Uitspraak · Personen- en familierecht

Rechtbank Den Haag, 15 september 2026

ECLI:NL:RBDHA:2026:30393Zaaknummer C/09/690640 / FA RK 25-6445

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
15 september 2026
Publicatiedatum
21 oktober 2026
Zaaknummer
C/09/690640 / FA RK 25-6445
Rechtsgebied
Civiel recht, Personen- en familierecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig, Beschikking
Zittingsplaats
Den Haag
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Beëindiging gezamenlijk gezag en toewijzing eenhoofdig gezag, geen omgangsregeling en vaststelling kinderalimentatie.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. Gezag, verdeling van zorg- en opvoedingstaken c.q. omgang en alimentatie
  2. Procedure
  3. Feiten
  4. Verzoek en verweer
  5. Beoordeling
  6. BeslissingDe rechtbank:

Rechtbank DEN HAAG

Enkelvoudige kamer

Rekestnummer: FA RK 25-6445 en FA RK 26-4043

Zaaknummer: C/09/690640 en C/09/703847

Datum beschikking: 15 september 2026

Gezag, verdeling van zorg- en opvoedingstaken c.q. omgang en alimentatie

Beschikking op de op 22 augustus 2025 en 21 april 2026 ingekomen verzoeken van:

[de moeder],

de moeder,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. G. Kartal te Rotterdam.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vader],

de vader,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. M. Pinarbasi-Ilbay te Amsterdam.

Procedure

in de procedure met zaak- en rekestnummer C/09/690640 en FA RK 25-6445:

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

- het verzoekschrift;

- het verweerschrift met zelfstandig verzoek;

- het bericht van 11 maart 2026, met bijlagen, van de zijde van de moeder;

- het bericht van 16 april 2026, met bijlage, van de zijde van de moeder;

- het bericht van 10 augustus 2026, met bijlagen, van de zijde van de vader;

- het bericht van 11 augustus 2026, met bijlagen, van de zijde van de vader;

- de berichten van 18 augustus 2026, met bijlagen, van de zijde van de vader.

in de procedure met zaak- en rekestnummer C/09/703847 en FA RK 26-4043:

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

  • het verzoekschrift;
  • het bericht van 25 mei 2026, met bijlage, van de zijde van de moeder;
  • de berichten van 26 juli 2026, met bijlagen, van de zijde van de moeder.

Op 18 augustus 2026 zijn de zaken gecombineerd op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:

  • de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
  • de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
  • [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad).

Feiten

- De moeder en de vader hebben een affectieve relatie gehad.

- Zij zijn de ouders van de volgende nog minderjarige kinderen:

- [de minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2022 te [geboorteplaats 1],

- [de minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2023 te [geboorteplaats 1].

- De vader heeft [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] erkend.

- De kinderen verblijven bij de moeder.

- Blijkens de aantekening in het gezagsregister van 30 maart 2022 oefenen de ouders gezamenlijk het gezag uit over [de minderjarige 1]. De ouders oefenen van rechtswege gezamenlijk het gezag uit over [de minderjarige 2].

- Bij beschikking van de rechtbank Noord-Holland van 7 mei 2026 is de vader onder bewind gesteld.

Verzoek en verweer

Omdat de verzoeken in de beide procedures met elkaar samenhangen, zal de rechtbank de verzoeken en verweren in het navolgende gezamenlijk behandelen.

De moeder verzoekt de rechtbank – voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad – te bepalen:

  • dat het gezamenlijk gezag over [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] wordt beëindigd en dat het eenhoofdig gezag wordt toegewezen aan de moeder;
  • dat de vader aan de moeder, telkens bij vooruitbetaling, een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen voldoet van € 150,- per kind per maand, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag;
  • dat een omgangsregeling wordt vastgesteld zoals omschreven in punt 35 van het verzoekschrift in de procedure met zaak- en rekestnummer C/09/690640 en FA RK 25-6445, althans een zodanige omgangsregeling als de rechtbank juist en redelijk acht;

kosten rechtens.

De vader voert verweer tegen de verzoeken ten aanzien van de zorgregeling c.q. omgangsregeling en de kinderalimentatie, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken, en verzoekt zelfstandig een zorgregeling c.q. omgangsregeling vast te stellen waarbij de kinderen eenmaal per drie weken op zaterdag van 12.00 uur tot 16.00 uur bij de vader verblijven.

Beoordeling

Huidige situatie

De moeder en de vader zijn de ouders van twee jonge kinderen die ieder hun eigen (ontwikkelings)problematiek kennen. [de minderjarige 1] is gediagnosticeerd met een vroege atypische autismespectrumstoornis, heeft ontwikkelingsachterstanden op sociaal en emotioneel gebied en is non-verbaal. [de minderjarige 2] kampt ook met een ontwikkelingsachterstand op het gebied van taal en communicatie. De kinderen hebben nu al ongeveer een jaar geen contact gehad met de vader, met uitzondering van een ontmoeting op de school van de kinderen waarvan de moeder niet op de hoogte was. Volgens de moeder werden er – mede door de kinderopvang – gedragsveranderingen geconstateerd bij de kinderen na de contactbreuk met de vader. Begin 2026 hebben de ouders getracht begeleide omgang tot stand te brengen, maar dat is niet de grond gekomen nadat de vader omstreeks maart 2026 aangaf ervan af te zien. Daarnaast is er sinds het uiteengaan van de ouders geen communicatie tussen hen.

