Uitspraak · Socialezekerheidsrecht
Rechtbank Den Haag, 15 oktober 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:30347Zaaknummer SGR 25/3287
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum uitspraak
- 15 oktober 2026
- Publicatiedatum
- 29 oktober 2026
- Zaaknummer
- SGR 25/3287
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Deze uitspraak gaat over de weigering van het Uwv om eiseres per 30 mei 2024 een uitkering toe te kennen op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA).
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.A. Oudenaarden, rechter, in aanwezigheid van mr.S. Çakir, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 15 oktober 2026.
| griffier | rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/3287
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 oktober 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. M. Berkel),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)¸
verweerder
(gemachtigde: G.M. Folkers-Hooijmans).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de weigering van het Uwv om eiseres per 30 mei 2024 een uitkering toe te kennen op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Eiseres is het daar niet mee eens omdat zij vindt dat haar medische klachten niet goed zijn beoordeeld en de geduide functies voor haar niet passend zijn. Aan de hand van wat eiseres in beroep heeft aangevoerd, beoordeelt de rechtbank of de besluitvorming van het Uwv juist is. De rechtbank betrekt daarbij ook de rapporten die aan die besluitvorming ten grondslag liggen.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de besluitvorming juist is en dat het Uwv terecht de aanvraag van eiseres om een WIA-uitkering heeft geweigerd. Eiseres krijgt dus geen gelijk en haar beroep is daarom ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiseres werkte als horecamedewerker van 1 november 2021 tot 30 april 2022 voor vijf dagen in de week, 40 uur. Op 2 juni 2022 heeft eiseres zich ziekgemeld. Per 2 augustus 2022 werd haar een uitkering op de grond van de Ziektewet (ZW) toegekend door het Uwv. Op 22 februari 2024 heeft eiseres een aanvraag voor een WIA-uitkering ingediend.
Met het primaire besluit van 11 juli 2024 heeft het Uwv de aanvraag van eiseres afgewezen omdat zij 0,0% arbeidsongeschikt is. Omdat dit minder dan 35% is, heeft eiseres geen recht op een WIA-uitkering per 30 mei 2024.
Met het bestreden besluit van 28 maart 2025 heeft het Uwv dit standpunt gehandhaafd en het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Het Uwv heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 3 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, haar gemachtigde en de gemachtigde van verweerder.
Standpunt eiseres
3. Eiseres voert aan dat zij diverse medische klachten heeft, waaronder migraineaanvallen. Zij meent dat het Uwv ten onrechte alleen verwijst naar het uitgangspunt dat migraine in algemene zin niet tot excessief verzuim leidt. Volgens haar had het Uwv dienen te beoordelen of in haar specifieke situatie de migraineaanvallen tot uitval zouden kunnen leiden. Zo is immers bekend dat sprake is van angstklachten en hyperventilatie en spanningshoofdpijnen. Die samenhang is door het Uwv miskend. Daarbij heeft eiseres ook gewezen op de bij haar bekende lupus (een ontstekingsziekte) en haar klachten aan nek en schouders die doorstralen naar de armen, waarvoor zij ook onder behandeling is bij de fysiotherapeut. Eiseres geeft aan veel last te hebben van ontstoken pezen en van voortdurende hoofdpijn waarvoor zij ook botox-injecties ontvangt, welke echter onvoldoende effect hebben. Eiseres ervaart depressies waarvoor zij onder behandeling is bij een psycholoog en waarvoor zij medicatie ontvangt. Zij kan moeilijk lopen vanwege de opgezwollen handen, voeten en de problemen aan haar knieën. Hiervoor moet zij binnenkort ook opnieuw naar de reumatoloog. In de FML is geen, althans een onvoldoende, beperking opgenomen ten aanzien van deze klachten. Bij klachten aan de nek/schouders is het werken in tochtige omgevingen gecontraïndiceerd. Ook hiervoor is ten onrechte geen beperking opgenomen. Verder is ten onrechte geen beperking opgenomen wat betreft trillingsbelasting en het werken met zware beschermende middelen. Eiseres meent dat in het licht van de geconstateerde klachten de beperkingen als vastgelegd in de Functionele mogelijkhedenlijst (FML) ontoereikend zijn en dat de voorgestelde functies voor haar niet passend zijn.
