Uitspraak · Personen- en familierecht
Rechtbank Den Haag, 16 september 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:30514Zaaknummer C/09/667490 / FA RK 24-4030
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum uitspraak
- 16 september 2026
- Publicatiedatum
- 22 oktober 2026
- Zaaknummer
- C/09/667490 / FA RK 24-4030
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Personen- en familierecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig, Beschikking
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
gezamenlijk gezag, vaststelling zorgregeling en kinderalimentatie na vervangende toestemming erkenning.
De rechtbank:
*
bepaalt dat de minderjarigen:
- [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2012 te [geboorteplaats 1];
- [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2013 te [geboorteplaats 1];
- [minderjarige 3], geboren op [geboortedatum 3] 2015 te [geboorteplaats 1];
- [minderjarige 4], geboren op [geboortedatum 4] 2016 te [geboorteplaats 1];
- [minderjarige 5], geboren op [geboortedatum 5] 2020 te [geboorteplaats 1];
bij de man zullen zijn:
om de week (in de oneven weken) vanaf zaterdag tussen 17.00 en 18.00 uur tot donderdag naar school, alsmede de helft van de vakanties in onderling overleg te verdelen;
*
bepaalt dat de man aan de moeder, met ingang van 19 augustus 2026 een kinderalimentatie ten behoeve van voornoemde minderjarigen van € 100,-- per maand, per kind zal betalen, vanaf heden telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
*
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
*
houdt de beslissing op het verzoek van de man ten aanzien van het gezamenlijk gezag aan tot 15 november 2026 pro forma.
| Deze beschikking is gegeven door mr. A.M. van der Vliet, kinderrechter, bijgestaan door D. van den Born als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 september 2026. |
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 24-4030
Zaaknummer: C/09/667490
Datum beschikking: 16 september 2026
Gezag, omgangsregeling / verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en kinderalimentatie
Beschikking op het op 27 mei 2024 ingekomen verzoek van:
[de man],
de man
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. J.M. Wigman te Den Haag.
Als belanghebbenden worden aangemerkt:
[de moeder],
de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. G. van der Steen te Den Haag,
Procedure
Bij beschikking van 15 mei 2025 is gegrond verklaard het verzoek van de minderjarige kinderen:
- [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2012 te [geboorteplaats 1];
- [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2013 te [geboorteplaats 1];
- [minderjarige 3], geboren op [geboortedatum 3] 2015 te [geboorteplaats 1];
- [minderjarige 4], geboren op [geboortedatum 4] 2016 te [geboorteplaats 1];
- [minderjarige 5], geboren op [geboortedatum 5] 2020 te [geboorteplaats 1],
geboren uit [de moeder] – geboren op [geboortedatum 6] 1989 te [geboorteland 1] – en in rechte worden vertegenwoordigd door de bijzondere curator mr. M. Braat, advocaat te Den Haag,
tot ontkenning van het vaderschap van: [de vader], geboren op [geboortedatum 7] 1978 te [geboorteplaats 2], [geboorteland 2].
Bij beschikking van 10 maart 2026 van deze rechtbank is aan verzoeker toestemming verleend, die de toestemming van de moeder vervangt, tot erkenning van de minderjarigen:
- [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2012 te [geboorteplaats 1];
- [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2013 te [geboorteplaats 1];
- [minderjarige 3], geboren op [geboortedatum 3] 2015 te [geboorteplaats 1];
- [minderjarige 4], geboren op [geboortedatum 4] 2016 te [geboorteplaats 1];
- [minderjarige 5], geboren op [geboortedatum 5] 2020 te [geboorteplaats 1].
Bij deze beschikking zijn de werkzaamheden van de bijzondere curator voor deze procedure als beëindigd beschouwd en is de behandeling van het verzoek tot vervangende toestemming erkenning, gezamenlijk gezag, de omgangsregeling c.q. zorgregeling en kinderalimentatie aangehouden tot een nader te bepalen datum.
De rechtbank heeft wederom kennis genomen van de stukken, waaronder thans ook:
- het F9-formulier van 16 juli 2026 met bijlagen van de zijde van de moeder;
- de brief met bijlagen van 17 juli 2026 van de zijde van de man.
Op 22 juli 2026 is de behandeling ter terechtzitting voortgezet. Hierbij zijn verschenen: de man en de moeder met hun advocaten. Namens de Raad voor de Kinderbescherming (de raad) is [naam] verschenen.
Na de zitting heeft de rechtbank ontvangen:
- het F9-formulier van de zijde van de man van 24 juli 2026
- het F9-formulier van de zijde van de moeder van 24 juli 2026;
- het F9-formulier van de zijde van de man van 11 augustus 2026.
Beoordeling
De rechtbank handhaaft al hetgeen bij genoemde beschikking is overwogen en beslist.
