Uitspraak · Vreemdelingenrecht

Rechtbank Den Haag, 15 oktober 2026

ECLI:NL:RBDHA:2026:30362Zaaknummer NL25.6582

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
15 oktober 2026
Publicatiedatum
22 oktober 2026
Zaaknummer
NL25.6582
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats
Zwolle
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Afwijzing opvolgende asielaanvraag. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. De rechtbank acht de identiteitsgroei in eisers biseksuele gerichtheid niet geloofwaardig.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Brandwacht-Kampman, rechter, in aanwezigheid van mr. C.L.M. Celie, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. [eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
  2. Samenvatting
  3. Procesverloop
  4. Beoordeling door de rechtbank
  5. Conclusie en gevolgen
  6. Beslissing

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.6582

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. A.S. Sewman),

en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. E.E.G.N. van der Meulen).

Samenvatting

Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de opvolgende asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw[_6875cbcd-94bf-48fe-9eb1-fcbc6d2da3a9]. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. De rechtbank acht de identiteitsgroei in eisers biseksuele gerichtheid niet geloofwaardig. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

1. Eiser heeft een opvolgende aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Hij stelt van Nigeriaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1987. De minister heeft met het bestreden besluit van 6 februari 2025 deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond.

1.1.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

1.2.

De rechtbank heeft het beroep op 11 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, P.A. Oronsaye als tolk en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

De eerste asielprocedure

2.1

Eiser heeft eerder op 20 februari 2021 een asielaanvraag ingediend. Eiser heeft aan die asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij vreest voor de leden van de Ogboni (een politieke/religieuze gemeenschap waarvan eisers vader lid en hoofd was) en voor de vader van zijn vriend [naam 1]. Ook heeft eiser aan die asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij vanwege zijn seksuele contacten met mannen zal worden vervolgd in Nigeria.

2.2

De minister heeft de asielaanvraag met het besluit van 2 november 2021 afgewezen als ongegrond en heeft daarnaast een terugkeerbesluit opgelegd.

2.3

In beroep heeft deze rechtbank met de uitspraak van 16 december 2021[_3b1e1307-b813-4321-8ed3-1bff07f3a651] het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft onder meer geoordeeld dat de minister de gestelde homoseksuele gerichtheid niet aannemelijk heeft kunnen achten. De Afdeling[_65422276-9d01-4038-9ce9-ea501a8fbba8] heeft met de uitspraak van 19 januari 2022[_81f78791-a055-4cef-af23-187c8abab6ba] het hoger beroep ongegrond verklaard. Dat betekent dat het besluit van 2 november 2021 in rechte vaststaat.

De opvolgende asielaanvraag

3. Eiser heeft op 8 december 2022 met het M35-O formulier de opvolgende asielaanvraag ingediend. Eiser heeft bij het gehoor opvolgende aanvraag aanvullend verklaard over zijn relaties en activiteiten sinds de eerste asielprocedure en hij heeft stukken overgelegd (chatberichten, foto’s van COC activiteiten, een brief van LGBT Asylum Support van 5 december 2022 met als bijlage een ingevulde vragenlijst, een uitspraak van deze rechtbank[_549d3135-d4fd-4417-a1a5-4167213cd125], een aangifte van 18 oktober 2024 en het GZA-patiëntendossier).

Het standpunt van de minister

4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:

  • Identiteit, nationaliteit en herkomst;
  • Identiteitsgroei ten aanzien van de biseksuele gerichtheid.

De minister acht het asielmotief over de identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig. De minister acht het asielmotief over de identiteitsgroei ten aanzien van de biseksuele gerichtheid niet geloofwaardig. Eiser heeft zijn verklaringen niet onderbouwd met objectieve documenten. Daar komt bij dat eisers verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Volgens de minister voldoet eiser daarmee niet aan de voorwaarde van artikel 31, zesde lid, onder c van de Vw.

Volgens de minister heeft eiser verder geen gegronde vrees voor vervolging aannemelijk

gemaakt en loopt hij bij terugkeer naar Nigeria geen reëel risico op ernstige schade.

Omdat het gaat om een opvolgende asielaanvraag die niet niet-ontvankelijk is verklaard

heeft de minister de aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b,

eerste lid en onder g, van de Vw.

Verder wijst de minister erop dat reeds een terugkeerbesluit is opgelegd. De minister legt een inreisverbod op voor 2 jaar.

