Uitspraak · Verbintenissenrecht
Rechtbank Den Haag, 14 oktober 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:30336Zaaknummer C/09/697937
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum uitspraak
- 14 oktober 2026
- Publicatiedatum
- 23 oktober 2026
- Zaaknummer
- C/09/697937
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Verbintenissenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudig
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Letselschadezaak. Eiseres is uit bed gevallen in ziekenhuis. Daarna is een hersenbloeding geconstateerd. Vraag is of de val uit bed het gevolg is van een schending van de zorgplicht. Daarnaast is de vraag of de hersenbloeding het gevolg is van de val uit bed.
De rechtbank
wijst de vorderingen van [eiseres] af,
veroordeelt [eiseres] in de proceskosten van € 2.230, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98 plus de kosten van betekening als [eiseres] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
veroordeelt [eiseres] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
verklaart dit vonnis wat betreft de onder 6.2 en 6.3 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. P. Dondorp, mr. P.M. de Keuning en mr. J. van der Lee en in het openbaar uitgesproken op 14 oktober 2026.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK Den Haag
Team Handel
Zaak- / rolnummer: C/09/697937 / HA ZA 26-91
Vonnis van 14 oktober 2026
in de zaak van
[eiseres],
te [plaats 1] (Verenigde Arabische Emiraten),
eiseres,
hierna te noemen: [eiseres],
advocaat: mr. T.J.C. Bueters,
tegen
1 STICHTING HAAGLANDEN MEDISCH CENTRUM,
te Den Haag,
hierna te noemen: HMC,2. ONDERLINGE WAARBORGMAATSCHAPPIJ MEDIRISK B.A.,
te Utrecht,
hierna te noemen: Medirisk,
gedaagden,
advocaat: mr. M.F. Mooibroek.
1 De procedure
Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken:
- de dagvaarding van 8 januari 2026, met producties;
- de conclusie van antwoord van 15 april 2026, met producties;
- het tussenvonnis van 17 juni 2026, waarbij de datum van de mondelinge behandeling is bepaald op 3 september 2026;
- de namens [eiseres] op 12 augustus 2026 toegezonden akte houdende eiswijziging;
- de namens [eiseres] op 20 augustus 2026 toegezonden aanvullende producties;
- de namens HMC en Medirisk op 23 en 24 augustus 2026 toegezonden aanvullende producties;
- de door beide partijen ter zitting overgelegde spreekaantekeningen.
Op 3 september 2026 heeft de mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden. (Vertegenwoordigers van) partijen zijn verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Zij hebben vragen van de rechtbank beantwoord en hun standpunten nader toegelicht. De griffier heeft aantekeningen gemaakt.
2 De kern van de zaak
[eiseres] is in 2022 – op 81-jarige leeftijd – na een hersenoperatie in het HMC uit haar bed gevallen. Daarna is bij haar een hersenbloeding geconstateerd. Volgens [eiseres] had de val voorkomen moeten worden en is de hersenbloeding door de val veroorzaakt. Dat kan de rechtbank niet vaststellen. Ook is niet voldoende duidelijk dat het HMC de hersenbloeding en de gevolgen daarvan geheel of gedeeltelijk had kunnen voorkomen door eerder onderzoek te doen en/of (anders) te behandelen. De vorderingen worden daarom afgewezen.
3 De feiten
Op grond van de stukken en wat tijdens de zitting is besproken wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
In 2018 is een goedaardige hersentumor (rechts) bij [eiseres] verwijderd in het HMC. In 2019 onderging [eiseres] (elders) een rugoperatie (wegens beenklachten links) en in 2020/2021 heeft zij (eveneens elders) een heupoperatie ondergaan en een prothese gekregen.
In 2021 was sprake van aanwijzingen voor een recidiverende hersentumor rechts en van progressieve klachten (waaronder vallen en zeer ernstige pijn). Ook was sprake van uitval links en fijne motoriekstoornissen van het linkerbeen. In een ander ziekenhuis werd (ook in 2021) de diagnose epilepsie gesteld. In december 2021 is [eiseres] in [woonplaats], waar zij woont, in haar eigen woorden ‘ingestort’.
Op 14 januari 2022 is (het recidief van) de goedaardige tumor in de rechter frontale hersenhelft van [eiseres] in het HMC verwijderd. Daaraan voorafgaand (op 10 januari 2022) heeft het HMC bij een screening op valrisico dat risico bij [eiseres] als verhoogd ingeschat.
Op 15 januari 2022 was [eiseres] verward en werd gedacht aan een delier. Een fysiotherapeut constateerde dat zij niet veilig mobiliseerde. Op 16 januari 2022 beantwoordde [eiseres] vragen niet adequaat, was zij plukkerig en verward. Er werd opdracht gegeven voor het bijhouden van een delirium observatie screening (DOS)-schaal.
