Uitspraak · Personen- en familierecht
Rechtbank Den Haag, 15 september 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:30426Zaaknummer C/09/709608 / FA RK 26-7531
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum uitspraak
- 15 september 2026
- Publicatiedatum
- 21 oktober 2026
- Zaaknummer
- C/09/709608 / FA RK 26-7531
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Personen- en familierecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig, Voorlopige voorziening, Beschikking
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Voorlopige voorziening
De rechtbank:
bepaalt dat de minderjarigen:
- [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2013 te [geboorteplaats 1], en
- [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2017 te [geboorteplaats 2].
aan de vrouw zullen worden toevertrouwd;
bepaalt dat de minderjarigen voorlopig bij de man zullen zijn:
- om de week van vrijdag 19:00 uur tot zondag 19:00 uur;
- elke woensdag van 18:00 tot 20:00 uur;
bepaalt dat de vakanties van de minderjarigen voorlopig bij helfte tussen partijen worden verdeeld, waarbij de minderjarigen in de even jaren de eerste helft van de vakantie bij de man en de laatste helft van de vakantie bij de vrouw zijn;
bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van heden voorlopig een kinderalimentatie van € 276,- per kind per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders verzochte.
| Deze beschikking is gegeven door mr. C. Witteman, rechter, tevens kinderrechter, bijgestaan door mr. A.F. Lemmens als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 15 september 2026. |
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 26-7531
Zaaknummer: C/09/709608
Datum beschikking: 15 september 2026
Voorlopige voorzieningen
Beschikking op het op 20 juli 2026 ingekomen verzoek van:
[de vrouw],
de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. J. Celen te ’s-Gravenhage.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de man],
de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. S. Fattah te Rijswijk.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
- het verzoekschrift, met bijlagen;
- het F9 formulier van 7 augustus van de zijde van de man;
- het F9 formulier van 24 augustus 2026, met bijlagen, van de zijde van de vrouw;
- het F9 formulier van 28 augustus 2026, met bijlagen, van de zijde van de vrouw;
- het F9 formulier van 1 september 2026, met bijlagen, van de zijde van de man.
De minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over het verzoek. Zij hebben hier geen gebruik van gemaakt.
Op 1 september 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
- de man, bijgestaan door mr. S. Fattah als waarnemend advocaat;
- de advocaat van de vrouw.
Met instemming van de rechtbank zou de vrouw via een digitale verbinding aan de zitting deelnemen. Vanwege een onstabiele verbinding is dat niet gelukt. De zitting is voortgezet buiten de aanwezigheid van de vrouw, maar in aanwezigheid van haar advocaat.
De man heeft het verweerschrift foutief ingediend waardoor deze niet in behandeling is genomen. Na de zitting heeft de rechtbank alsnog het verweerschrift met producties ontvangen. De rechtbank zal hier geen kennis van nemen nu deze stukken na de zitting zijn ingediend.
Feiten
- Partijen zijn gehuwd op [datum] 2009 te [plaats], Turkije.
- Zij zijn de ouders van de volgende minderjarige kinderen:
- [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2013 te [geboorteplaats 1], en
- [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2017 te [geboorteplaats 2].
- De man heeft de Nederlandse nationaliteit en de vrouw heeft de Turkse nationaliteit
- De vrouw heeft een echtscheidingsverzoek ingediend, bekend onder zaak- en rekestnummer C/09/709715 FA RK 26-7610.
Verzoek en verweer
Het verzoek van de vrouw strekt ertoe dat:
- de minderjarige kinderen van partijen aan de vrouw worden toevertrouwd;
- een regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken ten aanzien van de minderjarige kinderen van partijen wordt vastgesteld, waarbij de minderjarige kinderen eenmaal per veertien dagen van vrijdag 19:00 uur tot zondag 19.00 uur, en elke woensdag van 18:00 tot 20:00 uur, bij de vader zullen verblijven en een verdeling van de vakantie- en feestdagen vast te stellen, volgens een regeling van even en oneven jaren, waarbij alle vakanties bij helfte wordt verdeeld tussen partijen, waarbij de kinderen in de even jaren de eerste helft van de vakantie bij de man zijn en de laatste helft van de vakantie bij de vrouw;
- een door de man aan de vrouw te betalen voorlopige kinderalimentatie van € 306,- per maand per kind wordt vastgesteld, telkens bij vooruitbetaling voor de 24ste van de maan te voldoen;
- een door de man aan de vrouw te betalen voorlopige partneralimentatie van € 48,- per maand aan de vrouw zal voldoen;
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De man voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Beoordeling
Rechtsmacht en toepasselijk recht
De Nederlandse rechter komt rechtsmacht toe. De rechtbank past in deze voorlopige- voorzieningenprocedure Nederlands recht toe.