De geloofwaardigheid van de identiteitsgroei in eisers biseksuele gerichtheid

Het referentiekader en eisers vermogen om te verklaren

5. Eiser voert aan dat hij moeite heeft met het uiten van zijn emoties en gevoelens. Dat heeft hij ook voorafgaand aan en tijdens het gehoor gemeld. De minister heeft ten onrechte niet kenbaar gemotiveerd hoe hiermee is omgegaan, waardoor onduidelijk is wat de minister van eiser verlangt. Ook is volgens eiser geen rekening gehouden met de omstandigheid dat hij afkomstig is uit Nigeria waar een homofobe schaamtecultuur heerst.

6. De rechtbank is van oordeel dat de minister in zijn besluitvorming het referentiekader van eiser navolgbaar in kaart heeft gebracht. Zo is betrokken dat eiser is opgegroeid in Nigeria maar wordt ook betrokken dat eiser sinds 2013 in Europa verblijft en dat hij sinds januari 2022 regelmatig deelneemt aan LHBTI evenementen en met mensen spreekt over dit onderwerp. Verder heeft de minister bij het referentiekader duidelijk aangegeven wat van eisers verklaringen mag worden verwacht, namelijk dat hij in zijn eigen bewoordingen inzicht kan geven in zijn identiteitsgroei wanneer hem hiervoor de tijd en ruimte wordt gegeven. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister daarmee voldoende rekening gehouden met eisers stelling dat hij het lastig vindt om over zijn gevoelens te praten. De rechtbank acht daarbij ook van belang dat eiser aan de opvolgende aanvraag mede ten grondslag legt dat hij nu beter kan verklaren over zijn biseksualiteit. Dat bij het referentiekader niet uitdrukkelijk is betrokken dat in Nigeria een homofobe schaamtecultuur heerst, doet aan het voorgaande niet af. Uit deze omstandigheid blijkt niet waarom eiser in zijn geval niet zou kunnen voldoen aan de voorgenoemde verwachtingen van de minister. Eiser verblijft immers al geruimde tijd buiten Nigeria en is al een aantal jaren actief binnen de LHBTI-gemeenschap waardoor de rechtbank niet inziet waarom dit nog van invloed zou zijn op eisers vermogen om te verklaren over de gestelde identiteitsgroei die hij sinds de vorige asielprocedure heeft doorgemaakt. Verder verhoudt deze beroepsgrond zich niet met eisers verklaringen uit voorgaande procedure waaruit blijkt dat eiser niet weet hoe er in Nigeria over homoseksualiteit wordt gedacht.[_8d5224e2-caee-40d3-a442-3328237b09fe]

7. De rechtbank is verder van oordeel dat in het besluit ook voldoende kenbaar is gemotiveerd hoe tijdens het gehoor is getracht eiser te bewegen tot het geven van verklaringen over zijn gevoelens en gedachten. Bij het gehoor is doorgevraagd op eisers antwoorden en hem is voldoende ruimte geboden om te kunnen verklaren over de gestelde identiteitsgroei. Tijdens het gehoor is meerdere keren benadrukt dat het van belang is om over persoonlijke details te vertellen zoals over gevoelens en gedachten[_e5db484f-d479-41f2-9c10-5e9b3f66acee], waardoor evenmin kan worden gezegd dat de minister niet duidelijk heeft gemaakt wat van eiser wordt verlangd. Anders dan eiser heeft gesteld, is tijdens de zitting gebleken dat eiser wel zijn gevoelens onder woorden kan brengen. Eiser heeft bij de zitting verklaard over de relatiebreuk waarbij hij op open vragen van de rechtbank zijn gevoelens heeft kunnen uitdrukken met onder meer de woorden teleurgesteld, pijnlijk, verdriet, nog steeds voelen dat het in de lucht hangt, machteloos, schuldig, niet veilig voelen en angsten. De rechtbank leidt uit deze verklaringen af dat eiser wel degelijk beschikt over voldoende woordenschat waarmee hij ook zijn gevoelens en gedachten betreffende de gestelde identiteitsgroei onder woorden had kunnen brengen. De beroepsgrond slaagt daarom niet.

