Uitspraak · Omgevingsrecht
Rechtbank Den Haag, 15 oktober 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:30372Zaaknummer SGR 25/7468
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum uitspraak
- 15 oktober 2026
- Publicatiedatum
- 29 oktober 2026
- Zaaknummer
- SGR 25/7468
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Omgevingsrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Beroep ongegrond. De door eisers genoemde alternatieve parkeeroplossingen maken geen onderdeel uit van de ingediende aanvraag. Evenmin is gebleken dat deze tijdens de behandeling concreet zijn uitgewerkt of aan het college zijn voorgelegd. Dat achteraf bezien mogelijk een ander plan had kunnen worden ingediend waarin gebruik werd gemaakt van deelmobiliteit of andere parkeeroplossingen, brengt niet mee dat het college gehouden was eisers gedurende de besluitvorming de gelegenheid te bieden hun aanvraag inhoudelijk te wijzigen.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Meessen, rechter, in aanwezigheid van
mr. E.M.J. Kemper, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 15 oktober 2026.
| griffier | rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/7468
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 oktober 2026 in de zaak tussen
[eisers sub 1] en [eisers sub 2], uit [woonplaats], eisers
(gemachtigde: mr. J. Geelhoed),
en
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, het college
(gemachtigde: mr. M.C. Remeijer-Schmitz).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over het beroep van eisers tegen de afwijzing van hun aanvraag om een omgevingsvergunning voor het veranderen van de woning aan [adres] tot twee woningen. Eisers zijn het daar niet mee eens. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de gevraagde omgevingsvergunning heeft mogen weigeren. Eisers krijgen dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Op 16 juli 2024 hebben eisers een omgevingsvergunning aangevraagd voor het veranderen van de woning aan [adres] tot twee woningen.
Met het besluit van 24 oktober 2024 (het primaire besluit) heeft het college de gevraagde omgevingsvergunning geweigerd.
Met het besluit van 9 september 2025 (het bestreden besluit) op het bezwaar van eisers is het college, onder aangevulde motivering, bij het primaire besluit gebleven.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Het college heeft gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 23 juli 2026 op zitting behandeld. Namens eisers is [eisers sub 2] verschenen, bijgestaan door de gemachtigde. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Beoordeling door de rechtbank
Feitelijke situatie
3. Het gaat hier om het veranderen van de woning aan [adres] naar twee woningen. Daartoe hebben eisers op 16 juli 2024 een omgevingsvergunning aangevraagd. Op 13 oktober 2024 hebben eisers het college in gebreke gesteld wegens het niet tijdig beslissen op hun aanvraag. Met het primaire besluit van 24 oktober 2024 heeft het college de gevraagde omgevingsvergunning geweigerd. Het college heeft er bij die weigering op gewezen dat eisers niet in de gelegenheid zijn gesteld om een aangepast voorstel in te dienen, omdat zij het college in gebreke hebben gesteld. Volgens het college bood de door eisers gestelde beslistermijn geen ruimte meer om een gewijzigd bouwplan of een aangepaste aanvraag in behandeling te nemen.
Eisers hebben op 13 december 2024 een tweede aanvraag om een omgevingsvergunning ingediend. Met het besluit van 19 maart 2025 heeft het college deze omgevingsvergunning verleend. Tegen dit besluit hebben eisers bezwaar gemaakt en vervolgens beroep ingesteld. Het beroep is bij de rechtbank behandeld onder het zaaknummer SGR 26/832.
Juridisch kader
4. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet (Ow) op 1 januari 2024 heeft iedere gemeente van rechtswege een omgevingsplan dat geldt voor het gehele grondgebied. In het tijdelijke deel van dit omgevingsplan zijn onder meer de bestemmingsplannen opgenomen die vóór 1 januari 2024 golden. Ter plaatse van het bouwplan geldt het bestemmingsplan ‘Benoordenhout.’ Dit bestemmingsplan maakt dan ook onderdeel uit van het tijdelijke deel van het omgevingsplan van de gemeente Den Haag (hierna: het omgevingsplan.)
De gronden waarop het bouwplan is voorzien, hebben, voor zover relevant, de bestemming ‘Gemengd – 4.’ Ingevolge artikel 7.1, onder f, van het omgevingsplan zijn de voor ‘Gemengd – 4’ aangewezen gronden bestemd voor wonen.