Standpunt verweerder
4. Het Uwv stelt zich in het verweerschrift op het standpunt dat eiseres uitgebreid is onderzocht door de verzekeringsarts. Bovendien beschikte deze over uitgebreide informatie van de behandelend sector (onder andere van de neuroloog en de plastisch chirurg). De verzekeringsarts bezwaar & beroep (b&b) is van mening dat er geen aanleiding bestond wijzigingen aan te brengen in de FML, omdat alle door eiseres aangegeven klachten en beperkingen juist zijn beoordeeld door de primaire verzekeringsarts. Voor het Uwv bestaat er dan ook geen aanleiding om het standpunt te herzien.
Beoordeling door de rechtbank
5. De rechtbank moet beoordelen of het Uwv terecht heeft geweigerd aan eiseres een WIA-uitkering toe te kennen per 30 mei 2024.
Op grond van artikel 5 van de Wet WIA bestaat recht op een WIA-uitkering als een betrokkene ten minste 35% arbeidsongeschikt is. De mate van arbeidsongeschiktheid wordt berekend door het loon dat een betrokkene in zijn laatste werk nog had kunnen verdienen, te vergelijken met het loon dat hij kan verdienen in passende functies. Deze beoordeling is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek.[_1480702e-bc74-4674-bf40-7e679a09e6f3]
De rechtbank stelt voorop dat het Uwv besluiten over de mate van arbeidsongeschiktheid van een betrokkene mag baseren op rapporten van verzekeringsartsen, indien deze rapporten op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, geen tegenstrijdigheden bevatten en voldoende duidelijk zijn. Dit betekent niet dat deze rapporten en het daarop gebaseerde besluit in beroep niet kunnen worden aangevochten. Het is echter aan de betrokkene om aan te voeren en zo nodig aannemelijk te maken dat de rapporten niet op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, tegenstrijdigheden bevatten, niet voldoende duidelijk zijn, dan wel dat de in de rapporten gegeven beoordeling onjuist is.
Zorgvuldigheid
6. De rechtbank is van oordeel dat het medisch onderzoek zorgvuldig is geweest. De primaire verzekeringsarts heeft eiser op 12 maart 2024 op het spreekuur gezien en daarbij psychisch en lichamelijk onderzoek verricht. Daarbij heeft zij een uitgebreide anamnese afgenomen. Zij heeft medische gegevens van derden bij haar beoordeling betrokken. De bevindingen zijn opgenomen in het rapport van 3 mei 2024.
In bezwaar heeft de verzekeringsarts b&b dossierstudie verricht. De verzekeringsarts b&b heeft haar bevindingen opgenomen in het rapport van 3 maart 2025. De medische stukken die in bezwaar door eiser zijn ingeleverd zijn door de verzekeringsarts b&b bij de heroverweging betrokken. De verzekeringsarts b&b ziet geen aanleiding om af te wijken van het standpunt van de primaire verzekeringsarts.
Gelet op deze onderzoeksactiviteiten is de rechtbank van oordeel dat de medische rapporten zorgvuldig tot stand zijn gekomen.
Medisch oordeel
De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de medische beoordeling en is van oordeel dat de verzekeringsartsen de medische belastbaarheid van eiser op inhoudelijk overtuigende wijze en zonder tegenstrijdigheden hebben gemotiveerd.
De primaire verzekeringsarts heeft in haar rapport van 3 mei 2024 gerapporteerd dat er geen sprake is van geen benutbare mogelijkheden. Er is namelijk geen sprake van opname, bedlegerigheid, ADL afhankelijkheid, sterk wisselende mogelijkheden/verlies mogelijkheden, of sterke beperking in persoonlijk of sociaal functioneren. De medische situatie zal naar verwachting op lange termijn in belangrijke mate verbeteren. De functionele mogelijkheden zullen op lange termijn in belangrijke mate toenemen. Bij lichamelijk onderzoek zijn er enige afwijkingen gevonden. Gezien de onderzoeksbevindingen heeft de primaire verzekeringsarts aanleiding gezien om beperkingen aan te nemen ten aanzien van lang staan, lang zitten, gebogen werken, duwen/trekken (rechts meer dan links), tillen/dragen (rechts meer dan links), rechts boven schouder hoogte werken. Er is een redelijke of goede verwachting dat verbetering van de belastbaarheid zal optreden in het komende jaar of daarop volgende jaar. In de FML zijn diverse beperkingen aangenomen in de rubrieken sociaal functioneren, fysieke omgevingseisen, dynamische handelingen, statische houdingen en werktijden waarbij eiseres ’s nachts niet kan werken en maximaal 8 uur per dag, 40 uur per week kan werken. Ook is eiseres aangewezen op regelmatige werktijden.
