Uitspraak · Personen- en familierecht
Rechtbank Den Haag, 15 september 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:30417Zaaknummer C/09/707165 / FA RK 26-6004
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum uitspraak
- 15 september 2026
- Publicatiedatum
- 21 oktober 2026
- Zaaknummer
- C/09/707165 / FA RK 26-6004
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Personen- en familierecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig, Beschikking
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Gezagsuitoefening - wijziging zorgregeling
Beslissing
De rechtbank met wijziging in zoverre van het tussen de ouders overeengekomen ouderschapsplan van 14 april 2023:
bepaalt dat de minderjarige kinderen:
- [de minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2016 te [geboorteplaats];
- [de minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2019 te [geboorteplaats];
met ingang van 1 november 2026 de ene week bij de vader en de andere week bij de moeder zijn, waarbij de ouder waarbij de kinderen die week verblijven verantwoordelijk is voor het brengen en halen van de kinderen naar en van school;
bepaalt ten aanzien van de verdeling van de vakanties dat de kinderen als volgt bij de ouders zijn:
- zomervakantie: de eerste drie aaneengesloten weken bij de vader en de laatste drie aaneengesloten weken bij de moeder;
- herfstvakantie: in de oneven jaren bij de vader en in de even jaren bij de moeder;
- voorjaarsvakantie: in de even jaren bij de vader en in de oneven jaren bij de moeder;
- meivakantie: de ene week bij de moeder en de andere week bij de vader, in onderling overleg te bepalen;
- kerstvakantie: de ene week bij de moeder en de andere week bij de vader, waarbij de kinderen een kerstdag bij de moeder en een kerstdag bij de vader zijn, in onderling overleg te bepalen;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders verzochte.
| Deze beschikking is gegeven door mr. A. Emmens, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. I.E. Moerkerk-van Kersbergen als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 15 september 2026. |
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige Kamer
Rekestnummer: FA RK 26-6004
Zaaknummer: C/09/707165
Datum beschikking: 15 september 2026
Gezagsuitoefening
Beschikking op het op 14 juni 2026 ingekomen verzoek van:
[de moeder],
de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. S.K. Gopal te Den Haag.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de vader],
de vader,
wonende te op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. F.A. Buizer te Den Haag.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
- het verzoekschrift;
- het verweerschrift.
De minderjarige [de minderjarige 1] heeft zich in raadkamer uitgelaten over het verzoek.
Op 20 juli 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
- de moeder met haar advocaat;
- de vader met zijn advocaat;
- E. Garcia namens de Raad voor de Kinderbescherming.
Na de zitting zijn de volgende stukken ontvangen:
- het bericht van 17 augustus 2026 van de zijde van de moeder;
- de brief van 17 augustus 2026 met bijlagen van de zijde van de vader.
Verzoek en verweer
De moeder heeft in het kader van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (BW) verzocht:
- het ouderschapsplan te wijzigen en een nieuwe zorgregeling vast te stellen in die zin dat de vader de kinderen naar school brengt en haalt in de week dat de kinderen bij hem verblijven;
- een regeling vast te stellen voor wie haalt en brengt indien de kinderen bij van de ouders op het verblijfadres verblijven;
- een vakantieregeling vast te stelen zoals omschreven onder punt 8;
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De vader heeft verweer gevoerd, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Feiten
- Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.
- Zij zijn de ouders van de volgende nog minderjarige kinderen:
- [de minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2016 te [geboorteplaats],
- [de minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2019 te [geboorteplaats].
- De kinderen hebben de hoofdverblijfplaats bij de moeder.
- Partijen oefenen het gezamenlijk gezag over de kinderen uit.
- Partijen hebben overeenkomstig het bepaalde in artikel 1:247a BW een ouderschapsplan opgesteld, dat is ondertekend op 14 april 2023, voorzover hier van belang inhoudende:
Zorgverdeling en Halen & Brengen
De kinderen zijn de ene week bij de vader en de andere week bij de moeder.