Op 17 januari 2022 om 01.15 uur is de diagnose delier gesteld.
Op 17 januari 2022 om 05.30 uur werd [eiseres] door een verpleegkundige aangetroffen op de grond naast haar bed. Tijdens het voorlopig getuigenverhoor in 2025 heeft deze verpleegkundige hierover onder meer verklaard:
“Ik heb haar bij binnenkomst op de grond aangetroffen. In mijn rapportage heb ik gelezen dat ze op de dekens lag. Dat laatste kan ik me niet herinneren. (…) Toen ik haar aantrof was ze bij bewustzijn. (…) Ik heb toen de vitale functies gemeten. (…) Ook merk ik op dat in mijn rapportage is vermeld dat er geen zichtbaar letsel is aangetroffen aan het hoofd van mevrouw [eiseres], zoals bloeding, zwelling of bulten.”
In de ochtend van 17 januari 2022 vond een controle plaats door de arts [arts], die daarover tijdens het voorlopig getuigenverhoor in 2025 het volgende verklaarde:
“Zij is ’s nachts uit bed gevallen. Dat hoorden wij ‘s ochtends tijdens de papieren visite. (…) Na het lopen van de papieren visite zijn we langsgegaan. Ik was op dat moment coassistent en ik was samen met een arts-assistent. (…) Uit dat onderzoek bleek dat de situatie van mevrouw [eiseres] was verslechterd ten opzichte van de statusvoering van de dag ervoor. We hebben toen een sein uitgezet wat met zich bracht dat mevrouw [eiseres] direct naar een CT-scan is gebracht om een scan te maken. (…) We zagen geen verwondingen aan het hoofd zelf. Ik heb toen geen blauwe plekken gezien.”
Op de daarna op 17 januari 2022 (om 11:15 uur) gemaakte CT-scan werd een hersenbloeding in de linker hersenhelft geconstateerd. Op de scan was geen uitwendig letsel aan het hoofd zichtbaar. Toen de echtgenoot van [eiseres], de heer [echtgenoot], over de hersenbloeding werd geïnformeerd, liet hij weten dat hem de dag ervoor was opgevallen dat [eiseres] niets met de linkerarm kon vastpakken en dat zij nauwelijks sprak. Over de val uit bed is [echtgenoot] toen niets verteld.
Op 18 januari 2022 is opnieuw een CT-scan van de hersenen gemaakt, waarna is gekozen voor afwachtend beleid. In het medisch dossier is vermeld dat werd afgezien van drukverlaging (decompressie) vanwege comorbiditeit, leeftijd en verwacht matig herstel.
Op 19 januari 2022 werd in het dossier als meest waarschijnlijke oorzaak voor de hersenbloeding CAA genoteerd. De beslissing tot afwachtend beleid werd gehandhaafd.
Op 20 januari 2022 werd een hematoom op de linker heup van [eiseres] geconstateerd. De geraadpleegde traumachirurg adviseerde foto’s van heup en bekken te laten maken om fracturen uit te sluiten. Van fracturen bleek geen sprake te zijn. Tijdens een gesprek met de familie op eveneens 20 januari 2022 werd over de val uit bed en inschakeling van de traumachirurg niets verteld. Geadviseerd werd [eiseres] te laten opnemen in een verpleeghuis.
Op 9 februari 2022 werd [eiseres] uit het HMC ontslagen.
Vanaf 10 februari 2022 werd [eiseres] gedurende ruim zes maanden behandeld in een ziekenhuis in [plaats 2] (Verenigde Arabische Emiraten). Daarna verbleef zij gedurende drie maanden in een revalidatiekliniek in India.
In april 2022 ontving [echtgenoot] de nota van het HMC waaruit bleek dat een traumachirurg was ingeschakeld. Hij heeft daarop het medische dossier van [eiseres] opgevraagd. In het hem toegezonden (deel van het) dossier las hij voor het eerst dat [eiseres] op 17 januari 2022 uit bed was gevallen.
Op 2 augustus 2022 stelde [eiseres] het HMC aansprakelijk voor de gevolgen van haar behandeling in het HMC. Het HMC en Medirisk hebben aansprakelijkheid afgewezen.
Vanaf februari 2024 is [eiseres] thuis (in [woonplaats] ). Zij is vrijwel volledig invalide en moet 24 uur per dag verzorgd en verpleegd worden.
