Uitspraak · Vreemdelingenrecht

Rechtbank Den Haag, 15 oktober 2026

ECLI:NL:RBDHA:2026:30476Zaaknummer NL25.61669

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
15 oktober 2026
Publicatiedatum
22 oktober 2026
Zaaknummer
NL25.61669
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats
Zwolle
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak uitsluitend of in de uitspraak van 29 mei 2026 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat het beroep niet-ontvankelijk is.

Beslissing

De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.L.M. Steinebach - de Wit, rechter, in aanwezigheid van S.E.M. Pot, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. Inleiding
  2. Beoordeling door de rechtbank
  3. Het beroep van opposanten
  4. Conclusie en gevolgen
  5. Beslissing
  6. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummers: NL25.61669

uitspraak van de enkelvoudige kamer op het verzet van

[opposant 1], V-nummer: [V-nummer 1],

[opposant 2], V-nummer: [V-nummer 2],

[opposant 3], V-nummer: [V-nummer 3], en

[opposant 4], V-nummer: [V-nummer 4], oppossanten[_cb355063-246e-4aba-8899-1ee0e3c6a799]

(gemachtigde: [gemachtigde]),

tegen de uitspraak van de rechtbank van 29 mei 2026 in het geding tussen

opposanten

en

de Minister van Asiel en Migratie, geopposeerde

(gemachtigde: mr. P. Boelhouwer).

Inleiding

1. Deze uitspraak op het verzet van opposanten gaat over de uitspraak van de rechtbank van 29 mei 2026 waarin de rechtbank het beroep van opposanten niet-ontvankelijk heeft verklaard.

1.1.

De rechtbank heeft het verzet op 17 september 2026 op zitting behandeld. De gemachtigde van opposanten is verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak uitsluitend of in de uitspraak van 29 mei 2026 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel[_c39ab721-ef20-4618-87fb-8e32496cf147] is dat het beroep niet-ontvankelijk is. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet. Aan de inhoud van de beroepsgronden komt de rechtbank in deze zaak pas toe als het verzet gegrond is.

3. De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Het beroep van opposanten

4. Het beroep van opposanten ging over de afwijzing van de aanvraag van opposanten tot het verlenen van een verblijfsvergunning. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 24 november 2025 kennelijk ongegrond verklaard.

De uitspraak van 29 mei 2026

5. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Dat mag de rechtbank als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft het beroep niet-ontvankelijk geacht. De reden hiervoor is dat de rechtbank tot de conclusie is gekomen dat het procesbelang is komen te vervallen omdat opposanten op 23 januari 2026 met onbekende bestemming (MOB) zijn vertrokken.

6. De rechtbank heeft de gemachtigde van opposanten met de brief van 27 januari 2026 gevraagd of hij nog contact heeft met opposanten over de voortgang van de procedure en hij weet of opposanten momenteel nog in Nederland verblijven. Hierop heeft de gemachtigde van opposanten niet gereageerd. De rechtbank heeft vervolgens op 11 februari, 26 februari en 9 maart 2026 nogmaals om een reactie verzocht. Ook hierop heeft de gemachtigde van opposanten niet gereageerd. Omdat niet is gebleken dat opposanten nog contact hebben met hun gemachtigde en de gemachtigde ook niet binnen de gestelde termijn heeft gereageerd op de berichten van de rechtbank, heeft deze rechtbank geoordeeld dat eiser geen procesbelang meer heeft bij een inhoudelijke beoordeling.

Beoordeling van het verzet

7. Opposanten voeren in verzet aan dat zij zich niet kunnen verenigen met de uitspraak van 29 mei 2026. In de uitspraak is namelijk vastgesteld dat opposanten met onbekende bestemming zijn vertrokken. Echter verbleven opposanten vanaf 26 maart 2026 in het AZC Den Bosch en waren zij ten tijde van de uitspraak dus niet met onbekende bestemming vertrokken. Ter zitting heeft de gemachtigde van opposanten een e-mailwisseling overgelegd met de instroommelding van 9 juli 2026 van het gezin op de COA-gezinslocatie in Burgum.

8. De minister heeft ter zitting twee overzichten laten zien met betrekking tot de verblijfplekken van opposanten. Deze overzichten heeft de minister met instemming van opposanten na afloop van de zitting toegevoegd aan het dossier.

9. De rechtbank oordeelt als volgt. In de brief van de minister van 27 januari 2026 wordt verwezen naar een bijlage waaruit blijkt dat opposanten met onbekende bestemming zijn vertrokken. Deze bijlage is echter niet toegevoegd aan het dossier. Uit de overzichten die de minister ter zitting heeft overgelegd, blijkt dat opposanten vanaf 20 januari 2026 tot 26 maart 2026 buiten het COA verbleven en zich op 27 maart 2026 weer hebben gemeld bij het COA Ter Apel.

10. De gemachtigde van opposanten heeft ter zitting aangevoerd niet te hebben gereageerd op de berichten van de rechtbank omdat hij op dat moment geen contact had met opposanten en daaruit geen voorbarige conclusies wilde trekken. Niet is gebleken dat de gemachtigde niet tijdig heeft kunnen reageren op de brief van 27 januari 2026, en op de rappelberichten van 11 februari, 26 februari en 9 maart 2026. Nu geen reactie is gekomen op de vier brieven, heeft de rechtbank niet anders dan kunnen oordelen dat er geen procesbelang meer was. Dat opposanten inmiddels zijn teruggekeerd, maakt dit niet anders.

Conclusie en gevolgen

11. De grond van het verzet slaagt niet. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding anders te oordelen dan in de uitspraak van 29 mei 2026. Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat die uitspraak in stand blijft. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.L.M. Steinebach - de Wit, rechter, in aanwezigheid van S.E.M. Pot, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

  1. Met opposanten wordt bedoeld de indieners van het verzetschrift.
  2. Dit volgt uit artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.