Uitspraak · Verbintenissenrecht

Rechtbank Den Haag, 6 oktober 2026

ECLI:NL:RBDHA:2026:30463Zaaknummer 12236445

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
6 oktober 2026
Publicatiedatum
21 oktober 2026
Zaaknummer
12236445
Rechtsgebied
Civiel recht, Verbintenissenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats
Den Haag
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Verzet tegen verstekvonnis. Overeenkomst van opdracht voor koeriersdiensten. Stelplicht art. 150 Rv. Facturen toegewezen op basis van dagelijks toegezonden werkbriefjes. Verrekeningsverweer gepasseerd, art. 6:136 BW. Tegenvordering wegens dubbel gedeclareerde uren onvoldoende onderbouwd. Erkende schade bestelbus toegewezen.

5 De beslissing

De kantonrechter

in het verzet

5.1.

bekrachtigt het verstekvonnis van 26 maart 2026 met zaaknummer 12147099 \ RL EXPL 26-6292,

5.2.

veroordeelt [partij B] in de kosten van de verzet procedure van € 504,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [partij B] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

in de reconventie

5.3.

veroordeelt [partij A] tot betaling aan [partij B] van € 1.207,46, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 8 mei 2026 tot aan de dag der algehele voldoening, te vermeerderen met de kosten van betekening als [partij A] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

5.4.

veroordeelt [partij B] in de kosten van de reconventie van € 576, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [partij B] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

in het verzet en in de reconventie

5.5.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

5.6.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. T.M. van den Bosch en in het openbaar uitgesproken op6 oktober 2026.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 De procedure
  2. 2 De kern van de zaak
  3. 3 Het geschil
  4. 4 De beoordeling
  5. 5 De beslissing

RECHTBANK DEN HAAG

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Den Haag

Zaaknummer: 12236445 \ RL EXPL 26-10254

MB/B/C

Vonnis in verzet van 6 oktober 2026

in de zaak van

[partij A], handelend onder de naam [handelsnaam 1],

te [woonplaats 1],

eisende partij in conventie,

gedaagde partij in het verzet en in reconventie,

hierna te noemen: [partij A],

gemachtigde: Incassocenter B.V.,

tegen

[partij B], handelend onder de naam [handelsnaam 2],

te [woonplaats 2],

gedaagde partij in conventie,

eisende partij in het verzet en in reconventie,

hierna te noemen: [partij B],

gemachtigde: mr. V.G. Baran.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • de inleidende dagvaarding van [partij A] van 18 februari 2026 met producties;
  • het verstekvonnis van 26 maart 2026 met zaak- en rolnummer 12147099 \ RL EXPL 26-6292;
  • de verzetdagvaarding van [partij B] van 8 mei 2026, met daarin ook een eis in reconventie, met producties;
  • de conclusie van antwoord in reconventie van 10 augustus 2026 met productie;
  • de akte bezwaar tegen late en omvangrijke overlegging, tevens uitlating, van 13 augustus 2026, met producties;
  • de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald;
  • de aktes uitlaten voortzetten procedure van 8 september 2026.
1.2.

De mondelinge behandeling was op 20 augustus 2026. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat tijdens de mondelinge behandeling is besproken. Die zittingsaantekeningen bevinden zich in het procesdossier.

1.3.

Ter zitting is ten slotte de zaak aangehouden voor het beproeven van een schikking en naar de rol van 8 september 2026 verwezen voor akte uitlating voortzetting. Een schikking is niet tot stand gekomen zodat vervolgens vonnis is bepaald voor vandaag.

2 De kern van de zaak

2.1.