De zorgvuldigheid van het gehoor

8. Eiser voert aan dat zijn relatie met [naam 2] is geëindigd vanwege de biseksuele geaardheid van eiser. Eiser acht het opmerkelijk dat de minister hierover geen vragen heeft gesteld bij het gehoor terwijl [naam 2] bij het gehoor in haar opvolgende asielprocedure (die gelijktijdig plaatsvond) wel is bevraagd naar de relatie. De minister dient eiser alsnog te horen over de relatiebreuk. Eiser voert verder aan dat de minister ten onrechte niet tijdens het gehoor kenbaar heeft gemaakt dat zijn verklaringen onvoldoende inzicht gaven. Gelet op de samenwerkingsverplichting had de minister het gebrek in eisers verklaringen direct tijdens het gehoor kenbaar moeten maken zodat eiser de kans had om uitgebreider te verklaren. Ook gelet hierop dient de minister eiser opnieuw te horen.

9. De rechtbank stelt vast dat bij het gehoor wel degelijk is gevraagd naar (het eindigen van) de relatie met [naam 2].[_f5b1152c-fa17-474d-b213-d079fc9b9d05] Eiser is gevraagd of hij nog een relatie heeft met [naam 2] en eiser is daarna uitdrukkelijk in de gelegenheid gesteld om de relatiebreuk toe te lichten. Daarbij is doorgevraagd naar wanneer hij haar heeft verteld over zijn biseksualiteit, hoe dat gesprek ging, waarom hij over zijn biseksualiteit heeft verteld en waarom hij hierover op dat moment heeft verteld terwijl hij zijn seksualiteit eerder geheim hield en of zij niet langer meer verloofd zijn. De rechtbank ziet niet in waarom eiser bij het gehoor niet volledig zou hebben kunnen verklaren. Het is immers aan eiser om zijn relaas met zijn verklaringen aannemelijk te maken en hij is bij het gehoor uitgebreid in de gelegenheid gesteld om naar voren te brengen wat hij belangrijk vindt. Daar komt bij dat de rechtbank eiser bij de zitting de gelegenheid heeft gegeven om aanvullend te verklaren over de relatiebreuk met [naam 2]. Eiser heeft daarbij, kort samengevat, verklaard dat de relatie is geëindigd omdat [naam 2] zich bedrogen voelde door eiser en dat hun communicatie sindsdien moeizaam verloopt. De rechtbank is van oordeel dat de aanvullende verklaringen over de relatiebreuk geen ander licht schijnen op de geloofwaardigheidsbeoordeling van de minister nu eisers verklaringen geen inzicht geven in de identiteitsgroei die hij stelt te hebben doorgemaakt.

10. De rechtbank volgt eiser evenmin in de beroepsgrond over de samenwerkingsverplichting. Die strekt niet zover dat reeds bij het gehoor een oordeel moet worden gegeven over de geloofwaardigheid van eisers verklaringen. De rechtbank volgt de minister in de stelling dat het uitgangspunt van het gehoor is dat aan eiser de gelegenheid wordt geboden om een nadere toelichting te geven op zijn opvolgende asielaanvraag en de nieuwe feiten en omstandigheden die hij daarbij naar voren heeft gebracht. Het zwaartepunt ligt bij eisers eigen verklaringen. Het is niet de bedoeling dat tijdens het gehoor al een geloofwaardigheidsoordeel wordt gegeven. Ook in dit kader merkt de rechtbank nog op dat de hoormedewerker meerdere keren gedurende het gehoor heeft opgemerkt dat van eiser wordt verwacht dat hij persoonlijke verklaringen aflegt over zijn gevoelens en gedachten. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank geen aanleiding voor de conclusie dat het gehoor niet zorgvuldig is verlopen. De minister heeft dan ook geen aanleiding hoeven zien om eiser nader te horen.

De verklaringen over de identiteitsgroei

11. Eiser voert verder aan dat hij voldoende heeft verklaard over persoonlijke ervaringen die raken aan zijn seksuele gerichtheid. Aan deze persoonlijke ervaringen komt onvoldoende gewicht toe ook gelet op de moeite die eiser heeft met het uiten van emoties en gevoelens. Eiser heeft verder nog een verklaring van het COC van 1 juni 2025 ingebracht en een verklaring van [naam 3] van 3 juli 2025. In die laatste verklaring wordt onder andere gesteld dat ten onrechte geen referentie- of beoordelingskader is opgesteld voor het begrip identiteitsgroei. Ook wordt in die verklaring gesteld dat wel degelijk sprake is van veranderd gedrag hetgeen zijn identiteitsgroei onderbouwt.