Erkenning
Uit het na de zitting ontvangen F9-formulier van de zijde van de man van 11 augustus 2026 volgt dat de man de kinderen nog niet heeft kunnen erkennen, omdat bij de gemeente niet bekend was dat de moeder gehuwd is geweest en er een andere vader in beeld is geweest. Dat betekent dat de rechtbank in deze beschikking nog niet definitief kan beslissen op het verzoek van de man ten aanzien van het gezag. De rechtbank zal het betreffende verzoek van de man, vooruitlopend op zijn juridisch vaderschap, wel alvast beoordelen, omdat dit verzoek ook al op zitting met partijen is besproken en beslissing over de erkenning in kracht van gewijsde is.
Gezag
De man heeft verzocht om hem gezamenlijk met de moeder te belasten met het gezag over de kinderen. Hij wil graag een rol van betekenis in het leven van de kinderen spelen en ook een stem hebben in belangrijke beslissingen die betrekking hebben op de kinderen.
De moeder verzet zich tegen gezamenlijk gezag. Zij is er bang voor dat er meningsverschillen met de man gaan ontstaan, met name over de praktische uitoefening van haar geloof. De moeder is jehovagetuige. De moeder heeft haar leven met de kinderen in de afgelopen jaren ingericht met inachtneming van haar geloof waarbij geen feestdagen en verjaardagen worden gevierd. De moeder wil niet dat de kinderen in de war raken als zij zich bij de man niet aan deze regels hoeven te houden.
De rechtbank overweegt als volgt.
Op grond van artikel 1:253c, eerste en tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de tot het gezag bevoegde ouder van het kind, die nooit het gezag gezamenlijk met de moeder heeft uitgeoefend, de rechtbank verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag te belasten. Het verzoek wordt slechts afgewezen indien er een onaanvaardbaar risico is dat de minderjarige klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of indien afwijzing anderszins in het belang van de minderjarige noodzakelijk is.
De rechtbank stelt voorop dat uitgangspunt van de wetgever is dat het in het belang van het kind is dat het gezag zo mogelijk gezamenlijk door beide ouders wordt uitgeoefend en dat slechts in uitzonderingsgevallen kan worden aangenomen dat het belang van het kind vereist dat één van de ouders met het gezag is belast.
De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de kinderen klem en verloren zullen raken bij toewijzing van het verzoek van de man. De kinderen hebben er recht op en belang bij dat hun beide ouders betrokken zijn bij te nemen (belangrijke) gezagsbeslissingen. De ouders hebben in de afgelopen periode laten zien dat zij in het belang van de kinderen met elkaar kunnen communiceren. De ouders zijn van ver gekomen, maar het gaat veel beter tussen de ouders dan in het begin van deze procedure. Beide ouders zijn het erover eens dat het eventueel hervatten van het voortijdig beëindigde ouderschapstraject bij [zorginstantie] voor een verdere verbetering van de communicatie niet nodig is. Op de zitting is gebleken dat de ouders ook in staat zijn om samen afspraken te maken. De omstandigheid dat de moeder jehovagetuige is en de man niet, is onvoldoende reden om de man, zodra hij juridische vader is, niet mede met gezag te belasten. Er is geen aanleiding te veronderstellen dat de man de moeder zal belemmeren bij gezagsbeslissingen in het belang van de kinderen. De man heeft er blijk van gegeven de geloofsovertuigingen van de moeder en de regels die de moeder op grond daarvan voor de kinderen hanteert, ook te respecteren. De kinderen hebben echter een vader die niet jehovagetuige is. De moeder zal dat ook moeten respecteren. De kinderen kunnen zo profiteren van wat hun beide ouders hen te bieden hebben. De ouders zijn samen verantwoordelijk voor (het welzijn van) vijf minderjarige kinderen en zullen zich ervoor moeten (blijven) inzetten dat zij zoveel mogelijk op één lijn komen als het gaat om belangrijke zaken die de kinderen betreffen. De man is al langer in het leven van de kinderen betrokken en de ouders zijn het erover eens dat de man méér zorgtaken zal gaan verrichten, zoals hij ook wenst en zoals in deze beschikking ook zal worden vastgelegd. Naar het oordeel van de rechtbank hoort hier ook bij dat de ouders samen belangrijke beslissingen over de kinderen nemen.
Aanhouding beslissing ten aanzien van gezag
Omdat de erkenning van de kinderen door de man nog niet heeft plaatsgevonden, zal de rechtbank, overeenkomstig het verzoek van de man, de definitieve beslissing op het verzoek over het gezag twee maanden aanhouden. De rechtbank geeft beide partijen mee dat het in het belang van de kinderen is om de erkenning van de kinderen door de man zo spoedig mogelijk te laten registreren. Als daarvoor alsnog ook nog handelingen van de moeder nodig zijn, dan verwacht de rechtbank van de moeder dat zij daartoe ook het nodige zal verrichten. Zodra de rechtbank de akten van erkenning heeft ontvangen, zal de rechtbank – zonder nadere mondelinge behandeling – alsnog definitief op het verzoek ten aanzien van het gezag beslissen. Mocht de gemeente de verleende vervangende toestemming voor de erkenning van de kinderen door de man binnen deze termijn nog steeds niet kunnen verwerken, dan dienen (de advocaten van) partijen zich uit te laten over de voortzetting van deze procedure. Daarbij kunnen zij zich ook beraden over een mogelijk andere wijze om tot het gewenste resultaat te komen. Eventueel zal opnieuw een mondelinge behandeling worden bepaald.
Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (zorgregeling)
Zodra de rechtbank het verzoek tot het gezamenlijk gezag van de man zoals hiervoor is overwogen heeft toegewezen, wordt niet meer gesproken over omgangsregeling, maar over zorgregeling.
De ouders hebben het contact tussen de man en de kinderen sinds december 2024 opgebouwd. Hun onderlinge communicatie is in de tussengelegen periode verbeterd en zij zijn in staat gebleken tot het maken van afspraken in onderling overleg.
Op dit moment zijn de kinderen om de week een weekend bij de man en als (één van) de kinderen langer wil(len) blijven, lukt het de ouders om dit in onderling overleg af te stemmen. De man wil graag uitbreiding van de huidige regeling en de moeder staat daar ook achter, maar zij verschilden van mening over de praktische uitvoering.
Op zitting is hierover uitgebreid met de ouders in aanwezigheid van de raad gesproken en zijn partijen met elkaar tot afspraken gekomen. De kinderen zullen vanaf de zomervakantie vijf dagen per veertien dagen bij de man zijn. Op de zaterdagen in de oneven weken zal de man en/of zijn vriendin de kinderen ophalen bij de moeder tussen 17.00 en 18.00 uur. Vervolgens zal de man de kinderen op donderdag naar school brengen waarna de moeder de kinderen uit school zal ophalen. De schoolvakanties zullen de ouders in onderling overleg bij helfte verdelen.
De rechtbank acht de door de ouders afgesproken regeling in het belang van de kinderen. Zo hebben zij ruim contact met beide ouders en kunnen beide ouders ook aan hun eigen rust toekomen in de periode dat de kinderen bij de andere ouder zijn. De rechtbank zal deze (zorg)regeling daarom in het belang van de kinderen vastleggen.
Kinderalimentatie
Partijen hebben na de mondelinge behandeling ook overeenstemming bereikt over de kinderalimentatie en zijn het erover eens geworden dat deze kan worden vastgesteld op het door de moeder verzochte bedrag van op € 100,- per kind per maand.
Uit het F9 formulier van de man van 24 juli 2026 volgt dat partijen het volgende zijn overeengekomen:
“Partijen stellen de behoefte van de kinderen op basis van het actuele inkomen van de man ter hoogte van € 46.008,- en een NBI van € 3.350,- op € 897,- per maand (€ 179,- per kind per maand).Met het inkomen van de man ter hoogte van bruto € 3.736,- per
maand te vermeerderen met 8% vakantietoeslag en wisselende ingehouden pensioenpremies, een zorgkorting van 35% en waarbij het aandeel van de man op 100% wordt gesteld en het aandeel van de vrouw op 0% wordt gesteld (in verband met haar uitkering op basis van de Participatiewet), kan zijn bijdrage worden gesteld op € 100,-
per kind per maand. Partijen komen overeen dat datum beschikking als ingangsdatum
heeft te gelden. Tenslotte komen partijen overeen dat zij bij een wijziging van omstandigheden in onderling overleg met hun raadslieden tot een nieuwe beoordeling zullen komen. In dat kader merken zij op dat de man op dit moment geen bruto winst uit onderneming genereert en dat de vrouw een uitkering op basis van de Participatie wet ontvangt.”
De rechtbank zal daarom een kinderalimentatie vaststellen van € 100,- per kind per maand, door de man aan de moeder te voldoen met ingang van 19 augustus 2026, de beschikkingsdatum zoals genoemd bij het sluiten van de mondelinge behandeling en van welke datum partijen bij het maken van hun afspraak over kinderalimentatie ook zijn uitgegaan.
Beslissing
De rechtbank:
*
bepaalt dat de minderjarigen:
- [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2012 te [geboorteplaats 1];
- [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2013 te [geboorteplaats 1];
- [minderjarige 3], geboren op [geboortedatum 3] 2015 te [geboorteplaats 1];
- [minderjarige 4], geboren op [geboortedatum 4] 2016 te [geboorteplaats 1];
- [minderjarige 5], geboren op [geboortedatum 5] 2020 te [geboorteplaats 1];
bij de man zullen zijn:
om de week (in de oneven weken) vanaf zaterdag tussen 17.00 en 18.00 uur tot donderdag naar school, alsmede de helft van de vakanties in onderling overleg te verdelen;
*
bepaalt dat de man aan de moeder, met ingang van 19 augustus 2026 een kinderalimentatie ten behoeve van voornoemde minderjarigen van € 100,-- per maand, per kind zal betalen, vanaf heden telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
*
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
*
houdt de beslissing op het verzoek van de man ten aanzien van het gezamenlijk gezag aan tot 15 november 2026 pro forma.
| Deze beschikking is gegeven door mr. A.M. van der Vliet, kinderrechter, bijgestaan door D. van den Born als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 september 2026. |
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.