Uitspraak · Vreemdelingenrecht

Rechtbank Den Haag, 15 oktober 2026

ECLI:NL:RBDHA:2026:30360Zaaknummer NL26.31860

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
15 oktober 2026
Publicatiedatum
22 oktober 2026
Zaaknummer
NL26.31860
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats
Zwolle
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak uitsluitend of in de uitspraak van 25 juni 2026 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat het beroep niet-ontvankelijk is. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet. Aan de inhoud van de beroepsgronden komt de rechtbank in deze zaak pas toe als het verzet gegrond is.

De rechtbank:

- verklaart het verzet gegrond;

- verklaart de uitspraak van 25 juni 2026 vervallen;

- veroordeelt geopposeerde in de proceskosten van opposante tot een bedrag van € 934,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.L.M. Steinebach - de Wit, rechter, in aanwezigheid van S.E.M. Pot, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. Inleiding
  2. Beoordeling door de rechtbank
  3. Beoordeling van het verzet
  4. Conclusie en gevolgen
  5. Beslissing
  6. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.31860

uitspraak van de enkelvoudige kamer op het verzet van

[opposant], opposant[_158eb5a2-e7a5-41e8-ac2b-355a7d6f4c54]

V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: [gemachtigde]),

tegen de uitspraak van de rechtbank van 25 juni 2026 in het geding tussen

opposant

en

de Minister van Asiel en Migratie, geopposeerde

(gemachtigde: mr. P. Boelhouwer).

Inleiding

1. Deze uitspraak op het verzet van opposant gaat over de uitspraak van de rechtbank van 25 juni 2026 waarin de rechtbank het beroep van opposant niet-ontvankelijk heeft verklaard.

1.1.

De rechtbank heeft het verzet op 17 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van opposant en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak uitsluitend of in de uitspraak van 25 juni 2026 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel[_0f4e4ca3-9a5d-48c4-bb85-4be8bbc88418] is dat het beroep niet-ontvankelijk is. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet. Aan de inhoud van de beroepsgronden komt de rechtbank in deze zaak pas toe als het verzet gegrond is.

3. De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Het beroep van opposant

4. Het beroep van opposant ging over de afwijzing van de aanvraag van opposant tot het verlenen van een verblijfsvergunning. De minister heeft met het besluit van 2 juni 2026 de aanvraag van opposant afgewezen. Gelijktijdig met het beroep heeft opposant de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen (NL26.31861).

De uitspraak van 25 juni 2026

5. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Dat mag de rechtbank als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft het beroep kennelijk niet-ontvankelijk geacht omdat opposant de gronden van het beroep niet heeft vermeld en dat verzuim niet tijdig heeft hersteld. Opposant heeft geen reden gegeven voor dit verzuim. Er is dus geen verontschuldiging voor dit verzuim gebleken.

Beoordeling van het verzet

6. Opposant voert in verzet aan dat hij op 16 juni 2026, onder vermelding van het zaaknummer van de voorlopige voorziening, uitstel heeft gevraagd voor het indienen van de gronden van het beroep. Dit verzoek om uitstel is diezelfde dag toegewezen en aan opposant is een nadere termijn voor indiening van de gronden verleend tot en met 23 juni 2026. Het verzoek tot uitstel is door een administratieve nummerkeuze geregistreerd onder NL26.31861. Echter wijst het uitstelverzoek volgens opposant naar inhoud en strekking ondubbelzinnig op de gronden van het beroep in de hoofdzaak. Op 23 juni 2026 heeft de gemachtigde van opposant gronden ingediend en in het opschrift uitdrukkelijk beide zaaknummers genoemd. De stukken die vóór de uitspraak beschikbaar waren, sluiten de door de rechtbank aangenomen kennelijke niet-ontvankelijkheid volgens opposant dan ook uit, althans roepen daarover onmiskenbaar gerede twijfel op[_725998ee-7385-44a3-bb60-17541dc1c7f3].

6.1

De rechtbank verklaart het verzet gegrond. Uit het dossier is gebleken dat opposant door de rechtbank is gewezen op het verzuim van het indienen van gronden van zowel het beroep als de voorlopige voorziening onder vermelding van uitsluitend het zaaknummer van de voorlopige voorziening. Vervolgens heeft de rechtbank het verzoek van opposant om uitstel voor indiening van de gronden toegewezen. Hierna heeft de gemachtigde van opposant binnen de toegekende uitsteltermijn de beroepsgronden ingediend bij de rechtbank. Gelet hierop, heeft de rechtbank in de uitspraak van 25 juni 2026 ten onrechte geoordeeld dat het beroep kennelijk, dus buiten redelijke twijfel, niet-ontvankelijk was en de zaak ten onrechte zonder zitting heeft afgedaan.

Conclusie en gevolgen

7. Het verzet is gegrond. Dat betekent dat die uitspraak vervalt en de rechtbank het onderzoek hervat in de stand waarin dat zich bevond voordat die uitspraak werd gedaan. Als voorlichting merkt de rechtbank op dat ook na de hervatting van het onderzoek het eindoordeel kan zijn dat het beroep niet-ontvankelijk is.

8. De rechtbank veroordeelt geopposeerde in de door opposant gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,- (0,5 punt voor het verzetschrift en 0,5 punt voor het verschijnen ter zitting met een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het verzet gegrond;

- verklaart de uitspraak van 25 juni 2026 vervallen;

- veroordeelt geopposeerde in de proceskosten van opposante tot een bedrag van € 934,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.L.M. Steinebach - de Wit, rechter, in aanwezigheid van S.E.M. Pot, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

  1. Met opposant wordt bedoeld de indiener van het verzetschrift.
  2. Dit volgt uit artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
  3. Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 7 juli 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1449 r.o. 3.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Deze uitspraak verwijst naar

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.