De verzekeringsarts b&b rapporteert in haar rapport van 3 maart 2025 dat met een verminderde knijpkracht rechts door een beperking ten aanzien van repetitieve hand/vingerbeweging en schroefbewegingen met hand en arm in voldoende mate rekening is gehouden. Een verdergaande beperking ten aanzien van toetsenbord en muis bedienen is niet aan de orde omdat alle handgrepen mogelijk zijn en geen functieverlies van de vingers aanwezig is. De schouder- en nekklachten, welke op een verhoogde spierspanning berusten, zijn geen reden voor een verdergaande beperking. Er zijn namelijk geen aanwijzingen voor neurologische uitvalsverschijnselen. Evenmin is er reden voor aanvullende beperkingen ten aanzien van de knieklachten. Immers, bij het lichamelijk onderzoek zijn de knieën niet warm, gezwollen of rood wat ernstige knieproblematiek uitsluit. Bovendien is door een beperking ten aanzien van lopen, traplopen, klimmen en hurken reeds in voldoende mate rekening gehouden met een verminderde belastbaarheid van de knieën, aldus de verzekeringsarts b&b. Door een beperking voor een fysiek zware en eenzijdige belasting met de mogelijkheid om het regelmatig het werk te kunnen onderbreken voor toiletbezoek en tussendoor te kunnen vertreden, is er in voldoende mate rekening gehouden met aambeien en urine-incontinentie. De verzekeringsarts b&b overweegt verder dat hoofdpijn geen duurzame beperkingen in arbeid geeft en niet leidt tot excessief arbeidsverzuim. Voor traumatische ervaringen is eiseres reeds beperkt voor conflicthantering en er is op preventieve grond vanwege nachtmerries een beperking voor onregelmatig werk en nachtdiensten aangenomen. Aangezien er geen cognitieve functiestoornissen bij psychisch onderzoek aanwezig zijn, zijn verdergaande beperkingen niet aan de orde. Met betrekking tot de huidziekte lupus overweegt de verzekeringsarts b&b dat, mede gezien het feit dat eiseres geen medicatie hiervoor krijgt uitgezonderd zalfjes, er onvoldoende grond is anders te oordelen dan de primaire verzekeringsarts heeft gedaan. De verzekeringsarts b&b concludeert dat er geen medische argumenten zijn om de FML van de primaire verzekeringsarts te herzien.
Eiseres voert aan dat haar individuele situatie niet is beoordeeld met betrekking tot migraine. De rechtbank overweegt als volgt. De primaire verzekeringsarts heeft informatie van derden bestudeerd waarin de migraine van eiseres aan bod komt en zelf ook een lichamelijk onderzoek verricht. De primaire verzekeringsarts heeft onder meer bij haar oordeel betrokken dat eiseres voor haar migraineaanvallen contact heeft gehad met de specialist. De medicatie van eiseres is aangepast wegens bijwerkingen. Uit de medische informatie bleek volgens de verzekeringsarts dat eiseres wekelijks last had van een migraineaanval, maar na aanpassing van de medicatie lijkt de frequentie minder geworden te zijn, namelijk ongeveer 1 keer per 3-4 weken. Tijdens het spreekuur zijn er geen afwijkingen gevonden en in haar dagverhaal komt niet duidelijk naar voren wat haar belemmeringen hierdoor zijn. Ervan uitgaande dat een dergelijke aanval een paar dagen duurt en dat eiseres dus 1 keer per 3-4 weken een aanval heeft en dan niet beschikbaar is voor werk, kan er worden aangenomen dat er geen sprake is van excessief verzuim als eiseres fulltime zou werken, aldus de verzekeringsarts. Bovendien zou zo'n aanval ook in het weekend kunnen plaatsvinden. De verzekeringsarts b&b stelt dat de hoofdpijn vanwege het aanvalsgewijze karakter geen duurzame beperkingen in arbeid geeft en niet leidt tot excessief arbeidsverzuim. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit het voorgaande dat, anders dan eiseres stelt, er wel degelijk een individuele beoordeling heeft plaatsgevonden van haar migraineklachten en de beperkingen die deze klachten specifiek voor haar meebrengen. Dat de migraineklachten in het geval van eiseres, anders dan de verzekeringsartsen hebben geconcludeerd, al dan niet in combinatie met de andere klachten waar eiseres mee te maken heeft wel zouden kunnen leiden tot excessief arbeidsverzuim, heeft zij niet onderbouwd. Ook zijn er in de medische beoordeling geen aanwijzingen te vinden dat werken met een beeldscherm de klachten van eiseres zou verergeren en mogelijk wel zal leiden tot excessief arbeidsverzuim. De enkele verwijzing naar algemene informatie van een website die vermeldt dat schermtijd bij sommige mensen kan leiden tot hoofdpijn en migraine is in dit verband onvoldoende om aan te nemen dat dat wel zo zou zijn.