Op 17 juli 2025 vonden voorlopig getuigenverhoren van onder meer [naam 1] en [arts] plaats. In het proces-verbaal van het verhoor van [naam 1] staat het volgende:
“(…)
13. Kunt u het bed omschrijven?
Ze lag op het eerste bed, maar dat weet ik niet zeker. Dat is een normaal bed met vier bedhekken. Twee kleine bij het bovenlichaam en twee grote bij het onderlichaam.
14. Stond het bed tegen de muur?
Het stond in de normale stand. De hoofdzijde stond tegen de muur en de zijkanten stonden niet tegen de muur aan.
15. Waren de bedhekken omhoog ten tijde van de val?
Dat kan ik me niet herinneren.
16. Was het bed in de laagste stand gezet?
Ik kan me niet herinneren of het bed hoog of laag stond.
17. Waren er andere voorzorgsmaatregelen getroffen zodat mevrouw [eiseres] niet uit bed zou vallen?
Ik kan me dat niet herinneren. Er staat daarover niks in de rapportages vermeld. Het zou kunnen dat mevrouw [eiseres] handschoenen aan had waarmee plukreacties worden voorkomen. maar dat weet ik niet zeker. Op zich zijn dergelijke handschoenen er niet op gericht om een val uit bed te voorkomen.
(…)”
Verder staat in het proces-verbaal van het verhoor van [arts] het volgende:
“(…)
4. Kunt u het bed omschrijven van mevrouw [eiseres] ?
Ik weet dat ze in bed lag. Ik kan me niet herinneren of de bedhekken omhoog of omlaag stonden.
5. Kunt u zich herinneren of er voorzorgsmaatregelen tegen vallen waren getroffen?
Het bed stond laag. wat op zich een voorzorgsmaatregel is. Er lag geen belmat.
(…)”
In een advies van de heer [medisch adviseur 1], medisch adviseur van [eiseres], van
23 oktober 2025 staat onder meer het volgende:
“(…) Als oorzaak werd aan de familie gemeld dat de bloeding was veroorzaakt door CAA
(cerebrale amyloide angiopathie). (…) Er is echter een grotere waarschijnlijkheid dat hier sprake is geweest van een val uit bed door verwardheid (beginnende delier) met de bloeding links parieto-occiptaal als gevolg. Dit komt geheel overeen met het tijdstip van klinische achteruitgang. Ook de bloeduitstorting op de linker heup waarvoor een traumachirurg in consult werd gevraagd doet vermoeden dat er geen sprake is geweest van een zachte landing. De hemiparalyse is waarschijnlijk veroorzaakt door een coup contra coup effect met beschadiging van de door voorgaande operaties reeds zeer kwetsbare rechterhersenhelft (…).
Een CT-scan op 31-01 laat een doorgemaakte bloeding zien met fors omgevend oedeem.
Er is een middenlijn shift naar rechts te zien. Aangezien de bloeding links voor de val niet is
vastgesteld moet er een relatie zijn met de val.
Er had eerder preventief gehandeld moeten worden bij de diagnose verwardheid c.q. delier, hetzij medicamenteus hetzij d.m.v. vastbinden in bed (vrijheid beperkende maatregelen), aangezien patiënten vaak postoperatief in deze toestand uit bed vallen Er had eerder in de dd. opgenomen moeten worden dat de bloeding door de val uit bed zou kunnen zijn veroorzaakt.
(…) Men kan dus spreken van een verwijtbare fout, waarbij zowel de behandeld specialist als het ziekenhuis aansprakelijk zijn.”
In een advies van [medisch adviseur 2], medisch adviseur van Medirisk, van 16 februari 2026, dat is aangevuld op 13 augustus 2026, staat onder meer het volgende:
“(…)
14. Wat is uw visie op de stelling van betrokkene dat op basis van de diagnose CAA ten onrechte geendrukverlaging is toegepast, maar een afwachtend beleid is gevoerd?
Het is geen uitgemaakte zaak dat een decompressieve craniotomie een verbetering van de kliniek verzorgt. Terughoudendheid is sowieso geboden. Bij andere indicaties wordt een linkszijdige locatie en oudere leeftijd (>70 jaar) afgezien van een dergelijke ingreep. Deze wetenschap en het feit dat een decompressie bij een niet traumatische bloeding nooit bewezen effectief is, maakt dat ik denk dat de juiste keuze is gemaakt. Terughoudendheid wordt overigens ook inde richtlijn aangeraden (https://richtlijnendatabase.nl/richtlijn/herseninfarct_en_hersenbloeding/acute_behandeling_bij_hersenbloeding/acute_neurochirurgie_bij_hersenbloeding.html).
