Uitspraak · Vreemdelingenrecht

Rechtbank Den Haag, 25 september 2026

ECLI:NL:RBDHA:2026:30382Zaaknummer NL26.54077

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
25 september 2026
Publicatiedatum
21 oktober 2026
Zaaknummer
NL26.54077
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats
Den Haag
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Bewaring: artikel 59b Vw; niet bestreden grond zijn voldoende om de maatregel te dragen; ambtshalve toetsing leidt niet tot een ander oordeel; beroep is ongegrond; verzoek om schadevergoeding afgewezen.

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.W. Griffioen, rechter, in aanwezigheid van P.J.J. Schaap, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. [eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser
  2. Procesverloop
  3. Beoordeling door de rechtbank
  4. Conclusie en gevolgen
  5. Beslissing

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.54077

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. G.A. Dorsman),

en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: T. Stelpstra).

Procesverloop

1. Met het bestreden besluit van 11 september 2026 heeft de minister aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring als bedoeld in artikel 59b van de Vw[_9807aed1-8e8c-4181-9168-522297e18c66] opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.

1.1.

Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.[_ef4368b6-7838-486c-bd20-f2f1e0d24dc7]

1.2.

Partijen hebben ingestemd met een schriftelijke behandeling. Eiser heeft zijn gronden van beroep op 15 september 2026 ingediend. De minister heeft hier op 16 september 2026 met een verweerschrift op gereageerd. Op 18 september 2026 heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

2. De minister heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring als bedoel in artikel 59b van de Vw opgelegd. In deze maatregel staat dat de vreemdelingenbewaring noodzakelijk is met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een asielaanvraag. Ook staat in de maatregel dat ten aanzien van eiser is gebleken dat er sprake is van een onderduikrisico en hij de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.

2.1.

In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiser:

a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;

f. in het Nederlandse rechtsverkeer gebruik heeft gemaakt van valse of vervalste documenten;p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

3. Eiser bestrijdt dat hij niet over een reisdocument beschikte. Uit een andere procedure blijkt immers dat verweerder in het bezit is van een kopie van het paspoort van eiser. Daarbij stelt eiser bereid te zijn de asielprocedure in een AZC af te wachten en dat er geen sprake is van een onderduik- of vluchtgevaar. Verder verzoekt eiser de rechtbank de maatregel ambtshalve op rechtmatigheid te toetsen.

4. De rechtbank overweegt als volgt.

4.1.

De rechtbank begrijpt de beroepsgronden van eiser zo, dat hij enkel de grond onder a bestrijdt. De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden onder f, p, r en s in het geheel niet heeft bestreden. Naar oordeel van de rechtbank kunnen deze gronden en de daarop gegeven motivering van de minister de maatregel dragen. Eiser heeft zijn stelling dat geen sprake is van een onderduikrisico niet nader onderbouwd.

5. Ook met inachtneming van de ambtshalve toets waartoe de rechtbank gehouden is[_b4b3872e-deec-4b6a-a85f-eec77c9f6e47], ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring onrechtmatig is.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.W. Griffioen, rechter, in aanwezigheid van P.J.J. Schaap, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.

Voetnoten

  1. Vreemdelingenwet 2000.
  2. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.
  3. Vergelijk de arrest van het Hof van Justitie HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.