De moeder heeft aangegeven dat zij aangifte heeft gedaan tegen de vader van smaad, laster en belaging. De strafrechtelijke procedure daaromtrent loopt nog en volgens de moeder komt er in dat verband mogelijk een contactverbod.

Gezag

De moeder stelt dat de vader al geruime tijd geen invulling geeft aan zijn ouderlijk gezag en dat zij sinds het uiteengaan van de ouders de volledige verzorging en opvoeding van de kinderen draagt. Daarnaast stelt de moeder dat zij moeilijkheden ervaart wanneer zij vanwege het gezamenlijk gezag samen met de vader beslissingen moet nemen over de kinderen. Zij geeft aan dat dat zij angstig is voor de vader, dat de ouders niet met elkaar communiceren en dat beslissingen over de kinderen tot op heden via tussenpersonen verlopen die niet altijd beschikbaar zijn. Volgens de moeder ziet het er niet naar uit dat dit in de nabije toekomst zal veranderen en dat vindt zij problematisch, juist omdat er vanwege de problematiek van de kinderen veel – en soms ook op korte termijn – gezagsbeslissingen moeten worden genomen.

De vader bevestigt dat er (vrijwel) geen communicatie is tussen de ouders. Hij stelt dat de moeder de kinderen bij hem weghoudt en dat zij hem geen informatie verschaft over de kinderen. Deze informatie vraagt de vader nu op bij de school en de JGZ-arts van de kinderen, maar hij wijst erop dat hij dit alleen kan doen als hij het gezag heeft. Ook stelt de vader dat hij altijd meewerkt aan de gezagsbeslissingen die moeten worden genomen en dat hij daaraan niet in de weg staat. Daarbij wijst hij bijvoorbeeld op de paspoortaanvragen, de inschrijvingen op school en het inschakelen van hulpverlening voor [de minderjarige 2] in april.

De rechtbank stelt bij haar beoordeling voorop dat het uitgangspunt van de wetgever is dat de ouders samen het gezag over hun kinderen uitoefenen, omdat dit in het belang van het kind wordt geacht. Hiervoor is wel vereist dat de ouders daadwerkelijk in staat zijn tot een behoorlijk overleg over zaken die de kinderen aangaan en dat zij beslissingen van enig belang over hun kind in gezamenlijk overleg kunnen nemen, althans in staat zijn afspraken te maken over situaties die zich rond de kinderen (kunnen) voordoen, zodat de kinderen niet klem of verloren raken tussen de ouders.

Naar het oordeel van de rechtbank wordt onder de huidige omstandigheden niet aan dit vereiste voldaan. Het is de rechtbank duidelijk geworden dat de verstandhouding tussen de ouders ernstig verstoord is en dat zij op dit moment (vrijwel) niet met elkaar communiceren. Dit acht de rechtbank in de onderhavige zaak in het bijzonder problematisch omdat de kindeigen problematiek van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] meebrengt dat er bovengemiddeld veel gezagsbeslissingen over de kinderen moeten worden genomen. Door het ontbreken van onderlinge communicatie tussen de ouders moeten er nu steeds derden worden betrokken bij de communicatie over gezagsbeslissingen. Dat acht de rechtbank niet in het belang van de kinderen. Gebleken is immers dat sommige gezagsbeslissingen ook zeer snel moeten worden genomen vanwege de schaarste van beschikbare en passende hulpverlening voor [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2]. Hoewel de vader aangeeft dat hij meewerkt aan dergelijke beslissingen, zorgt de communicatie via tussenpersonen voor vertraging op de lijn en dat is zeer onwenselijk met het oog op de kwetsbaarheid en bijzondere zorgbehoeften van de kinderen. Tegen deze achtergrond oordeelt de rechtbank dat het risico aanwezig is dat [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] bij voortzetting van het gezamenlijk gezag klem of verloren zullen raken tussen de ouders, en dat acht de rechtbank in strijd met hun belang. Daarom zal de rechtbank het gezamenlijk gezag beëindigen en de moeder voortaan belasten met het eenhoofdig gezag.

Daarbij benadrukt de rechtbank dat de moeder tijdens de zitting uitdrukkelijk heeft toegezegd dat zij de betreffende instanties haar toestemming zal verlenen (dan wel heeft verleend) om medische en schoolgerelateerde informatie over de kinderen met de vader te blijven delen, ook als hij niet langer het gezag heeft. Deze toezegging leent zich niet voor opname in het dictum, maar de rechtbank gaat ervan uit dat de moeder zich hieraan houdt.