(…)
Beschouwing
Het postoperatieve beloop werd gecompliceerd door een intracerebrale bloeding. Mogelijk is dit daags voor de val al begonnen omdat er opeens meer verwardheid bestond alsook een plukkerig gedrag. Dit kan duiden op een delier maar bij lichte intracraniele drukverhoging zou dit ook kunnen. Tevens gaf de eega aan dat betrokkene daags voordien links ook niets aanpakte. Een dergelijk hematoom ten gevolge van een trauma is niet waarschijnlijk. Blijkens het epd waren geen aanwijzingen van uitwendig letsel, hetgeen bij een schedeltrauma dat aanleiding geeft voor een dergelijke bloeding verwacht mag worden. Op de CT zijn aanwijzingen van uitwendig letsel niet waarneembaar. (…). Cerebrale amyloïd angiopathie is de meest frequente oorzaak van een lobair hematoom, hetgeen betrokkene had.
(…)”
In de richtlijn “Preventie van valincidenten bij ouderen” van de Federatie Medisch Specialisten (hierna: Richtlijn Preventie Valincidenten) staat het volgende:
“(…)
Vrijheidsbeperkende maatregelen, zoals een positioneringsband of bedhekken, worden regelmatig toegepast in het ziekenhuis bij patiënten met een verhoogd valrisico die een verminderd ziekte-inzicht, verward en/of geagiteerd zijn. Eerdere studies laten zien dat het gebruik van vrijheidsbeperkende maatregelen teruggedrongen kan worden zonder dat het aantal valincidenten toeneemt (Enns, 2014; Sze, 2012). Bovendien kan het gebruik van vrijheidsbeperkende maatregelen negatieve effecten voor de patiënt hebben. Dit soort maatregelen worden dan ook niet aanbevolen om het aantal valincidenten in het ziekenhuis te verminderen. Wel kunnen eventueel alternatieve maatregelen bij deze doelgroep ingezet worden, zoals lage bedden, de patiënt dichter naar de zusterpost verplaatsen, een individueel rust-activiteitenprogramma, assistentie van de familie, regelmatig naar het toilet gaan, aanpassingen in de omgeving, enzovoort. Er is echter geen bewijs dat hiermee valincidenten voorkomen kunnen worden.
(…)”
In de richtlijn “Delier bij volwassenen en ouderen” van de Federatie Medisch Specialisten (hierna: Richtlijn Delier) staat het volgende:
“(…)
Medicamenteuze behandeling van het delier
Aanbeveling
(…)
Zet altijd eerst in op niet-medicamenteuze interventies (zie de module ‘Niet-medicamenteuze behandeling’).
Geef geen medicatie voor het delier, tenzij:
de patiënt een hoge lijdensdruk ervaart
de patiënt een gevaar is voor zichzelf of anderen;
de patiënt zijn behandeling in de weg staat;
het delier persisterend is.
(…)
Niet-medicamenteuze behandeling van het delier
(…)
Vermijd fixaties aangezien dit wordt gezien als een risicofactor voor een persisterend delier. Verwijder materialen die bijdragen tot het in stand houden van een delier (katheters, drains, infusen). Gebruik alternatieve interventies als ‘domotica’ en ‘rooming-in’.
(…)”
In het protocol valrisico van het HMC (hierna: Protocol Valpreventie) staat het volgende:
“(…)
In het geval van een verhoogd valrisico dienen zowel de algemene als de onderstaande aanvullende maatregelen te worden genomen. Dit moet zo snel mogelijk en in ieder geval binnen 48 uur zijn afgerond.
(…)
Algemene maatregelen
De algemene maatregelen dienen te worden nageleefd bij alle patiënten, zowel patiënten met een verhoogd valrisico als patiënten met een normaal risico.
Omgevingsfactoren
(…)
Bed in de laagste stand.
Bedhekken aan het voeteneind moeten beide omlaag.
(…)
Maatregelen bij patiënten met een verhoogd valrisico
Medisch en verpleegkundig:
(…)
Overweeg de patiënt zo dicht mogelijk bij de personeelsbalie te plaatsen.
Arts en verpleegkundige bepalen samen voor elke individuele patiënt welke maatregelen genomen dienen te worden. Onderling wordt ook besproken wie de patiënt en mantelzorger/contactpersoon informeert over de oorzaak/oorzaken van het verhoogde valrisico en de mogelijke interventies die daarvoor tijdens opname voor kunnen worden genomen. Indien mogelijk wordt dit besproken tijdens een multidisciplinair overleg.
(…)
Verpleegkundig:
Risicofactor: verwardheid, agitatie, cognitieve stoornis
(…)
Familie inschakelen om aanwezig te zijn, zo nodig rooming in.
Zorg dat hulpmiddelen (rollator, bril) binnen handbereik zijn.