Tussen partijen bestond een (schriftelijke) overeenkomst van opdracht op grond waarvan [partij A] koeriers- en/of transportdiensten verrichtte voor [partij B]. [partij B] trad hierbij op als onderaannemer voor [bedrijfsnaam] die op haar beurt hoofdaannemer van PostNL was. [partij A] vordert betaling van een drietal onbetaald gebleven facturen voor een totaalbedrag van € 4.898,48, vermeerderd met rente en kosten. [partij B] betwist deze facturen omdat er te veel uren geregistreerd werden en in rekening zijn gebracht. Daarnaast vordert [partij B] als tegenvordering terugbetaling van eerder te veel gefactureerde en betaalde uren voor een totaalbedrag van € 15.293,77. Ook vordert [partij B] als tegenvordering schadevergoeding van € 1.207,46 voor de door [partij A] veroorzaakte schade aan de bestelbus van [partij B]. De kantonrechter wijst de vordering van [partij A] toe. Van de vorderingen van [partij B] wordt alleen het bedrag van de schadevergoeding voor de schade aan de bestelbus toegewezen.

3 Het geschil

In het verzet

3.1.

[partij A] heeft in de verstekprocedure (met nummer 12147099 \ RL EXPL 26-6292)- samengevat – gevorderd dat de kantonrechter [partij B] zal veroordelen tot betaling van € 6.261,38 vermeerderd met de wettelijke handelsrente.

3.2.

[partij A] legt aan zijn vordering ten grondslag dat hij transportwerkzaamheden heeft verricht voor [partij B]. Hij stuurde dagelijks ingevulde werkbriefjes met bestede uren en heeft die uren in drie facturen aan [partij B] in rekening gebracht.

3.3.

[partij B] voert verweer en betwist de onbetaald gebleven facturen gedeeltelijk omdat er uren volgens hem dubbel gedeclareerd zijn. Voor het deel van de facturen dat niet door hem betwist is beroept hij zich op verrekening. Hij heeft vastgesteld dat eerdere - reeds betaalde - facturen van [partij A] ook te veel uren bevatten en vordert die te veel betaalde uren terug als tegenvordering op grond van onverschuldigde betaling of ongerechtvaardigde verrijking.

3.4.

In het verstekvonnis zijn de vorderingen van [partij A] volledig toegewezen en is [partij B] veroordeeld in de proceskosten.

3.5.

[partij B] vordert in het verzet dat het verstekvonnis wordt vernietigd en dat de vorderingen van [partij A] alsnog worden afgewezen.

In reconventie

3.6.

[partij B] heeft een tegenvordering ingesteld bestaande uit – zakelijk weergegeven – een verklaring voor recht dat [partij A] in de periode 27 juli 2023 tot 18 oktober 2024 in totaal 451,41 uren onverschuldigd heeft gefactureerd en ook betaling van € 15.293,77 wat betreft die dubbel gefactureerde uren en van € 1.207,46 wat betreft schade door [partij A] veroorzaakt aan de bestelbus van [partij B], vermeerderd met rente en kosten.

3.7.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

in het verzet

4.1.

Het verzet is op tijd en op de juiste wijze ingesteld.

4.2.

In deze kwestie komt het in zowel in het verzet als in reconventie aan op de stelplicht van artikel 150 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. [partij A] moet voor zijn vordering tot betaling van zijn facturen stellen en zo nodig bewijzen dat hij de gedeclareerde uren daadwerkelijk gewerkt heeft. Voor de tegenvordering van [partij B] wegens ongerechtvaardigde verrijking of onverschuldigde betaling geldt hetzelfde. [partij B] moet stellen en zo nodig bewijzen dat de door hem gestelde 451,41 uren niet door [partij A] gewerkt zijn, of dat [partij A] daar al eerder betaling voor heeft ontvangen.

4.3.

De kantonrechter is van oordeel dat [partij A] voldoende gemotiveerd heeft gesteld dat de door hem in rekening gebrachte uren ook daadwerkelijk gewerkt zijn. Hij heeft werkbriefjes in het geding gebracht en ter zitting verklaard dat hij deze werkbriefjes dagelijks invulde, daar een foto van maakte en die dan per Whatsapp naar [partij B] stuurde. [partij B] heeft dit ter zitting bevestigd. Verder heeft [partij A] ter zitting toegelicht dat hij voor de wijze waarop hij de briefjes invulde en de facturen opstelde de instructies van [partij B] volgde.

Werkbriefjes konden worden gecontroleerd

4.4.