Omgang

De moeder stelt dat zij het van belang vindt dat de kinderen omgang hebben met de vader, maar dat het – mede omwille van hun problematiek – van groot belang is dat een eventuele omgangsregeling ook daadwerkelijk wordt nagekomen. Daarbij wijst zij ook op haar behoefte om in verband met haar diabetes ontlast te worden, zodat zij meer tijd heeft om (onder meer) aan haar eigen gezondheid kan werken. Zij vreest echter dat de vader een omgangsregeling niet zal nakomen en wijst daarbij ook op het feit dat hij de begeleide omgang heeft afgezegd omdat hij het onzin zou vinden.

De vader stelt dat de moeder in haar voorstel geen rekening houdt met zijn persoonlijke situatie. Daarbij wijst hij op zijn onderbewindstelling en zijn financiële onvermogen om de kosten van het reizen met betrekking tot de zorgregeling te dragen, het feit dat hij in de weekenden een omgangsregeling heeft met zijn andere dochter en dat hij psychische klachten ervaart waarvoor hij niet wordt behandeld. De vader geeft aan dat hij graag omgang met zijn kinderen wil, maar dat hij door zijn omstandigheden wordt beperkt.

De rechtbank stelt bij haar beoordeling voorop dat regelmatig en goed contact met beide ouders van belang is voor een evenwichtige (identiteits)ontwikkeling van kinderen. Met de Raad is de rechtbank van oordeel dat de kwetsbaarheid van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2], alsmede hun (nog) beperkte vermogen om zichzelf uit te drukken, maakt dat het van zeer groot belang is dat een omgangsregeling structureel wordt nagekomen. Het moet worden voorkomen dat de kinderen opnieuw worden geconfronteerd met een contactbreuk. Uit de stukken en dat wat tijdens de zitting is aangevoerd maakt de rechtbank op dat de vader er graag voor zijn kinderen wil zijn en dat hij omgang met hen wil hebben. Desalniettemin toont de vader naar het oordeel van de rechtbank op dit moment onvoldoende inzicht en bereidheid om zijn eigen problemen en agenda opzij te zetten om tot de betrouwbare en frequente omgangsregeling te komen die de kinderen nodig hebben. Dit wordt bijvoorbeeld geïllustreerd door het feit dat de vader aangeeft dat zijn broer hem weliswaar naar verschillende steden en plekken kan brengen met zijn auto, maar dat hij geen mogelijkheid ziet om dergelijk vervoer ook eens per twee weken te organiseren voor een omgangsmoment. Deze omstandigheden, bezien in combinatie met de spanningen die (mede met betrekking tot de lopende strafzaak) tussen de ouders bestaan, maken dat de rechtbank het risico te groot acht dat omgang tot onvoorspelbaarheid en conflicten gaat leiden waardoor de kinderen juist worden geschaad. Daarom zal de rechtbank geen omgangsregeling vaststellen en de verzoeken daartoe afwijzen.

Kinderalimentatie

Uit de stukken en dat wat er tijdens de zitting met partijen is besproken, is de rechtbank duidelijk geworden dat de draagkracht van de vader de beperkende factor is bij de beoordeling van het verzoek tot vaststelling van de kinderalimentatie. De vader ontvangt immers een WIA-uitkering en is vanaf 7 mei 2026 onder bewind gesteld. Zijn bewindvoerder heeft een schuldenoverzicht overgelegd, waaruit blijkt dat de vader een totale schuldenlast heeft van € 23.066,41.

Het feit dat niet duidelijk is wat de vader in het afgelopen jaar heeft afgelost van zijn belastingschuld, doet hier – anders dan de moeder stelt – niet aan af. Gelet op deze omstandigheden zal de rechtbank uitgaan van een minimale draagkracht aan de zijde van de vader en een kinderalimentatie vaststellen van € 25,- per maand per kind, die de vader per de datum van indiening van het verzoekschrift aan de moeder dient te betalen.

Proceskosten

Omdat het een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten verdelen als hierna vermeld.

BeslissingDe rechtbank:

*

bepaalt dat voortaan alleen aan de moeder, [de moeder], geboren op [geboortedatum 3] 1985 te [geboorteplaats 2], het gezag zal toekomen over de minderjarigen:

  • [de minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2022 te [geboorteplaats 1];
  • [de minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2023 te [geboorteplaats 1];

*

stelt geen omgangsregeling vast tussen de minderjarigen en de vader;

*

bepaalt de door de vader met ingang van 22 augustus 2026 te betalen kinderalimentatie voor de [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] op € 50,- per maand, ofwel € 25,- per maand per kind, vanaf heden telkens bij vooruitbetaling aan de moeder te voldoen;

*

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

*

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;

*

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. C.G. Meeder, kinderrechter, bijgestaan door mr. A.J. Klootwijk als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 15 september 2026.

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.