Overweeg het bed tegen de muur te zetten.
Zet de bedhekken aan het voeteneinde altijd omlaag.
Overweeg gebruik laag-laagbed i.c.m. het gebruik van een valmatras (indien men hiervan gebruik maakt, (…).
Overweeg een bewegingssensor, cameratoezicht of andere vrijheidsbeperkende interventies. Zie protocol VBI voor het gebruik vrijheidsbeperkende maatregelen.
Bij een delier starten met het delierprotocol en onderliggende oorzaak behandelen.
(…).”
4 Het geschil
Na eiswijziging vordert [eiseres] dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
( I) voor recht verklaart dat het HMC op basis van artikel 7:453 BW, juncto artikel 7:462 BW, juncto artikel 6:74 BW, dan wel artikel 6:162 BW aansprakelijk is voor de door [eiseres] geleden en in de toekomst nog te lijden schade als gevolg van de toerekenbare tekortkoming in de nakoming van de geneeskundige behandelingsovereenkomst (dan wel onrechtmatige daad), eruit bestaande dat:
(a) er geen, dan wel onvoldoende preventiemaatregelen zijn getroffen die de val uit het ziekenhuisbed op 17 januari 2022 hadden kunnen voorkomen, dan wel de gevolgen van deze val voor [eiseres] veel minder ernstig hadden kunnen laten zijn;
(b) de gestelde diagnose CAA te laat door de behandelend artsen van het HMC gesteld is, als gevolg waarvan er een delay in de behandeling van de hersenbloeding bij [eiseres] is ontstaan; en
(c) er na het zich voordoen van een hersenbloeding bij [eiseres] geen adequate medische behandeling in het HMC heeft plaatsgevonden, als gevolg waarvan er een delay in de behandeling van de hersenbloeding is ontstaan.
( II) voor recht verklaart dat deze val uit het ziekenhuisbed (onder andere) een hersenbloeding in de linkerhersenhelft bij [eiseres] heeft veroorzaakt en verlammingsverschijnselen aan de linkerzijde van haar lichaam, en dat deze hersenbloeding en verlammingsverschijnselen in direct, dan wel indirect causaal verband staan tot de val uit bed;
( III) het HMC op basis van het voorgaande en Medirisk op grond van de directe actie uit artikel 7:954 BW te veroordelen (beiden hoofdelijk) om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiseres] te betalen de door haar geleden en in de toekomst nog te lijden materiële en immateriële schade als gevolg van de voormelde schendingen van de zorgplicht, nader op te maken bij staat met verwijzing hiervoor naar de schadestaatprocedure ex artikel 612 Rv, dan wel subsidiair de schade in de onderhavige procedure vast te stellen op een redelijk bedrag en betaling hiervan aan [eiseres] toe te wijzen, waarbij [eiseres] in de gelegenheid zal worden gesteld om de als gevolg van de overtreding van de zorgplicht geleden en in de toekomst nog te lijden schade nader in kaart te brengen en te onderbouwen;
( IV) het HMC en Medirisk in de proceskosten veroordeelt.
[eiseres] legt daaraan – samengevat – het volgende ten grondslag. Het HMC heeft haar zorgplicht geschonden. Het HMC heeft geen of onvoldoende maatregelen genomen om de val uit bed te voorkomen of de gevolgen ervan te beperken, terwijl er een verhoogd risico op valincidenten was. Daarom is het HMC aansprakelijk voor de gevolgen van de val uit bed. De hersenbloeding is veroorzaakt door de val. Dat blijkt onder meer uit het tijdstip waarop het klinisch beeld is veranderd en het feit dat een hematoom op haar linkerheup is aangetroffen op 20 januari 2022, wat niet duidt op een zachte landing.
Het HMC had in ieder geval na de operatie en na ontdekking van de hersenbloeding verder onderzoek moeten doen en met adequate behandeling de gevolgen van de hersenbloeding moeten voorkomen. Door dat na te laten is een vertraging (delay) in de behandeling ontstaan en heeft [eiseres] schade geleden.
Het HMC en Medirisk voeren verweer dat strekt tot afwijzing van de vorderingen van [eiseres], met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiseres] in de kosten van deze procedure, vermeerderd met de wettelijke rente.
