebonden budget;
  • de alleenstaande ouderkop.

Uitgaande van deze gegevens, berekent de rechtbank het NBI van de vrouw in 2026 op € 2.205,- per maand en de draagkracht van de vrouw op € 125,- per maand.

Zorgkorting

Nu de man heeft aangegeven naar [land] te zijn verhuisd gaat de rechtbank ervan uit dat er geen structurele omgang plaatsvindt tussen de man en de kinderen zodat de rechtbank geen rekening zal houden met een zorgkorting.

Conclusie

De draagkracht van partijen bedraagt gezamenlijk € 175,- per maand (€ 50 + € 125). Dit is onvoldoende om volledig in de behoefte van de kinderen te voorzien. De rechtbank komt daarom niet toe aan een draagkrachtvergelijking. Er is sprake van een tekort van € 1.113,- (€ 1.288,- - € 175,-) per maand.

De rechtbank zal gelet op het voorgaande bepalen dat de man, met ingang van de datum van deze beschikking, € 50,- per maand, te weten € 25,- per kind per maand, aan de vrouw moet voldoen.

Aanhechten berekeningen

De door de rechtbank gemaakte berekeningen zijn aan deze beschikking gehecht en maken daarvan deel uit.

Partneralimentatie

De vrouw heeft verzocht een partneralimentatie vast stellen van € 1.000,- per maand.

Nu het partijen niet is gelukt om overeenstemming te bereiken hadden zij hun standpunten ten aanzien van de partneralimentatie onderbouwd met stukken aan de rechtbank kenbaar moeten maken. De man stelt dat hij niet in staat is de partneralimentatie te betalen. De man is verhuisd naar [land] en stelt een inkomen te hebben van rond de € 2.000,- euro. De vrouw handhaaft haar verzoek.

Nu partijen geen nadere stukken hebben overgelegd ter onderbouwing van hun standpunten acht de rechtbank het verzoek van de vrouw onvoldoende onderbouwd. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw ten aanzien van de partneralimentatie daarom afwijzen.

Verdeling van de huwelijksgemeenschap

De vrouw heeft verzocht om de verdeling van (een deel van) de tussen partijen bestaande gemeenschap vast te stellen overeenkomstig het nog in de procedure te brengen formulier verdelen/verreken.

Ook ten aanzien van de verdeling hebben partijen geen overeenstemming bereikt en hun standpunten niet onderbouwd met stukken aan de rechtbank kenbaar gemaakt. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw ten aanzien van de verdeling van de huwelijksgemeenschap daarom eveneens afwijzen.

Beslissing

De rechtbank:

*

bepaalt dat de man aan de vrouw, met ingang van 17 september 2026 een kinderalimentatie ten behoeve van de minderjarigen:

  • [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2008 te [geboorteplaats 1], [land],
  • [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2014 te [geboorteplaats 2],

van € 25 per maand, per kind zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen, en verklaart de bepaling van deze bijdrage uitvoerbaar bij voorraad;

*

wijst de overige verzoeken van de vrouw af.

Deze beschikking is gegeven door mr. C.L. Strop, rechter, tevens kinderrechter, bijgestaan door mr. A.F. Lemmens als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 17 september 2026.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.