De vader brengt de kinderen ‘s ochtends naar de moeder in de week dat de
kinderen bij hem zijn. Vervolgens brengt en haalt de moeder de kinderen van en
naar school, ook in de weken waarop de kinderen bij de vader zijn.
Op zondagochtend brengt de moeder de kinderen naar de vader i.v.m. haar
werk. In de week dat de kinderen bij de vader zijn, blijven ze ook op zondag bij
de vader. In de week van de moeder haalt de moeder de kinderen om 17.30 uur
bij de vader op.
Iedere maandag zijn de kinderen bij de vader en blijven er ook slapen i.v.m. werk van de moeder. De vader brengt de kinderen dinsdagochtend naar de moeder. In de weken dat de kinderen bij de vader zijn dienen ze voor 17.00 uur opgehaald te worden bij de moeder.
Vakanties
We hebben de schoolvakanties als volgt verdeeld:
De zomervakantie, ieder 3 weken, altijd de 1e 3 weken bij de vader.
Herfstvakantie: volledig bij de moeder.
Kerstvakantie: 50/50, waar kerst afwisselend per jaar eens bij vader en dan bij de moeder wordt gevierd waarbij de kinderen altijd 1 kerstdag bij de moeder en 1 kerstdag bij de vader zijn.
Voorjaarsvakantie: bij de moeder.
Meivakantie: volledig bij de moeder. (…)
Beoordeling
Juridisch kader
Aangezien de ouders gezamenlijk belast zijn met het ouderlijk gezag over de kinderen is artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (BW) van toepassing op het verzoek tot wijziging van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (zorgregeling). De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt. Uit het vierde lid van artikel 1:253a BW volgt dat artikel 1:377e BW van overeenkomstige toepassing is, zodat de rechtbank op verzoek van de ouders of van een van hen een beslissing over de omgang alsmede een door de ouders onderling getroffen omgangsregeling kan wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.
Ontvankelijkheid
De moeder heeft ter onderbouwing van haar verzoek gesteld dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden. Volgens de moeder houdt de vader zich niet aan de afspraken in het ouderschapsplan. De vader weigert om in de week dat de kinderen bij hem verblijven, de kinderen te halen dan wel te brengen van en naar school dan wel naar de moeder te brengen of af te halen bij de moeder, terwijl dit wel is afgesproken. De moeder komt hierdoor te laat op haar werk of moet om aangepaste werktijden vragen. De werkgever van de moeder heeft de moeder per e-mail laten weten niet meer bereid te zijn rekening te houden met de situatie van de moeder en dat de moeder zelf een oplossing moet zoeken voor dit probleem. De moeder zou graag langere dagen gaan werken zodat zij meer inkomsten zal hebben. Ook zou de moeder graag de ruimte willen krijgen om een opleiding te volgen.
De vader is van mening dat de door de moeder aangevoerde omstandigheden geen aanleiding vormen voor een wijziging van de zorgregeling. De moeder is goed bevriend met de eigenaren van de slagerij waar zij werkt en hij twijfelt aan de waarheidsgetrouwheid van de e-mail. Bovendien werkt de moeder al vier jaar bij de slagerij en is de zorgregeling eerder nooit een probleem gebleken.
De rechtbank is van oordeel dat er sprake is van een relevante wijziging van omstandigheden. Gebleken is dat de huidige gang van zaken problemen geeft bij het werk van de moeder. Haar werkgever is niet langer bereid te accepteren dat de moeder zich niet aan de in het bedrijf geldende werktijden houdt. De moeder heeft een te respecteren belang bij de mogelijkheid om zich verder te ontwikkelen in haar werk en bestaan. Ook zijn de kinderen inmiddels een paar jaar ouder dan toen de afspraken over de zorgregeling gemaakt werden en zijn de behoeften van de kinderen daarmee veranderd. De moeder is daarom ontvankelijk in haar verzoek tot wijziging van de in het ouderschapsplan overeengekomen zorgregeling.