Het HMC en Medirisk voeren – samengevat – het volgende aan. Het HMC heeft haar zorgplicht niet geschonden, want zij had geen andere preventieve maatregelen hoeven nemen. De meest waarschijnlijke oorzaak van de hersenbloeding is CAA. De (gevolgen van de) hersenbloeding had(den) niet voorkomen of verminderd kunnen worden door eerder onderzoek of een behandeling.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
5 De beoordeling
Vooraf
[echtgenoot], de echtgenoot van [eiseres], heeft in de processtukken en ter zitting benadrukt dat hij sterk de indruk heeft dat het HMC en Medirisk de val uit bed in de doofpot hebben willen stoppen. Dat sterkt hem in de overtuiging dat door die val schade is veroorzaakt waar het HMC niet mee geconfronteerd wil worden. Hij wijst erop dat HMC hem niet over de val uit bed heeft geïnformeerd, hem een incompleet dossier gaf en waarin dingen niet kloppen en achteraf lijken te zijn aangepast.
Het HMC heeft uitgelegd dat [echtgenoot] per abuis niet over de val is geïnformeerd, waarschijnlijk doordat deze tijdens de nachtdienst plaatsvond. Het HMC heeft hiervoor excuses aangeboden. Verder heeft het HMC ter zitting uitgelegd waarom het medisch dossier dat aan [echtgenoot] is toegezonden aanvankelijk niet compleet was en hoe het komt dat in de geprinte versie niet goed te zien is welke aantekening wanneer is gemaakt. Het HMC en Medirisk hebben verzekerd dat daarin achteraf geen wijzigingen zijn aangebracht en zij hebben [echtgenoot] voorgesteld om dit in een gesprek nader toe te lichten en hem dan het elektronisch patiëntendossier te laten zien.
De rechtbank heeft er begrip voor dat [echtgenoot] boos en wantrouwend is over het feit dat hij niet over de val uit bed is geïnformeerd en niet meteen de relevante stukken heeft gekregen. Maar deze procedure gaat daar niet over. Deze procedure gaat niet over de vraag of het HMC hem eerder of anders had informeren en/of jegens hem fouten heeft gemaakt, maar over de vraag of het HMC bij de behandeling van [eiseres] aan haar zorgplicht heeft voldaan. Dat wordt hieronder beoordeeld.
Valrisico en preventiemaatregelen
De rechtbank stelt vast dat in het medisch dossier van [eiseres] wel staat dat sprake was van een verhoogd valrisico maar niet wat naar aanleiding daarvan is gedaan om te voorkomen dat zij zou vallen. Uit de getuigenverhoren is ook niet duidelijk naar voren gekomen dat er vanwege het valrisico concrete maatregelen zijn getroffen. Dat op zich rechtvaardigt echter nog niet de conclusie dat onzorgvuldig is gehandeld. Daarbij is van belang dat uit de medische informatie die partijen hebben ingebracht niet naar voren komt dat maatregelen die de val met de meeste zekerheid hadden kunnen voorkomen en die de medisch adviseur van [eiseres] in zijn rapport noemt – kort gezegd fixeren en sederen – steeds moeten worden genomen en in dit geval ook aangewezen waren. Dat zijn immers ingrijpende en vrijheidsbenemende maatregelen die juist bij kwetsbare ouderen nadelige gevolgen kunnen hebben. Uit de stukken komt veeleer naar voren dat verschillende mogelijkheden in overweging moeten worden genomen om te voorkomen dat patiënten zoals [eiseres] die wel (deels) mobiel zijn, ten val komen.
In elk geval is het aangewezen om het bed in de lage stand te zetten, met de bedhekken aan het voeteneind omlaag. Volgens het HMC gebeurde dat standaard, en was dat ook zo bij [eiseres] in de nacht van 16 op 17 januari 2022. De arts [arts] heeft dat ook verklaard. De rechtbank ziet geen reden om daaraan te twijfelen. Daarbij volgt de rechtbank het betoog van het HMC dat het niet gebruikelijk is om dit soort maatregelen in het medisch dossier te noteren. Dat het niet is vastgelegd is dus niet genoeg om aan te nemen dat het bed niet in een lage stand stond. Dat de verpleegkundige die als getuige is gehoord het zich niet herinnert evenmin. Daarom oordeelt de rechtbank dat niet is komen vast te staan dat het bed van [eiseres] niet in de juiste stand was geplaatst.
[eiseres] voert aan dat het HMC verdere maatregelen had kunnen en moeten nemen die worden genoemd in de toepasselijke richtlijnen en protocollen, zoals het bed dicht bij de verpleegpost plaatsen, een extra laag bed, het bed tegen de muur plaatsen, een valmat, de bedhekken aan het hoofdeinde omhoog doen, vrijheidsbeperkende interventies, het eerder uitvoeren van DOS-screenings, assistentie van de familie, overleg met artsen, regelmatig naar het toilet gaan en aanpassingen in de omgeving.