Ingevolge artikel 5.1 van het bestemmingsplan ‘Parapluherziening (fiets)parkeren geldt het volgende:
- Indien de ligging, de omvang of de bestemming van een gebouw of functie daartoe aanleiding geeft, mag een gebouw of functie alleen worden bebouwd of gebruikt onder de voorwaarde dat wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid ten behoeve van het parkeren van voertuigen en (brom)fietsen, met dien verstande dat voldoende ruimte moet zijn aangebracht in, op of onder de bebouwing, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij de bebouwing of functie behoort;
- of sprake is van voldoende (fiets)parkeergelegenheid, zoals genoemd onder a wordt bepaald op basis van de (fiets)parkeernormen, (fiets)parkeereisen en berekeningsmethode, zoals opgenomen in:
1. voor motorvoertuigen: de Nota parkeernormen Den Haag, met dien verstande dat indien voornoemde nota gedurende de planperiode wordt gewijzigd, rekening wordt gehouden met die wijziging;
2. voor fietsen: de beleidsregel Fietsparkeernormen Den Haag 2016, met dien verstande dat indien voornoemde nota gedurende de planperiode wordt gewijzigd, rekening wordt gehouden met die wijziging;
burgemeester en wethouders passen de Nota parkeernormen Den Haag en beleidsregel Fietsparkeernormen Den Haag 2016 toe zoals deze geldt op het moment van indiening van de aanvraag om omgevingsvergunning;
Ingevolge artikel 4:3 van de Nota parkeernormen Den Haag 2021 (de Nota parkeernormen) is, indien niet aan de parkeereis voldaan wordt, afkoop van de parkeereis mogelijk op basis van de regels en voorwaarden van de Regeling afkoop van de parkeereis Den Haag 2020 of een vervangende regeling.
Ingevolge artikel 2.1 van de Regeling afkoop van de parkeereis Den Haag 2020 (de Afkoopregeling) kan de aanvrager (een deel van) de parkeereis alleen afkopen wanneer het college op basis van de voorwaarden uit onderstaande artikel 2.2 en 2.3 aannemelijk kan maken, dat de financiële bijdrage van een bouwplan ook daadwerkelijk wordt aangewend om te voorzien in of ter compensatie van de parkeerbehoefte van dat bouwplan.
Ingevolge artikel 2.2 van de Afkoopregeling kan de aanvrager (een deel van) de parkeereis alleen afkopen indien er bij het college een doorgerekende businesscase ligt voor aanleg (en indien van toepassing: beheer en onderhoud) van een of meerdere mobiliteitsmaatrelen, inclusief andere financiële dekking.
Ingevolge artikel 2.3 van de Afkoopregeling kan de aanvrager (een deel van) de parkeereis alleen afkopen als de afkoopsom reëel kan worden besteed binnen 10 jaar na datum van de ondertekende overeenkomst voor afkoop.
Omvang van het geding
5. Ter zitting is gebleken dat niet langer ter discussie staat of de parkeerbehoefte van het bouwplan correct is berekend. Het geschil spitst zich toe op de vraag of het college de besluitvorming van het bestreden besluit op zorgvuldige wijze heeft doorlopen.
Had het college alternatieve parkeeroplossingen moeten beoordelen?
6. Eisers betogen dat het college ten onrechte niet heeft beoordeeld of de gevraagde omgevingsvergunning alsnog kon worden verleend door toepassing van alternatieve parkeeroplossingen. Zij wijzen hierbij op de mogelijkheden van een deelauto, een deelbakfiets, andere mobiliteitsalternatieven en de afkoop van de parkeereis. Volgens eisers had het college hen, indien aanpassing van de aanvraag noodzakelijk was, in de gelegenheid moeten stellen de aanvraag op dat desbetreffende punt te wijzigen. Daarnaast voeren zij aan dat het college ook na de ingebrekestelling gehouden bleef de aanvraag zorgvuldig te beoordelen.
Het college stelt zich op het standpunt dat de door eisers genoemde alternatieve parkeeroplossingen zowel in bezwaar als in beroep niet nader zijn onderbouwd. Om die reden heeft het college deze alternatieven niet inhoudelijk beoordeeld. Ten aanzien van de afkoop van de parkeereis wijst het college erop dat reeds in de bezwaarfase is gemotiveerd dat afkoop, gelet op de hieraan verbonden voorwaarden van de artikelen 2.1 tot en met 2.3 van de Afkoopregeling, niet mogelijk is. Verder wijst het college erop dat eisers tijdens de bezwaarprocedure een nieuwe aanvraag hebben ingediend, die inmiddels is vergund. Volgens het college bestond daarom geen aanleiding om de in de voorliggende procedure genoemde alternatieven alsnog te onderzoeken. Tot slot stelt het college dat de aanvraag moet worden beoordeeld zoals deze is ingediend. Het college zag geen aanleiding om eisers in gelegenheid te stellen hun aanvraag te wijzigen. Daarbij acht het college het van belang dat eisers het college in gebreke hebben gesteld, waardoor volgens het college geen ruimte meer bestond voor overleg over een mogelijke aanpassing van de aanvraag.
Alternatieve oplossingen
Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) volgt dat het college moet beslissen over een bouwplan zoals dat is ingediend.[_f0c60def-ca46-4dff-9740-e82c28383da5] Het is aan de aanvrager om de inhoud en omvang van zijn aanvraag te bepalen. Het bestuursorgaan is niet gehouden om ambtshalve te onderzoeken of een gewijzigd bouwplan wel aan de toepasselijke regelgeving zou voldoen, omdat dan een andere aanvraag wordt beoordeeld dan de aanvraag die voorligt.