12. De rechtbank wijst allereerst op het voornemen waarin de minister heeft verwezen naar het toetsingskader zoals is neergelegd in WI 2019/17[_814a9006-f6f4-47ae-aa8c-dd491cd4b06d] en WI 2024/6[_d47494d8-8a74-475b-acd6-bae3d0eb8b1b]. De rechtbank merkt verder op dat in de voorgaande procedure eisers gestelde biseksuele geaardheid ongeloofwaardig is geacht. Dit is in rechte vast komen te staan en vormt ook het uitgangpunt in de huidige procedure. Het is aan eiser om met zijn verklaringen en documenten aannemelijk te maken dat hij is gegroeid in zijn biseksuele identiteit waarmee zijn geaardheid nu wel geloofwaardig kan worden geacht. De rechtbank is echter van oordeel dat de minister terecht heeft geconcludeerd dat eiser hierin niet is geslaagd. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

13. Ter zitting heeft eiser geconcretiseerd dat de minister onvoldoende gewicht heeft toegekend aan zijn persoonlijke verklaringen over de relatie met de man uit Leeuwarden en hun seksuele contact dat heeft geleid tot zorgen en het bezoek aan de GZA[_4680d650-7152-4be2-820a-2bdd7e0d24de] en de discriminatie die hij heeft ervaren bij het asielzoekerscentrum. De rechtbank stelt vast dat de minister deze gebeurtenissen heeft meegewogen in het bestreden besluit.[_9b95fcb3-b04d-4577-b974-04da9469afea] De rechtbank is van oordeel dat de minister hierover terecht heeft gemotiveerd dat eiser bij de verklaringen over deze incidenten geen inzicht geeft in zijn gedachten en gevoelens die hij bij de gebeurtenissen heeft ervaren. De rechtbank wijst erop dat in LHBTI-zaken het zwaartepunt van de geloofwaardigheidsbeoordeling ligt bij het persoonlijke en authentieke verhaal van de vreemdeling en vanuit zijn eigen ervaring met betrekking tot zijn gestelde seksuele gerichtheid. De verklaringen van eiser op dit punt zijn niet persoonlijk en authentiek en geven geen inzicht in de gestelde identiteitsgroei. Dat sprake is van veranderend gedrag ten opzichte van de vorige procedure maakt de identiteitsgroei evenmin aannemelijk. Ook in dat kader is van belang dat het niet enkel gaat om veranderend gedrag maar om persoonlijke en authentieke verklaringen. Dat eiser LHBTI-evenementen bezoekt en chatgesprekken voert is daarvoor onvoldoende.

14. Verder is de rechtbank van oordeel dat (de foto’s van) deelname aan LHBTI evenementen niet kunnen leiden tot de conclusie dat sprake is van identiteitsgroei. Daarvoor acht de rechtbank van belang dat eisers verklaringen over zijn deelname aan activiteiten een zeer summier inzicht geven in de betekenis van deze deelname voor hem nu hij niet verder komt dan dat deelname hem blij maakt. Zijn verklaringen maken niet inzichtelijk hoe eiser persoonlijk is veranderd sinds de vorige aanvraag. Bovendien kan iedereen deelnemen aan dergelijke activiteiten. De verklaring van COC van 1 juni 2025 draagt niet bij aan de geloofwaardigheid nu daarin enkel eisers deelname aan activiteiten wordt bevestigd en de minister reeds uitgaat van eisers deelname aan deze activiteiten. Ook de inhoud van de chatberichten is zeer oppervlakkig en biedt geen inzicht in eisers identiteitsgroei.

15. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de identiteitsgroei in eisers biseksuele gerichtheid niet geloofwaardig is. De beroepsgronden slagen niet.

Conclusie en gevolgen

16. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond.

Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Brandwacht-Kampman, rechter, in aanwezigheid van mr. C.L.M. Celie, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

  1. Vreemdelingenwet 2000.
  2. Zaaknummer: NL21.17488.
  3. Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
  4. Zaaknummers: 202108011/1/V2 en 202108011/2/V2.
  5. Uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 21 juni 2022, zaaknummer NL22.2244.
  6. Nader gehoor, pagina 14.
  7. Gehoor opvolgende aanvraag, pagina 10 en 12.
  8. Gehoor opvolgende aanvraag, pagina 3 en 4.
  9. WI 2029/17 Horen en beslissen in zaken waarin lhbti-gerichtheid als asielmotief is aangevoerd.
  10. WI 2024/6 Geloofwaardigheidsbeoordeling (asiel).
  11. Gezondheidszorg Asielzoekers.
  12. Bestreden besluit, pagina 4.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.