Uitspraak · Vreemdelingenrecht
Rechtbank Den Haag, 14 oktober 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:30485Zaaknummer NL26.45812
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum uitspraak
- 14 oktober 2026
- Publicatiedatum
- 22 oktober 2026
- Zaaknummer
- NL26.45812
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Voorlopige voorziening
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
verzoek om voorlopige voorziening hangende bezwaar - Richtlijn Tijdelijke Bescherming - geen spoedeisend belang
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. de Wit, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S. Vlassak, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.45812
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[verzoekster] , V-nummer: [v-nummer] , verzoekster
(gemachtigde: mr. D.O. Wernsing),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister
(gemachtigde: mr. K.E. Heins).
Inleiding
1. Verzoekster heeft zich bij de gemeente Leidschendam-Voorburg gemeld voor verblijf op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming (hierna: RTB).[_d44bc24f-11cc-49ae-adec-da2233d8c586]
Bij besluit van 8 juli 2026 (het primaire besluit) heeft de minister vastgesteld dat verzoekster geen recht heeft op verblijf op grond van de RTB.
Verzoekster heeft op 24 juli 2026 bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit bij de minister en - samenhangend met deze bezwaarprocedure - een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 2 oktober 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, de gemachtigde van verzoekster, N. Epstein als tolk en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Waar gaat deze zaak over?
2. Verzoekster heeft de Oekraïense nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1981. Zij heeft zich op 3 juni 2026 gemeld bij de gemeente Leidschendam-Voorburg. De minister heeft bij besluit van 8 juli 2026 vastgesteld dat verzoekster niet onder de RTB valt, omdat zij al tijdelijke bescherming in Duitsland heeft. Een van de uitgangspunten sinds een door de minister nieuw gestarte pilot op 15 juni 2026 is dat een RTB-aanvraag vanaf die datum wordt geweigerd, als een vreemdeling op het moment van toetsen al tijdelijke bescherming in een andere lidstaat heeft gehad. Daarbij is volgens de minister niet van belang of de tijdelijke bescherming in een andere Unielidstaat nog actueel is.[_a5d0145f-6909-42d1-b4ee-136a5dedb5c7] Volgens de minister heeft verzoekster zich op 23 juni 2026 gemeld, waardoor zij onder de pilot valt.
Om te voorkomen dat verzoekster geen rechtmatig verblijf meer heeft en geen toegang meer heeft tot de arbeidsmarkt, heeft zij bezwaar gemaakt tegen het besluit en tegelijk ook de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Wat vindt verzoekster?
3. Verzoekster is van mening dat er sprake is van spoedeisend belang, omdat zij niet beschikt over een geldig verblijfsrecht in Nederland tijdens de procedure en geen uitvoering kan geven aan de arbeidsovereenkomst die zij aangeboden heeft gekregen bij [bedrijfsnaam] BV. Ook heeft het bezwaar van verzoekster een redelijke kans van slagen, nu de minister ten onrechte de datum van de aanvraag voor tijdelijke bescherming heeft vastgesteld op 23 juni 2026. Verzoekster is namelijk op 2 juni 2026 Nederland binnen gekomen en zij heeft zich op 3 juni 2026 gemeld bij de gemeente. Ook is het Informatiebericht 2026/20 in strijd met Werkinstructie 2025/6[_e416e639-5ab2-4741-afd1-8e0fc56d233c], waaruit blijkt dat tijdelijke bescherming in een andere lidstaat niet wordt tegengeworpen aan de ontheemde. Tot slot verblijft verzoekster bij een gastgezin en zal zij in haar eigen levensonderhoud kunnen voorzien. Hierdoor zal zij geen aanspraak maken op de gemeentelijke opvang. Daarom weegt het belang van de afwijzing niet op tegen de belangen van verzoekster.
Wat is het oordeel van de voorzieningenrechter?
4. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Hieronder legt zij uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in de bodemprocedure niet.
Spoedeisend belang
5. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoekster geen spoedeisend belang heeft bij haar verzoek. In dit verband overweegt de voorzieningenrechter dat het bestreden besluit geen terugkeerbesluit is. Uit dit besluit vloeit daarom niet voort dat verzoekster op korte termijn Nederland dient te verlaten en wordt overgedragen aan Oekraïne. Ook heeft verzoekster niet gesteld, noch is gebleken dat zij niet meer bij het gastgezin kan verblijven. De rechtbank wijst er verder op dat enkel een financieel belang onvoldoende is om uit te gaan van spoedeisendheid.[_c8bb3407-ec99-466e-a6a2-dcc1ee098769] Niet is gebleken dat verzoekster in een acute financiële noodsituatie terecht zou komen. Van een spoedeisend belang om te worden behandeld als vallend onder de RTB gedurende de bezwaarprocedure, is de rechtbank dan ook niet gebleken.
Evident onrechtmatig
6. Als het spoedeisend belang ontbreekt, kan de voorzieningenrechter alleen een voorlopige voorziening treffen als het besluit evident onrechtmatig is. Met evident onrechtmatig wordt bedoeld dat zonder diepgaand onderzoek naar de relevante feiten en/of het recht, zeer ernstig moet worden betwijfeld of het bestreden besluit uiteindelijk in stand zal blijven. De voorzieningenrechter oordeelt dat het bestreden besluit niet evident onrechtmatig is. De minister heeft er op zitting op gewezen dat uit Werkinstructie 2025/6 volgt dat de inschrijving in de BRP wordt aangemerkt als startdatum van de aanvraag. Gelet op deze werkinstructie is de startdatum van 23 juni 2026 naar het oordeel van de rechtbank niet op het eerste gezicht evident onrechtmatig. Daarnaast stond in het Uitvoeringsbesluit 2022/382[_b6ea8f2c-edcc-4d24-b8d7-33b05a287f81] weliswaar dat ontheemden niet konden worden terug gestuurd naar een lidstaat van eerder verblijf waar zij eerder tijdelijke bescherming genoten. Dit is echter veranderd met Uitvoeringsbesluit 2025/1460[_d234ed8f-8a31-44b2-8127-61287ea6236e]. Onder punt 4 staat namelijk dat lidstaten – om meerdere registraties voor tijdelijke bescherming te voorkomen - verzoeken om een verblijfsvergunning moeten afwijzen wanneer duidelijk is dat die persoon tijdelijke bescherming in een andere lidstaat heeft verkregen. Op het moment dat de tijdelijke bescherming in die andere lidstaat onduidelijk is of er niet is, dan kan dit anders zijn. In het geval van verzoekster is echter niet in geschil dat zij tijdelijke bescherming heeft in Duitsland. Het bestreden besluit is daarom op dit punt evenmin evident onrechtmatig.
Conclusie en gevolgen
7. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.
8. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. de Wit, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S. Vlassak, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Voetnoten
- Richtlijn 2001/55 EG.
- IB 2026/20 Nieuwe weigerings- en beëindigingsbevoegdheid RTB (tijdelijke bescherming in andere EU-lidstaat).
- WI 2025/6 Oekraïne en de Richtlijn Tijdelijke Bescherming.
- Zie uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), van 17 mei 2006, ECLI:NL:RVS:2006:AX4387.
- Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382, van 4 maart 2022, tot vaststelling van het bestaan van een massale toestroom van ontheemden uit Oekraïne in de zin van artikel 5 van Richtlijn 2001/55/EG, en tot invoering van tijdelijke bescherming naar aanleiding daarvan.
- Uitvoeringsbesluit (EU) 2025/1460, van 15 juli 2025, tot verlenging van de tijdelijke bescherming die is ingevoerd bij Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Deze uitspraak verwijst naar
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.