Uitspraak · Personen- en familierecht

Rechtbank Den Haag, 16 september 2026

ECLI:NL:RBDHA:2026:30556Zaaknummer C/09/711392 / JE RK 26-1508

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
16 september 2026
Publicatiedatum
22 oktober 2026
Zaaknummer
C/09/711392 / JE RK 26-1508
Rechtsgebied
Civiel recht, Personen- en familierecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig, Beschikking
Zittingsplaats
Den Haag
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling. Het verzoek wordt aangehouden.

6 De beslissing

De kinderrechter:

6.1.

houdt de behandeling van het verzoek aan tot een nader te bepalen zitting, gelegen vóór 16 maart 2027;

6.2.

verzoekt de griffier tegen voornoemde zitting op te roepen:

- de moeder;

- de vader;

- de Raad;

- de gecertificeerde instelling;

- [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2], voor een kindgesprek.

6.3.

verzoekt de Raad om uiterlijk twee weken voorafgaand aan de voornoemde zitting een schriftelijke update zoals genoemd onder 5.3. aan de rechtbank en de belanghebbenden te sturen.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 16 september 2026 door mr. M.J.L. van der Waals, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. T.A.A. Hilhorst als griffier, en op schrift gesteld op 5 oktober 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 Het verloop van de procedure
  2. 2 De feiten
  3. 3 Het verzoek
  4. 4 De standpunten
  5. 5 De beoordeling
  6. 6 De beslissing

RECHTBANK DEN HAAG

Familie- en Jeugdrecht

Zaaknummer: C/09/711392 / JE RK 26-1508

Datum uitspraak: 16 september 2026

Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling

in de zaak van

de Raad voor de Kinderbescherming,

'sGravenhage,

hierna te noemen de Raad,

over

[de minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2012 in [geboorteplaats],

hierna te noemen: [de minderjarige 1],

en

[de minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2016 in [geboorteplaats],

hierna te noemen: [de minderjarige 2],

hierna gezamenlijk te noemen: de kinderen.

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de moeder],

hierna te noemen: de moeder,

wonende in [woonplaats],

[de vader],

hierna te noemen: de vader,

wonende in [woonplaats].

De kinderrechter merkt als informant aan:

Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden,

hierna te noemen: de gecertificeerde instelling.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 21 augustus 2026.

1.2.

De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 16 september 2026. Daarbij waren aanwezig:

- de vader;

- de moeder;

- [naam 1], namens de Raad;

- [naam 2], namens de gecertificeerde instelling.

1.3.

De kinderrechter heeft [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] uitgenodigd voor een kindgesprek. De vader heeft per mailbericht van 14 september 2026 laten weten dat de kinderen geen gebruik willen maken van deze mogelijkheid.

2 De feiten

2.1.

[de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] zijn erkend door de vader.

2.2.

De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2].

2.3.

[de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] wonen afwisselend bij hun vader en moeder.

3 Het verzoek

3.1.

De Raad verzoekt [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4 De standpunten

4.1.

De vader en de moeder hebben al vanaf de kleutertijd van de kinderen gevraagd om passende hulpverlening voor [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2]. Tot op heden hebben zij niet de juiste hulpverlening gekregen in het vrijwillig kader. De moeder vertelt dat zij zich hard inzet voor de kinderen, maar zij voelt zich niet gehoord en gezien door de betrokken hulpverlening, met name het Veilig Verder Team (VVT). Zij geeft aan dat het haar over de schoenen loopt, maar dat er nu wel een GZ-psycholoog betrokken is en dat er financiering is voor een persoonlijkheidsonderzoek van [de minderjarige 1]. Ook is er zicht op hulpverlening voor [de minderjarige 2] en er wordt nu door verschillende instanties druk uitgeoefend op het VVT. Recent zijn er dus wel wat dingen veranderd en in werking gezet. De vader en de moeder kunnen er daarom mee instemmen om het verzoek voor zes maanden aan te houden.

4.2.

De gecertificeerde instelling geeft ter zitting aan dat zij ook de zorgen zien, maar dat de ouders zelf in staat zijn om de juiste hulpverlening in te schakelen in het vrijwillig kader. Een ondertoezichtstelling is volgens de gecertificeerde instelling een te zware maatregel.

5 De beoordeling

5.1.

De kinderrechter ziet aanleiding om het verzoek tot ondertoezichtstelling aan te houden voor de duur van zes maanden. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.

5.2.

De vader en de moeder zetten zich al lange tijd hard in om passende hulpverlening in te zetten voor [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2]. Met de hulpverlening in het vrijwillig kader is het nog onvoldoende gelukt om de zorgen weg te nemen. Hierdoor lijkt met name de moeder overbelast te raken. Ter zitting is gebleken dat er door de aanhoudende inspanningen van de moeder recent een aantal positieve ontwikkelingen zijn geweest wat de hulpverlening betreft. Op dit moment zou een overstap naar het gedwongen kader die positieve ontwikkelingen misschien juist onnodig kunnen vertragen. Daarom vindt de kinderrechter dat eerst moet worden afgewacht of inderdaad nu de hulp die voor de kinderen nodig is van start zal kunnen gaan, voordat hulpverlening in het gedwongen kader wordt ingezet. De kinderrechter zal het verzoek van de Raad daarom voor zes maanden aanhouden. De Raad wijst de ouders er ter zitting op dat zij zo nodig eerder aan de bel kunnen trekken.

5.3.

De kinderrechter wil na de periode van zes maanden van de Raad horen of de hulpverlening in het vrijwillig kader daadwerkelijk (voldoende) van de grond is gekomen en of de Raad het verzoek handhaaft. De kinderrechter verzoekt de Raad daarom om uiterlijk twee weken voor de nog nader te bepalen zittingsdatum aan de rechtbank en de belanghebbenden een schriftelijke update te sturen met daarin de huidige stand van zaken.

6 De beslissing

De kinderrechter:

6.1.

houdt de behandeling van het verzoek aan tot een nader te bepalen zitting, gelegen vóór 16 maart 2027;

6.2.

verzoekt de griffier tegen voornoemde zitting op te roepen:

- de moeder;

- de vader;

- de Raad;

- de gecertificeerde instelling;

- [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2], voor een kindgesprek.

6.3.

verzoekt de Raad om uiterlijk twee weken voorafgaand aan de voornoemde zitting een schriftelijke update zoals genoemd onder 5.3. aan de rechtbank en de belanghebbenden te sturen.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 16 september 2026 door mr. M.J.L. van der Waals, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. T.A.A. Hilhorst als griffier, en op schrift gesteld op 5 oktober 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.