Uitspraak · Vreemdelingenrecht

Rechtbank Den Haag, 15 oktober 2026

ECLI:NL:RBDHA:2026:30358Zaaknummer NL26.60085

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
15 oktober 2026
Publicatiedatum
22 oktober 2026
Zaaknummer
NL26.60085
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats
Zwolle
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Bewaring – vervolgberoep – medische situatie – aanvraag artikel 64 Vw – zicht op uitzetting – voortvarend handelen – lichter middel – onevenredige bezwarend.

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.P. van Eerde, rechter, in aanwezigheid van D.K. Bloemers, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. Samenvatting
  2. Procesverloop
  3. Beoordeling door de rechtbank
  4. Conclusie en gevolgen
  5. Beslissing

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.60085

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser,

(gemachtigde: mr. K. Ramdhan),

en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. D. Kuiper).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw[_8f49c531-c943-4173-9b33-e37531d388b4]. Eiser is het niet eens met het voortduren van de vreemdelingenbewaring. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring. Omdat eiser ook verzoekt om schadevergoeding beoordeelt de rechtbank ook of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.

1.1.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. De maatregel van vreemdelingenbewaring voldoet aan de voorwaarden. De minister hoefde niet te kiezen voor een lichter middel. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

Procesverloop

2. Met het besluit van 29 augustus 2026 heeft de minister aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. Bij uitspraak van 10 september 2026 heeft de rechtbank het beroep van eiser tegen dat besluit ongegrond verklaard.

2.1.

Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel beroep ingesteld. Eiser heeft ook verzocht om schadevergoeding.

2.2.

De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.

2.3.

De rechtbank heeft het vooronderzoek op 13 oktober 2026 gesloten en bepaald dat de zaak niet op zitting wordt behandeld.

Beoordeling door de rechtbank

Toetsingskader

3. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van vreemdelingenbewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.[_529b1919-c170-4a06-9c85-4a37b5b9cd14]

4. Uit de uitspraak van 10 september 2026 volgt dat de maatregel van vreemdelingenbewaring tot het moment van sluiten van dat onderzoek, rechtmatig was. Daarom beoordeelt de rechtbank nu alleen of de maatregel van vreemdelingenbewaring sinds het moment van sluiten van dat onderzoek, op 8 september 2026 rechtmatig is.

Voortvarend handelen en zicht op uitzetting

5. Eiser voert aan dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan de verwijdering en er geen redelijk vooruitzicht op verwijdering bestaat. Sinds het vertrekgesprek van 2 september 2026 heeft de minister geen uitzettingshandeling meer verricht, terwijl de minister in het bezit is van eisers geldige reisdocument. De maatregel van bewaring dient echter zo kort als mogelijk te duren.

5.1.

De rechtbank volgt eiser hierin niet en overweegt als volgt. Zoals uit de voortgangsgegevens en het verweerschrift volgt heeft eiser op 7 september 2026 een aanvraag om uitstel op grond van artikel 64 van de Vw ingediend. Deze aanvraag schort de vertrekplicht van eiser niet op, maar in beginsel wordt eiser niet uitgezet zolang niet op deze aanvraag is beslist. Medische informatie is opgevraagd en thans is het wachten op een beslissing op de aanvraag. Daarom bestaat er op dit moment geen aanleiding om een vertrekgesprek met eiser te houden. Zodra er een beslissing is genomen, zal er weer een (vertrek)gesprek met eiser plaatsvinden over de uitkomst van de beslissing en de te maken vervolgstap. Eisers paspoort is voorhanden, dus als de aanvraag wordt afgewezen kan spoedig een vlucht voor eiser worden geboekt. Mocht de aanvraag worden toegewezen dan zal alsdan worden bezien welke gevolgen dat heeft voor de maatregel van bewaring. Gelet hierop bestaat er zicht op uitzetting en handelt de minister voldoende voortvarend. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet. Lichter middel en onevenredig bezwarende maatregel

6. Eiser voert aan dat de minister had moeten volstaan met een lichter middel, omdat hij in Nederland een broer heeft wonen die tevens zijn curator is. Uit de voortgangsgegevens blijkt niet waarom een lichter middel geen optie is. Voorts is de maatregel van bewaring voor eiser onredelijk bezwarend gezien zijn psychische gesteldheid. Er is een concreet alternatief voorhanden om het doel te bereiken.

6.1.

De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank verwijst allereerst naar haar eerdere uitspraak van 10 september 2026, overweging 7.1. en 8.1.. In wat eiser nu aanvoert ziet de rechtbank geen aanleiding voor een ander oordeel. Daarbij betrekt de rechtbank ook dat eiser nog geen twee maanden in vreemdelingenbewaring verblijft en ook het indienen van een aanvraag om toepassing van artikel 64 van de Vw geen aanleiding geeft om een lichter middel toe te passen. Ook is niet gebleken dat de maatregel van bewaring onevenredig bezwarend is. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet. Ambtshalve toets7. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor (het voortduren van) deze maatregel niet is voldaan.[_7baaf1ba-98d7-4175-a182-c49b6b8501ce]

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.P. van Eerde, rechter, in aanwezigheid van D.K. Bloemers, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

  1. Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
  2. Dit volgt uit artikel 96, derde lid, van de Vw.
  3. Zie de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858, 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 en 5 maart 2026, ECLI:EU:C:2026:148.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.