In de richtlijnen en protocollen worden deze valpreventiemaatregelen inderdaad genoemd, maar niet voor een bepaalde situatie voorgeschreven. Het gaat eerder om aandachtspunten en handreikingen bij de behandeling en verpleging van de patiënt. Zo staat er een aantal keer dat een maatregel ‘overwogen kan worden’, maar niet dat – en in welke gevallen – deze genomen moet worden. Uit de richtlijnen komt ook naar voren dat wetenschappelijk bewijs voor de effectiviteit van deze maatregelen ontbreekt. Daarom betekent het enkele feit dat een zorgverlener een of meer in de richtlijnen en protocollen genoemde maatregelen niet neemt, nog niet dat hij daarmee zijn zorgplicht schendt. Het gaat er dan om dat bij behandeling en verpleging rekening wordt gehouden met het valrisico in die zin, dat het risico op vallen (bijvoorbeeld bij het (zelf) naar de WC gaan) wordt verkleind bij mensen die slecht ter been en/of verward zijn. Dat kan bijvoorbeeld door te zorgen dat de rollator bij de hand is, door een patiënt regelmatig (begeleid) te laten plassen, door een extra laag bed te gebruiken en/of een valmat te plaatsen. Het ligt in de rede dat hoe meer aanwijzingen er zijn dat iemand – met een risico op vallen – zelf uit bed zal willen komen, hoe meer aanleiding er zal zijn om te kiezen voor aanvullende maatregelen zoals een extra laag bed, een valmat of assistentie/aanwezigheid van familie. Dat het HMC in de situatie van [eiseres] dergelijke aanwijzingen had om bepaalde maatregelen te nemen is niet gebleken. Dat een (algemeen) verhoogd valrisico is vastgesteld en dat [eiseres] enigszins verward was is daarvoor niet genoeg. Dat klemt temeer voor ingrijpende en vrijheidsbeperkende maatregelen.
Tussenconclusie
Uit het voorgaande volgt dat niet is gebleken dat het bed van [eiseres] niet in de juiste stand stond. Bovendien heeft de rechtbank niet kunnen vaststellen dat het HMC specifieke andere valpreventiemaatregelen had moeten nemen. Dat [eiseres] uit bed is gevallen is heel verdrietig. Maar de rechtbank kan niet vaststellen dat dit het gevolg is van een fout van het HMC. Van een toerekenbare tekortkoming in de nakoming van de behandelingsovereenkomst of een onrechtmatige daad is geen sprake. Dit betekent dat de rechtbank de gevorderde verklaring voor recht, als bedoeld onder (a) van punt (I) van rov. 4.1, niet zal toewijzen.
Verband tussen val en hersenbloeding
Of de val de hersenbloeding heeft veroorzaakt kan gelet op het voorgaande strikt genomen in het midden blijven. Ten overvloede overweegt de rechtbank daarover nog dat niet kan worden vastgesteld dat de hersenbloeding het gevolg was van de val. Daarbij is van belang dat na de val geen letsel aan (de buitenkant van) het hoofd van [eiseres] is gezien, ook niet bij de CT-scan waarbij de bloeding in de hersenen is vastgesteld. Tijdens de zitting is toegelicht dat met een dergelijke scan ook bloeduitstortingen (blauwe plekken) in de huid worden gezien. Dat geen letsel is gezien aan het hoofd wijst er op dat zij niet bij haar val ergens hard tegenaan is gekomen met haar hoofd. De rechtbank volgt [eiseres] dan ook niet in haar betoog dat uit het feit dat zij een bloeduitstorting had op haar linker heup – en dus niet zacht is geland – volgt dat zij ook met de linkerkant van haar hoofd de grond heeft geraakt.
[eiseres] heeft verder gewezen op het feit dat er na de val (uitvals)verschijnselen optraden die wijzen op een hersenbloeding, en daarvoor niet. Er zijn in het dossier echter ook aanwijzingen dat ook voor de val [eiseres] minder kracht had in de linkerkant van haar lichaam en uitvalsverschijnselen had. Maar zelfs als die zich pas na de val voordeden, is dat niet genoeg om een oorzakelijk verband aan te nemen. Daarbij is van belang dat die uitvalsverschijnselen zich voordeden aan de linkerkant van het lichaam van [eiseres]. Die wijzen op problemen in rechter hersenhelft, en de hersenbloeding was in de linker hersenhelft. [eiseres] heeft aangevoerd dat bij een val een zogenoemd coup-contrecoup effect kan optreden waardoor bij een val op de linkerkant, juist schade rechts wordt veroorzaakt. Dat daarvan in haar geval sprake was is niet voldoende onderbouwd. Daarbij is van belang dat zoals hiervoor al overwogen, niet duidelijk is dat [eiseres] met haar hoofd ergens tegenaan is gekomen. Er waren geen aanwijzingen voor uitwendig letsel, terwijl dat bij een schedeltrauma dat aanleiding geeft voor een dergelijke bloeding volgens [medisch adviseur 2] verwacht mag worden. Dat laatste is onvoldoende weersproken.