Inhoudelijke beoordeling
De moeder heeft naar voren gebracht dat zij de huidige zorgregeling, waarbij zij feitelijk de kinderen alle dagen van de week naar school brengt en weer ophaalt, zij de kinderen opvangt bij ziekte en studiedagen en de kinderen bijna alle vakanties bij haar doorbrengen, niet meer kan combineren met haar werk. Zij is bang dat zij haar baan zal verliezen als er niets verandert in haar situatie. Een gelijkwaardigere zorgregeling zal het probleem met haar werktijden oplossen en zal ook de kinderen meer rust en duidelijkheid geven. Hiervoor is volgens de moeder nodig dat de vader de kinderen in “zijn week” naar school brengt en weer ophaalt en dat de vader ook een groter aandeel zal nemen in de zorg voor de kinderen tijdens de schoolvakanties. De vader heeft de kinderen nu alleen de helft van de zomervakantie bij zich, terwijl de moeder de andere helft van de zomervakantie en alle overige schoolvakanties voor haar rekening neemt.
De vader heeft aangevoerd dat, als hij de kinderen twee weken per maand naar school moet brengen, zijn inkomen aanzienlijk zal dalen omdat dit niet met zijn werk te combineren valt. Hij werkt als ZZP’er in de bouw en moet vroeg aanwezig zijn op het werk. Er wordt op hem gerekend en slechts halve dagen aanwezig zijn, is geen optie. Met het oog hierop zijn de afspraken in het ouderschapsplan destijds gemaakt en de moeder heeft haar baan daarop aangepast. De vader vindt het in het belang van de kinderen dat de huidige zorgregeling wordt gehandhaafd. Hij heeft in zijn sociale netwerk geen mogelijkheden om voor opvang te zorgen. Vooral voor [de minderjarige 1], die kampt met ADHD, zal volgens de vader voor- en naschoolse opvang te belastend zijn. De vader ziet geen reden om de vakantieregeling te wijzigen.
Op de zitting heeft de moeder gesteld dat voor- en naschoolse opvang voor de kinderen de enige mogelijkheid is om uit de ontstane impasse te komen.
De vader heeft op de zitting naar voren gebracht dat [de minderjarige 1] juist gebaat is bij structuur en rust. Hij vindt het niet in het belang van [de minderjarige 1] om nu een dergelijke rigoureuze wijziging in de zorgregeling aan te brengen.
De raadsvertegenwoordiger heeft op de zitting aangegeven dat het niet ongebruikelijk is om een ouderschapsplan na verloop van jaren aan te passen. Het is enerzijds begrijpelijk dat de moeder meer wil werken en zich wil ontwikkelen, wat ook in het belang van de kinderen is, maar anderzijds zal buitenschoolse opvang door de ADHD onrust opleveren voor [de minderjarige 1]. Duidelijk is dat een wijziging van de zorgregeling nodig is, maar er is weinig ruimte, aldus de raadsvertegenwoordiger.
Na een schorsing van de zitting hebben de ouders allebei aangegeven in mediation te willen gaan om de mogelijkheden te onderzoeken voor buitenschoolse omvang voor de kinderen. De rechtbank heeft de ouders vervolgens via het door hen ingevulde mediation formulier doorverwezen naar het mediation bureau van de rechtbank. Na de zitting heeft de rechtbank van beide partijen bericht ontvangen over het verloop van de mediation. Hieruit is de rechtbank gebleken dat de ouders niet tot een vergelijk zijn gekomen. De rechtbank zal daarom een beslissing nemen op het verzoek, die haar in het belang van de kinderen wenselijk voorkomt.
