Uitspraak · Vreemdelingenrecht
Rechtbank Den Haag, 25 september 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:30379Zaaknummer NL26.54130
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum uitspraak
- 25 september 2026
- Publicatiedatum
- 21 oktober 2026
- Zaaknummer
- NL26.54130
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Bewaring; artikel 59, lid 1, onder a, Vw; gronden niet betwist; lichter middel; van onzorgvuldigheid in het voortraject is niet gebleken; voldoende gedragen is toegelicht dat de medische omstandigheden geen aanleiding geven om van de maatregel af te zien; ambtshalve toetsing leidt niet tot ander oordeel; beroep is ongegrond; verzoek om schadevergoeding is afgewezen.
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.W. Griffioen, rechter, in aanwezigheid van P.J.J. Schaap, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.54130
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser
(gemachtigde: mr. H. Uzumcu),
en
de minister van Asiel en Migratie
(gemachtigde: mr. T. Stelpstra).
Procesverloop
1. Met het bestreden besluit van 12 september 2026 heeft de minister aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.[_c80b325b-809c-42d8-8b3a-6a1037fbfcd2]
De rechtbank heeft het beroep op 18 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. Als tolk is verschenen A. Ifzaren.
Beoordeling door de rechtbank
De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring
2. De minister heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat er een onderduikrisico bestaat en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.
In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiser:
b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) heeft gehouden;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3. De gemachtigde van eiser heeft aangevoerd dat uit het proces-verbaal van aanhouding te lezen valt dat, gelet op zijn gedrag, eiser mentale problemen heeft. Dat had in deze procedure moeten worden onderzocht. Nu geen medisch onderzoek is verricht, kan ook niet worden gesteld dat eisers (mentale) gezondheid zich niet tegen uitzetting verzet. Op basis hiervan is de maatregel van bewaring onrechtmatig en verzoekt eiser onmiddellijke vrijlating.
4. De rechtbank overweegt het volgende.
5. De rechtbank stelt vast dat de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet zijn bestreden. Naar het oordeel van de rechtbank kunnen deze gronden en de daarop gegeven motivering van verweerder de maatregel dragen, nu deze gronden voldoende zijn om ten aanzien van eiser een risico op onderduiken aan te nemen.
De rechtbank is daarnaast van oordeel dat de minister zich, gelet op wat hierboven is geoordeeld over de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, terecht op het standpunt heeft gesteld dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregel dan de inbewaringstelling doeltreffend kon worden toegepast.
De rechtbank stelt over het voortraject en de gestelde mentale problemen vast dat in het proces-verbaal van aanhouding van 12 september 2026 staat dat eiser tijdens een fietssurveillance op de Grote Markt in Den Haag is aangehouden voor baldadigheid. De verbalisant beschrijft dat eiser betrokken was bij een opstootje, dat hij zich erg opstandig gedroeg, stond te huilen als een klein kind en te jammeren dat hij was geslagen door een meisje en dat dit Nederland nou was. Eiser is vervolgens weggestuurd door verbalisant en collega’s, waarna hij volgens verbalisant een aantal terrasstoelen kennelijk opzettelijk en met kracht vanaf het terras het looppad opschopte en zonder zich hier verder om te bekommeren doorliep. Bij de aanhouding zijn handboeien aangelegd, omdat eiser zich agressief gedroeg, aldus het proces-verbaal.
In het proces-verbaal van gehoor voorafgaand aan de oplegging van de maatregel (M110) staat dat eiser is bevraagd over zijn medische omstandigheden. Daarbij verklaart hij dat hij spanningen in zijn maag heeft en erg gespannen is. Dit is volgens eiser al zo sinds hij is mishandeld door zijn familie in Tunesië, vanwege gedoe rond een erfenis. Verbalisant vraagt vervolgens of eiser nog steeds claustrofobie heeft, omdat hij eerder heeft verteld daar last van te hebben. Eiser verklaart daarop dat hij sinds hij in Tunesië is mishandeld een fobie heeft gekregen, dat hij last heeft van zijn maag en angstig is geworden. Op de vraag van verbalisant of eiser nu ook angstig is, verklaart hij dat hij nu verdrietig en niet angstig is. De rechtbank volgt verweerder in het standpunt dat hieruit noch uit de overige dossierstukken blijkt dat eiser kampt met mentale problemen die aanleiding gaven voor nader medisch onderzoek. Verweerder heeft er in dit verband nog op gewezen dat in het proces-verbaal van voorgeleiding van 12 september 2026 staat dat eiser verdacht werd van in het openbaar in staat van dronkenschap de orde verstoren, dat eiser uitzinnig en agressief was en ook met de tolk niet te horen was. Dat er geen grond is voor het oordeel dat verweerder onzorgvuldig zou hebben gehandeld in het voortraject door eiser niet vooraf medisch te laten onderzoeken geldt te meer nu in de maatregel staat dat eiser in september 2025 al voor dezelfde klachten door een arts in het ziekenhuis is gezien. Daarbij bleek dat er geen enkele indicatie was dat eiser lichamelijk iets mankeerde. Eiser inhaleerde of slikte lucht in die hij vervolgens ging opboeren, kennelijk om zo het onwel zijn te simuleren. Niet is gesteld of gebleken dat de klachten sindsdien zijn veranderd of verslechterd. Dat er onzorgvuldig zou zijn gehandeld in het voortraject door eiser niet vooraf medisch te laten onderzoeken volgt de rechtbank dan ook niet.
De rechtbank stelt verder vast dat eisers medische omstandigheden zijn betrokken bij het opleggen van de maatregel. De minister heeft in de maatregel voldoende gemotiveerd dat eisers medische omstandigheden, te weten last van zijn maag, een angstig gevoel en claustrofobie, geen aanleiding vormen om af te zien van het opleggen van de maatregel van bewaring. Betrokken is dat eiser zo nodig kan verzoeken om een arts, kan verzoeken om op de luchtplaats te verblijven als hij zich onrustig voelt en dat de arrestantenverzorgers zijn ingelicht over zijn fobie. Voor zover eiser stelt dat hij vanwege zijn medische klachten detentieongeschikt is, is dit niet onderbouwd. Evenmin heeft eiser aannemelijk gemaakt dat zijn klachten uitzetting in de weg zitten en de minister heeft onderbouwd dat eerste hulp in Tunesië gratis beschikbaar is.
6. Ook met inachtneming van de ambtshalve toets waartoe de rechtbank gehouden is[_69a469c7-daab-4331-be5a-ae6f8adfe169], ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring onrechtmatig is. Het beroep wordt ongegrond verklaard. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.W. Griffioen, rechter, in aanwezigheid van P.J.J. Schaap, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.
Voetnoten
- Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.
- Vergelijk de arrest van het Hof van Justitie HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.