[partij B] heeft erkend de werkbriefjes te hebben ontvangen en het had dus ook op zijn weg gelegen om de daarop geregistreerde uren te controleren, en indien zij incorrect waren, daarop te reageren. Daarvan is niet gebleken. Over het algemeen is dit nu juist het doel van het dagelijks toesturen van werkbriefjes met urenregistratie zodat het nalaten daarvan (over een langere periode) in dit geval aan [partij B] kan worden tegengeworpen.

[partij A] reed met een tweede auto en chauffeur

4.5.

Ter verklaring van het feit dat de totale uren op sommige werkbriefjes hoger waren dan de uren tussen de opgegeven begin- en eindtijd, heeft [partij A] aangevoerd dat hij op bepaalde dagen met een tweede auto en chauffeur de betreffende ritten heeft gereden. Voor die dagen zou de instructie van [partij B] zijn geweest dat ook die uren op hetzelfde werkbriefje moesten worden vermeld. [partij B] heeft weliswaar ter zitting gesteld dat hem die tweede auto niet bekend was, maar gelet op de gemotiveerde stellingen van [partij A] over de instructies van [partij B] met betrekking tot de werkbriefjes en factuurposten (K5 en K7, zie hierna 4.12) had het op zijn weg gelegen om met meer te komen dan een enkel kale betwisting.

Verrekening wordt gepasseerd

4.6.

De kantonrechter kan op grond van 6:136 Burgerlijk Wetboek (‘BW’) een vordering, ondanks een beroep van de gedaagde op verrekening, toewijzen, indien de gegrondheid van dit verweer niet op eenvoudige wijze is vast te stellen en de vordering overigens voor toewijzing vatbaar is. Gelet op de gemotiveerde betwisting door [partij A] is de gegrondheid van het verweer niet op eenvoudige wijze vast te stellen. Het beroep op verrekening hangt samen met [partij B]’s vordering in reconventie en wordt daarom daar nader beoordeeld. Op grond van artikel 6:136 BW zal de kantonrechter het beroep in het verzet op verrekening verwerpen. Dit leidt tot de conclusie dat de vordering van [partij A] zal worden toegewezen.

4.7.

De gemachtigde van [partij B] heeft na de mondelinge behandeling en vóór het wijzen van dit vonnis een verzoek gedaan om bij akte nadere bewijstukken in het geding te brengen ter onderbouwing van zijn verweer in het verzet en van zijn vordering in reconventie. De kantonrechter gaat aan dit verzoek voorbij omdat partijen voldoende gelegenheid hebben gehad om hun stellingen te onderbouwen en toe te lichten, zowel bij verzetdagvaarding als voor en tijdens de mondelinge behandeling.

Conclusie

4.8.

Gezien hetgeen hiervoor is overwogen over de vordering in het verzet, wordt het verstekvonnis bekrachtigd.

4.9.

[partij B] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) van het verzet betalen. De kosten van [partij A] worden begroot op:

- salaris gemachtigde€360,00(1 punt × € 360,00)
- nakosten€144,00(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal€504,00
4.10.

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

in de reconventie

4.11.

De kantonrechter is van oordeel dat [partij B] de volgens hem door [partij A] niet gewerkte of dubbel gedeclareerde uren niet heeft kunnen onderbouwen. [partij B] heeft een lijst van data in de periode 27-07-2023 tot en met 18-10-2024 overgelegd met daarbij per datum de volgens hem te veel gedeclareerde uren (zonder verdere toelichting), maar dit verder niet – ook niet ter zitting - onderbouwd.

4.12.

Door [partij A] werden twee routes van PostNL in opdracht van [partij B] gereden, de zogenoemde ritnummers 5010 en 433. [partij B] heeft ter zitting toegelicht dat op de facturen van [partij A] op instructie van [partij B] twee posten werden opgenomen, K7 en K5. De uren voor de 433 rit moesten worden gedeclareerd onder de post K7 (ochtendrit) terwijl de uren voor rit 5010 onder post K5 (middagrit) moesten worden opgenomen. [partij A] heeft gesteld dat hij sinds het begin van de overeenkomst op dezelfde manier gefactureerd heeft en dat hij nooit klachten van [partij B] heeft ontvangen.