Toevertrouwing van de kinderen
Op de zitting is gebleken dat partijen het erover eens zijn dat de kinderen aan de vrouw worden toevertrouwd. De rechtbank zal conform de overeenstemming tussen partijen beslissen, aangezien zij dit ook in het belang van de kinderen acht.
Voorlopige zorgregeling
Op de zitting is gebleken dat partijen het erover eens zijn dat de voorlopige zorgregeling wordt vastgesteld conform het verzoek van de vrouw. De rechtbank zal conform de overeenstemming tussen partijen beslissen, aangezien zij dit in het belang van de kinderen acht. De rechtbank zal bepalen dat de kinderen voorlopig bij de vader zullen verblijven:
- om de week van vrijdag 19:00 uur tot zondag 19:00 uur;
- elke woensdag van 18:00 tot 20:00 uur.
Ook zal de rechtbank conform de overeenstemming bepalen dat voorlopig alle vakanties bij helfte tussen partijen worden verdeeld, waarbij de kinderen in de even jaren de eerste helft van de vakantie bij de man zijn en de laatste helft van de vakantie bij de vrouw.
Voorlopige kinderalimentatie
De vrouw verzoekt te bepalen dat de man voorlopig € 306,- per kind per maand aan kinderalimentatie aan de vrouw moet voldoen. De man voert hiertegen verweer.
De rechtbank stelt voorop dat het hier gaat om de voorlopige vaststelling van kinderalimentatie in het kader van gevraagde voorlopige voorzieningen. Deze vaststelling heeft het karakter van een ordemaatregel, waarbij het gaat om een bijdrage voor de duur van de echtscheidingsprocedure. Daarbij is het uitgangspunt dat een summier onderzoek wordt gedaan en zoveel mogelijk wordt aangesloten bij de actuele situatie, voor zover de rechtbank daar voldoende inzicht in heeft.
Nu de kinderalimentatie tussen partijen in geschil is zal de rechtbank overgaan tot het maken van een berekening. Bij de vaststelling van de kinderalimentatie en de berekening neemt de rechtbank de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie opgenomen in het Rapport Alimentatienormen als uitgangspunt.
Ingangsdatum
De rechtbank acht het redelijk om de kinderalimentatie vast te stellen overeenkomstig artikel 822 lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, derhalve met ingang van de datum van de beschikking, te weten 15 september 2026.
Behoefte van de kinderen
Bij de berekening van de kinderalimentatie wordt eerst gekeken naar wat de kosten van de kinderen (de behoefte) zijn. Voor het bepalen van de behoefte moet allereerst het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI) ten tijde van het huwelijk worden bepaald. Het NBGI bestaat uit het netto besteedbaar inkomen (NBI) van beide partijen samen, eventueel inclusief kindgebonden budget. Omdat partijen in juni 2026 uit elkaar zijn gegaan zal de rechtbank rekenen met de tarieven van periode 2026-I.
NBI van de vrouw
Het NBI van de vrouw is tussen partijen in geschil. Uit de stukken is gebleken dat de vrouw op 1 januari 2026 in dienst is getreden bij [werkgever 1] BV. De vrouw heeft ter onderbouwing hiervan haar salarisspecificaties van mei (€ 592,-), juni (€ 316,-) en juli (€197,-) overgelegd. De vrouw heeft op de zitting aangegeven dat zij inmiddels weer een uitkering als aanvulling op haar inkomen ontvangt op grond van de Participatiewet. Zij heeft de stukken hiervan echter niet kunnen overleggen. De man acht hetgeen de vrouw heeft aangegeven over haar inkomen onvoldoende onderbouwd en vindt dat er aan de zijde van de vrouw met een verdiencapaciteit moet worden gerekend. Dit is door de vrouw niet betwist.
De rechtbank overweegt als volgt. De rechtbank gaat er vanuit dat de vrouw een bedrag ter hoogte van het minimumloon moet kunnen genereren. Het huidige minimumloon zoals aangegeven op de website van de Rijksoverheid is € 14,99 per uur. Uit de salarisspecificaties blijkt dat de vrouw gemiddeld (38 + 20 + 13 / 3 = ) 24 uur per maand werkt. Mede gezien de leeftijd van de kinderen acht de rechtbank het redelijk om van 24 uur per week uit te gaan en berekent het minimale inkomen dat de vrouw kan genereren op (€ 14,99 x 24u x 13wk / 3 = ) € 1.559.- per maand. De rechtbank houdt ook rekening met 8% vakantiegeld.
Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de volgende fiscale kortingen:
- de algemene heffingskorting;
- de arbeidskorting;
- de combinatiekorting.
Op basis van de bovenstaande gegevens berekent de rechtbank het NBI van de vrouw op € 1.684,- per maand.
NBI van de man
Het NBI van de man is tussen partijen in geschil. De man heeft op de zitting aangegeven dat zijn onderneming in december 2025 is beëindigd en dat hij toen in dienst is getreden bij [werkgever 2] B.V.. De man heeft ter onderbouwing hiervan zijn salarisspecificaties van december 2025, januari 2026 en februari 2026 overgelegd. De man heeft op de zitting aangegeven dat hij begin maart 2026 is gestopt met werken bij Verden en nu leeft van zijn reserves. De vrouw acht het hetgeen door de man is aangevoerd onvoldoende onderbouwd.
De rechtbank overweegt als volgt. Voor de bepaling van het NBI van de man zal de rechtbank uitgaan van het gemiddelde van de salarisspecificaties bij Verden van januari 2026 en februari 2026. Op de salarisspecificatie van december 2025 zijn bepaalde onregelmatigheden te zien, waardoor de rechtbank het daarop vermelde inkomen niet representatief acht. Het had voorts op de weg van de man gelegen, gelet op de betwisting door de vrouw, om te onderbouwen dat hij is gestopt met werken. Dat heeft hij niet gedaan. De rechtbank gaat daarom uit van een gemiddeld arbeidsinkomen van € 4.107,- per maand, inkomsten uit overuren van € 270,- per maand, 8,2% vakantiegeld, een eindejaarsuitkering van € 109,- per maand en een inzetbaarheidsbudget van € 110,- per maand. De rechtbank houdt ook rekening met een gemiddelde PAWW bijdrage van € 5,- per maand, een premie AZV van € 30,- per maand, een pensioen premie (StiPP) van € 228,- per maand en een WHK/WGA premie van € 59,- per maand.
Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de volgende fiscale kortingen:
- de algemene heffingskorting;
- de arbeidskorting.
Uitgaande van de bovenstaande gegevens, berekent de rechtbank het NBI van de man op € 3.463,- per maand.
Conclusie
Het NBGI ten tijde van het huwelijk bedroeg (3.463+ 1.684 =) € 5.401,- per maand. Op basis van dit NBGI hadden partijen recht op een kindgebonden budget van € 254,- per maand, zodat de rechtbank daarmee rekening zal houden. Op basis van de tabel eigen aandeel kosten van kinderen 2026, leidt het voorgaande tot een behoefte van de kinderen in 2026 van € 1.226,- per maand.
Draagkracht
Vervolgens moet worden beoordeeld in welke verhouding de vrouw en de man dienen bij te dragen in de behoefte van de kinderen. De rechtbank volgt daarbij het Rapport Alimentatienormen, waaruit volgt dat het eigen aandeel in de kosten van de kinderen tussen partijen moet worden verdeeld naar rato van hun draagkracht. Het bedrag aan draagkracht in 2026 wordt vastgesteld aan de hand van de formule: 70% van [NBI -(0,3 x NBI + 1.365)].
Vanwege de ingangsdatum, te weten 18 september 2026, rekent de rechtbank met de tarieven van 2026-II.
Draagkracht van de vrouw
De draagkracht van de vrouw is tussen partijen in geschil. De rechtbank berekent de draagkracht van de vrouw aan de hand van dezelfde gegevens als bij de bepaling van de behoefte van de kinderen.
Daarnaast houdt de rechtbank ook nog rekening met:
- het kindgebonden budget;
- de alleenstaande ouderkop.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten berekent de rechtbank het NBI van de vrouw op € 2.459,- per maand en haar draagkracht op € 249,- per maand.
Draagkracht van de man
De draagkracht van de man is tussen partijen in geschil. De rechtbank berekent de draagkracht van de man aan de hand van dezelfde gegevens als bij de bepaling van de behoefte van de kinderen.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten berekent de rechtbank het NBI van de man op € 3.463,- per maand en zijn draagkracht op € 741,- per maand.
De draagkracht van partijen bedraagt gezamenlijk € 990,- per maand (€ 249,- + € 741,-). Dit is onvoldoende om in de behoefte van de kinderen te voorzien. De rechtbank komt daarom niet toe aan een draagkrachtvergelijking. Gelet op de behoefte van de kinderen van € 1.226,- per maand, is er sprake van een tekort aan draagkracht van € 236,- per maand.