Eiseres heeft haar standpunt met betrekking tot de medische beoordeling niet onderbouwd met medische stukken. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de medische beoordeling en is van oordeel dat de verzekeringsarts b&b de medische belastbaarheid van eiseres in haar rapport op inhoudelijk overtuigende wijze en zonder tegenstrijdigheden heeft gemotiveerd. Het Uwv heeft de beoordeling door de verzekeringsarts b&b aan het bestreden besluit ten grondslag mogen leggen.
Arbeidskundige beoordeling
De arbeidsdeskundige b&b heeft in het rapport van 20 maart 2025 geconcludeerd dat op basis van de ongewijzigde FML door de verzekeringsarts b&b alle primair geduide functies passend worden geacht. Het gaat om de functies lader/losser (SBC-code 111220), administratief ondersteunend medewerker (SBC-code 315100) en telefonisch verkoper (outbound) (SBC-code 315173).
Met betrekking tot de geduide functies heeft eiseres in bezwaar naar voren gebracht dat het werken met een beeldscherm en afleiding door anderen niet passend is gelet op de migraine die bij eiseres kan optreden. Eiseres is ook beperkt ten aanzien van haar rechterschouder. Indien eiseres meerdere keren, kort achter elkaar, deze beweging heeft te maken, is het evident dat dit ook tot overschrijding van haar belastbaarheid zal leiden. Voorts stelt eiseres dat zij haar toiletbezoek niet kan uitstellen. De arbeidsdeskundige b&b overweegt hierover in zijn rapportage van 20 maart 2025 ten aanzien van de functie lader/losser dat in de FML niet is aangegeven dat eiseres beperkt is ten aanzien van 'afleiding door anderen' in de werkomgeving. Behoefte aan toiletbezoek is niet acuut, en dat een toilet beschikbaar is op een afstand van maximaal 50 meter wordt voldoende geacht voor de noodzakelijke toiletbezoeken. De belasting in deze functie ten aanzien van tillen is tijdens 8 werkuren 30 maal ongeveer 3 kg achtereen (inpakken dozen/aanvullen voorraad), en de belasting in de functie ten aanzien van dragen is tijdens 8 werkuren 30 maal per uur ongeveer 1 minuut achtereen 3 kg. Het gewicht blijft dus ruim onder de toegestane 5 kg voor wat betreft de linker hand/arm, omdat in de functie lader/losser tillen of dragen alleen voorkomt tot 3 kg. In de functiebelasting wordt aangegeven dat "bovenste en onderste stellingen slechts zeer sporadisch benut worden". Dit blijkt ook uit het feit dat de belasting 'klimmen' (opstapje gebruiken) niet gescoord is als functiebelasting. Bovendien staat niet op de FML als aanvullende toelichting bij ‘klimmen’ aangegeven dat dit alleen kan indien met één hand vastgehouden kan worden. Daarom is op dit punt geen sprake van een ontoelaatbare overschrijding. Ook de functies van administratief ondersteunend medewerker en van telefonisch verkoper zijn volgens de arbeidsdeskundige, gezien de beperkingen in de FML, passend voor eiseres.
Uitgaande van de juistheid van de FML ziet de rechtbank geen aanleiding te twijfelen aan de geschiktheid van eiseres voor de geduide functies. Eiseres heeft, afgezien van de beperkingen die volgens haar ten onrechte niet in de FML zijn opgenomen, niet nader onderbouwd waarom de geduide functies niet passend zouden zijn. Met deze functies is eiseres in staat meer dan 65% te verdienen van het loon dat zij verdiende voordat zij ziek werd. Het Uwv heeft daarom terecht geweigerd aan eiseres een WIA-uitkering toe te kennen.
Conclusie en gevolgen
7. Gezien het voorgaande is het beroep ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.
8. Voor een vergoeding van de proceskosten is geen aanleiding. Eiseres krijgt ook het betaalde griffierecht niet terug.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.A. Oudenaarden, rechter, in aanwezigheid van mr.S. Çakir, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 15 oktober 2026.
| griffier | rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Voetnoten
- Op grond van artikel 6, eerste lid, van de Wet WIA.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.