4.13.

[partij B] heeft over de wijze waarop de 5010 uren door [partij A] gedeclareerd werden niet veel duidelijkheid verschaft. Dat had naar het oordeel van de kantonrechter wel op zijn weg gelegen, omdat hij stelt dat uren van de 5010 rit ten onrechte zijn opgevoerd op de werkbriefjes en/of facturen van de 433 rit. [partij B] had bijvoorbeeld facturen van [partij A] voor de 5010 uren in dezelfde periode als waarop de betwiste facturen zien kunnen overleggen om zijn stellingen dat er dubbel gedeclareerd zou zijn te onderbouwen, maar dat heeft hij niet gedaan. De kantonrechter is daarom van oordeel dat niet is komen vast te staan dat er inderdaad uren dubbel zijn gedeclareerd.

4.14.

Ter zitting heeft [partij B] verder nog aangevoerd dat na de tweede controle door PostNL / ECK [partij B] met [partij A] om de tafel had willen zitten om de facturen aan te passen. Wat [partij B] betreft hadden de te veel gedeclareerde uren niet onder K7 moeten worden opgenomen maar onder K5. De kantonrechter concludeert op basis van dit verweer dat [partij B] niet zozeer de gemaakte uren betwist maar de administratieve wijze waarop deze op de factuur werden verantwoord. Daarmee heeft [partij B] naar het oordeel van de kantonrechter niet voldaan aan zijn stelplicht en daarom wordt de tegenvordering die ziet op de vermeende dubbel gedeclareerde uren afgewezen.

4.15.

Met betrekking tot de door [partij B] gevorderde schade wegens de door [partij A] veroorzaakte aanrijding heeft [partij A] ter zitting de tegenvordering daarover van € 1.207,46 erkend. De kantonrechter wijst daarom de vordering in reconventie toe tot dit bedrag.

Wettelijke rente

4.16.

[partij B] vordert over die schadevergoeding wettelijke rente vanaf 11 september 2023, de dag waarop de aanrijding plaatsvond. Voor de vraag vanaf welk moment wettelijke rente verschuldigd is, is van belang wanneer de schuldenaar in verzuim is (artikel 6:119 BW). Het verzuim treedt in wanneer de schuldenaar in gebreke wordt gesteld bij een schriftelijke aanmaning waarbij hem een redelijke termijn wordt gesteld en nakoming binnen deze termijn uitblijft. [partij B] heeft weliswaar gesteld dat hij [partij A] schriftelijk heeft aangemaand maar heeft daarvan niets overgelegd zodat niet vast te stellen is vanaf wanneer [partij A] in verzuim is. Dat kan in ieder geval nooit de datum van de aanrijding zijn zodat de kantonrechter om die reden de wettelijke rente toewijst vanaf de datum van de verzetdagvaarding, te weten 8 mei 2026.

4.17.

[partij B] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) in reconventie betalen. De kosten van [partij A] worden, gelet op de samenhang tussen de vorderingen in het verzet en in reconventie begroot op:

- salaris gemachtigde€432,00(2 punten ×factor 0,5 x € 432,00)
- nakosten€144,00(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal€576,00

5 De beslissing

De kantonrechter

in het verzet

5.1.

bekrachtigt het verstekvonnis van 26 maart 2026 met zaaknummer 12147099 \ RL EXPL 26-6292,

5.2.

veroordeelt [partij B] in de kosten van de verzet procedure van € 504,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [partij B] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

in de reconventie

5.3.

veroordeelt [partij A] tot betaling aan [partij B] van € 1.207,46, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 8 mei 2026 tot aan de dag der algehele voldoening, te vermeerderen met de kosten van betekening als [partij A] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

5.4.

veroordeelt [partij B] in de kosten van de reconventie van € 576, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [partij B] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

in het verzet en in de reconventie

5.5.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

5.6.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. T.M. van den Bosch en in het openbaar uitgesproken op6 oktober 2026.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.