Zorgkorting
Gelet op de tussen partijen overeengekomen zorgregeling waarbij de kinderen gemiddeld 2 dagen per week bij de man zijn, geldt een zorgkorting van 25%. De zorgkorting bedraagt dan € 307,- per maand (25% van € 1.226,-).
Omdat sprake is van een tekort van € 236,- per maand, wordt het tekort aan beide ouders voor de helft toegerekend. De helft van het tekort (€ 236,- / 2 =) € 118,- komt in mindering op de zorgkorting van de man. Dit betekent dat hij nog recht heeft op een zorgkorting van € 189,- ( € 307,- -/- € 118,-).
Conclusie
De rechtbank zal gelet op al het voorgaande bepalen dat de man aan de vrouw, met ingang van 18 september 2026, voorlopig een kinderalimentatie voor de kinderen moet betalen van€ 552,- per maand (€ 741,- -/- € 189,-), wat neerkomt op € 276,- per kind per maand.
Voorlopige partneralimentatie
De vrouw verzoekt een partneralimentatie van € 48,- per maand omdat zij behoeftig is. Volgens de man heeft de vrouw aangegeven dat ze in beginsel had aangegeven geen behoefte te hebben aan partneralimentatie. De man stelt dat hij geen draagkracht heeft om partneralimentatie aan de vrouw te kunnen voldoen.
Behoefte van de vrouw
De rechtbank zal de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw berekenen aan de hand van de hofnorm.
De rechtbank heeft het netto besteedbaar gezinsinkomen ten tijde van het huwelijk – in 2026 – bij de berekening van de voorlopige kinderalimentatie al berekend op € 5.354,- per maand. Hiervan moeten de kosten van kinderen worden afgetrokken, zodat een bedrag van € 4.128,- per maand (5.354 -/- 1.226) beschikbaar is voor het levensonderhoud van partijen. De huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw bedraagt dan volgens de hofnorm € 2.477,- netto per maand (60% van € 4.128,- per maand) in 2026.
Aanvullende behoefte
De rechtbank zal nu beoordelen in hoeverre de vrouw tijdens de echtscheidingsprocedure redelijkerwijs zelf in haar behoefte kan voorzien.
Voor het NBI van de vrouw in 2026 zal de rechtbank uitgaan van dezelfde gegevens als bij de voorlopige kinderalimentatie. De rechtbank berekent het NBI van de vrouw op € 1.684,- per maand. Het aandeel van de vrouw in de kosten van de kinderen bedraagt € 250,- per maand. De vrouw ontvangt € 775,- per maand,- aan kindgebonden budget zodat er € 525,- van het kindgebonden budget resteert. Dit leidt tot een aanvullende behoefte van € 793,- netto per maand in 2026. Dat is € 1.237,- bruto per maand.
Draagkracht van de man
De rechtbank berekent de draagkracht van de man voor voorlopige partneralimentatie aan de hand van dezelfde gegevens als voor zijn draagkracht voor voorlopige kinderalimentatie.
De rechtbank berekent het individueel NBI van de man op € 3.463 per maand.
Op grond van het voorgaande, bedraagt de draagkrachtruimte van de man € 1.059,- per maand. Hiervan is 60% beschikbaar voor partneralimentatie, wat neerkomt op € 635,- netto per maand. Daarop wordt door de rechtbank het aandeel van de man in de kosten van de kinderen (= kinderalimentatie + zorgkorting) van € 741,- per maand in mindering gebracht.
Conclusie
De man heeft gelet op het voorgaande geen draagkracht meer beschikbaar voor het betalen van partneralimentatie aan de vrouw. De rechtbank zal daarom het verzoek van de vrouw tot vaststelling van een partneralimentatie afwijzen.
Beslissing
De rechtbank:
bepaalt dat de minderjarigen:
- [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2013 te [geboorteplaats 1], en
- [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2017 te [geboorteplaats 2].
aan de vrouw zullen worden toevertrouwd;
bepaalt dat de minderjarigen voorlopig bij de man zullen zijn:
- om de week van vrijdag 19:00 uur tot zondag 19:00 uur;
- elke woensdag van 18:00 tot 20:00 uur;
bepaalt dat de vakanties van de minderjarigen voorlopig bij helfte tussen partijen worden verdeeld, waarbij de minderjarigen in de even jaren de eerste helft van de vakantie bij de man en de laatste helft van de vakantie bij de vrouw zijn;
bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van heden voorlopig een kinderalimentatie van € 276,- per kind per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders verzochte.
| Deze beschikking is gegeven door mr. C. Witteman, rechter, tevens kinderrechter, bijgestaan door mr. A.F. Lemmens als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 15 september 2026. |
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.