Het staat vast dat de door eisers genoemde alternatieve parkeeroplossingen, waaronder het gebruik van een deelauto, een deelbakfiets en andere mobiliteitsmaatregelen, geen onderdeel uitmaken van de ingediende aanvraag. Evenmin is gebleken dat deze alternatieven tijdens de behandeling van de aanvraag concreet zijn uitgewerkt of aan het college zijn voorgelegd. Eisers hebben in bezwaar slechts in algemene bewoordingen op deze mogelijkheden gewezen. De rechtbank is daarom van oordeel dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat deze alternatieven onvoldoende zijn geconcretiseerd en dat daarom geen aanleiding bestond deze inhoudelijk te beoordelen.
De rechtbank volgt eisers niet in hun betoog dat het college hen in de gelegenheid had moeten stellen de aanvraag aan te passen. Artikel 4:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht ziet namelijk op het aanvullen van een onvolledige aanvraag. In dit geval bevatte de aanvraag voldoende gegevens om daarop inhoudelijk te beslissen. Dat achteraf bezien mogelijk een ander plan had kunnen worden ingediend waarin gebruik werd gemaakt van deelmobiliteit of andere parkeeroplossingen, brengt niet mee dat het college gehouden was eisers gedurende de besluitvorming de gelegenheid te bieden hun aanvraag inhoudelijk te wijzigen.
De verwijzing van eisers naar de uitspraak van de Afdeling van 4 april 2012 maakt het voorgaande niet anders. Uit deze uitspraak volgt dat een bestuursorgaan een aanvrager onder omstandigheden de gelegenheid kan of zelfs moet bieden om een aanvraag te wijzigen, maar dat dit slechts geldt indien sprake is van een ondergeschikte wijziging van het bouwplan.[_a14f404c-5356-4251-b1fd-04a5f8055ffc] Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat, indien de wijziging zo ingrijpend is dat niet langer van hetzelfde bouwplan kan worden gesproken, een nieuwe aanvraag vereist is.[_8ec1d5f6-d812-4d8b-85f3-a0cb76194c5f] In dit geval zijn de door eisers genoemde parkeer- en mobiliteitsalternatieven niet nader uitgewerkt. Reeds daarom kan niet worden beoordeeld welke concrete wijzigingen van het bouwplan nodig zijn en evenmin of die wijzigingen als wijzigingen van ondergeschikte aard zouden kunnen worden aangemerkt.
Voor zover eisers betogen dat de parkeereis had kunnen worden afgekocht, overweegt de rechtbank het volgende. Op grond van artikel 4:3 van de Nota parkeernormen kan, indien niet aan de parkeereis wordt voldaan, onder voorwaarden gebruik worden gemaakt van de Afkoopregeling. Het college heeft in de bezwaarfase gemotiveerd uiteengezet dat niet is gebleken dat eisers voldoen aan de voorwaarden van de artikelen 2.1 tot en met 2.3 van de Afkoopregeling, zodat afkoop van de parkeereis in dit geval niet mogelijk is. Eisers hebben deze motivering niet inhoudelijk bestreden en evenmin aannemelijk gemaakt dat zij wel aan de toepasselijke voorwaarden voldoen. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding voor het oordeel dat het college was gehouden de mogelijkheid van afkoop nader te onderzoeken.
Ingebrekestelling
De rechtbank overweegt dat de omstandigheid dat eisers het college in gebreke hebben gesteld, niet afdoet aan de verplichting van het college om de aanvraag zorgvuldig te beoordelen. Deze verplichting strekt echter niet zo ver dat het college is gehouden om uit eigen beweging met eisers in overleg te treden over mogelijke aanpassingen van de aanvraag of alternatieve oplossingen. De rechtbank ziet in hetgeen door eisers is aangevoerd geen verdere aanknopingspunten voor het oordeel dat het college onzorgvuldig heeft gehandeld in zijn besluitvorming.
Slotsom
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het college de door eisers genoemde alternatieve parkeeroplossingen niet bij de besluitvorming hoefde te betrekken. Het college heeft de gevraagde omgevingsvergunning dan ook mogen weigeren. Het betoog van eisers slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eisers geen gelijk krijgen. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Meessen, rechter, in aanwezigheid van
mr. E.M.J. Kemper, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 15 oktober 2026.
| griffier | rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Voetnoten
- Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 22 maart 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:1148), r.o. 8.2.
- Uitspraak van de Afdeling van 4 april 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BW0758).
- Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 22 april 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:2262 (https://pi.rechtspraak.minjus.nl/)), r.o. 15.1.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Deze uitspraak verwijst naar
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.