De rechtbank overweegt als volgt. De ouders hebben de destijds in het ouderschapsplan opgenomen zorgregeling gemaakt met het oog op de wens van de vader om een eigen bedrijf te starten, waarna de moeder van baan is gewijzigd. De ouders hebben de zorgregeling hierop aangepast. In de huidige zorgregeling wordt heel veel van de moeder verwacht en zij heeft niet de ruimte om een volledige werkdag te vervullen. Alleszins voorstelbaar is dat dit, zowel voor haar werkgever als voor de moeder zelf, niet werkbaar is. Zowel voor de moeder als voor de kinderen is het wenselijk dat de vader een rol speelt in het brengen en halen van de kinderen en dat hij een aandeel heeft de zorg voor de kinderen tijdens de overige vakanties. De door de vader genoemde bezwaren zijn op te lossen met buitenschoolse opvang van de kinderen. De rechtbank is daarom van oordeel dat de zorgregeling gewijzigd moet worden. De rechtbank zal daarom het verzoek van de moeder toewijzen en bepalen dat de kinderen de ene week bij de vader en de andere week bij de moeder zijn, waarbij de ouder waarbij de kinderen die week verblijven verantwoordelijk is voor het brengen en halen van de kinderen naar en van school.
Ten aanzien van de vakanties zal de rechtbank bepalen dat de kinderen als volgt bij de ouders zijn:
- zomervakantie: de eerste drie aaneengesloten weken bij de vader en de laatste drie aaneengesloten weken bij de moeder;
- herfstvakantie: in de oneven jaren bij de vader en in de even jaren bij de moeder;
- voorjaarsvakantie: in de even jaren bij de vader en in de oneven jaren bij de moeder;
- meivakantie: de ene week bij de moeder en de andere week bij de vader, in onderling overleg te bepalen;
- kerstvakantie: de ene week bij de moeder en de andere week bij de vader, waarbij de kinderen een kerstdag bij de moeder en een kerstdag bij de vader zijn, in onderling overleg te bepalen.
De rechtbank verwacht dat de nieuwe regeling onder de huidige omstandigheden alleen uitgevoerd kan worden als er voor- en naschoolse opvang wordt geregeld voor de kinderen. Om de ouders de tijd te geven die opvang te regelen zal de nieuwe regeling niet direct starten, maar op 1 november 2026.
De rechtbank merkt ten overvloede op dat het de ouders vrij staat om in onderling overleg andere afspraken te maken over de over de zorgregeling die mogelijk meer passend is bij de situatie van de ouders en de opvangmogelijkheden. De rechtbank denkt daarbij aan een regeling waarbij ieder van de ouders verantwoordelijk wordt voor vaste dagen in de week, bijvoorbeeld de moeder voor de maandag, dinsdag en woensdag en de vader voor de donderdag, vrijdag en zaterdag en waarbij de kinderen de zondag wisselend bij de ene of de andere ouders doorbrengen.
Beslissing
De rechtbank met wijziging in zoverre van het tussen de ouders overeengekomen ouderschapsplan van 14 april 2023:
bepaalt dat de minderjarige kinderen:
- [de minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2016 te [geboorteplaats];
- [de minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2019 te [geboorteplaats];
met ingang van 1 november 2026 de ene week bij de vader en de andere week bij de moeder zijn, waarbij de ouder waarbij de kinderen die week verblijven verantwoordelijk is voor het brengen en halen van de kinderen naar en van school;
bepaalt ten aanzien van de verdeling van de vakanties dat de kinderen als volgt bij de ouders zijn:
- zomervakantie: de eerste drie aaneengesloten weken bij de vader en de laatste drie aaneengesloten weken bij de moeder;
- herfstvakantie: in de oneven jaren bij de vader en in de even jaren bij de moeder;
- voorjaarsvakantie: in de even jaren bij de vader en in de oneven jaren bij de moeder;
- meivakantie: de ene week bij de moeder en de andere week bij de vader, in onderling overleg te bepalen;
- kerstvakantie: de ene week bij de moeder en de andere week bij de vader, waarbij de kinderen een kerstdag bij de moeder en een kerstdag bij de vader zijn, in onderling overleg te bepalen;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders verzochte.
| Deze beschikking is gegeven door mr. A. Emmens, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. I.E. Moerkerk-van Kersbergen als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 15 september 2026. |
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.