Omdat niet kan worden vastgesteld dat het HMC aansprakelijk is voor het ontstaan van de hersenbloeding en de gevolgen daarvan, wordt ook de vordering onder II van rov. 4.1 afgewezen.
Delay in behandeling
CAA (cerebrale amyloïd angiopathie) is een aandoening waarbij er microscopische scheurtjes in de bloedvaten van de hersenen ontstaan, die kunnen gaan lekken met een hersenbloeding als gevolg. Volgens het HMC is CAA bij ouderen de meest frequente oorzaak voor een hersenbloeding. Dat heeft [eiseres] niet weersproken.
Het HMC heeft zich op het standpunt gesteld dat de hersenbloeding van [eiseres] is veroorzaakt door CAA, mogelijk al voor de val, aangezien zij toen al verschijnselen vertoonde die daarop zouden kunnen wijzen. Het HMC wijst in dit verband ook op het advies van [medisch adviseur 2]. Hij acht het aannemelijk dat er sprake was van CAA, vanwege het klinisch beeld en omdat er bij [eiseres] geen sprake was van uitwendig letsel.
Volgens [eiseres] zou dat betekenen dat het HMC nalatig is geweest door niet eerder onderzoek te doen. Zij meent dat het HMC op de dag voor de val niet de diagnose delier had moeten stellen, maar een CT-scan of MRI-scan had moeten maken. In dat geval zou de hersenbloeding eerder zijn ontdekt. En omdat er op dat moment nog drukverlaging had kunnen worden toegepast, zou de schade aan het brein van [eiseres] dan beperkter zijn geweest. Het HMC betwist dat de behandelend artsen eerder hadden kunnen en moeten vaststellen dat sprake was van CAA en ook dat de behandeling van [eiseres] bij eerdere ontdekking van de hersenbloeding anders zou zijn geweest. Ook dan was niet gekozen voor drukverlaging maar voor een afwachtend beleid.
[eiseres] heeft geen medische onderbouwing gegeven van haar standpunt dat bij eerdere ontdekking van de hersenbloeding een andere behandeling – zoals drukverlaging – zou zijn ingezet. Ter zitting is met haar adviseur [medisch adviseur 1] en een haar bekende huisarts gesproken over de eventuele behandelopties en uit hun toelichting kwam naar voren dat drukverlaging in de linkerhersenhelft de enige manier is waarop de hersenbloeding had kunnen worden behandeld. Maar ook werd duidelijk dat dit riskant is en dat niet zonder meer kan worden gezegd dat bij [eiseres] drukverlaging had moeten worden toegepast. [medisch adviseur 2] is hierover wel uitgesproken. Volgens hem was drukverlaging geen optie. Ten eerste wijst hij erop dat [eiseres] een patiënt op leeftijd is. Bovendien wijst hij erop dat drukverlaging bij een niet traumatische bloeding nooit bewezen effectief is. Verder verwijst hij naar de richtlijn herseninfarct en hersenbloeding, waarin volgens hem terughoudendheid wordt aangeraden. Kortom, het staat niet vast dat de behandelend artsen voor drukverlaging zouden kiezen, als zij de CAA en de hersenbloeding al voor de val uit bed hadden ontdekt. Dit betekent dat niet vaststaat dat er een delay in de behandeling van de hersenbloeding is ontstaan.
De rechtbank zal daarom de gevorderde verklaring voor recht, als bedoeld onder (b) van punt (I) van rov. 4.1, afwijzen.
[eiseres] heeft ook aangevoerd dat na de ontdekking van de hersenbloeding op
17 januari 2022 ten onrechte geen MRI-scan is gemaakt en geen behandelplan is opgesteld. Het gevolg hiervan zou zijn dat pas op 10 februari 2022 in het ziekenhuis in Dubai een adequate behandeling kon plaatsvinden. Daarom is HMC aansprakelijk voor de delay in de behandeling van [eiseres] gedurende de periode van 17 januari tot 10 februari 2022, aldus [eiseres]. Volgens het HMC waren er geen behandelopties en was de keuze om een afwachtend beleid te voeren de juiste. Dit zou ook blijken uit het advies van [medisch adviseur 2].
[eiseres] baseert haar verwijt in dit verband met name op het feit dat in [plaats 2] niet is gezegd dat er – kort gezegd – niets meer kon worden gedaan, en zij daar meer dan een half jaar intensief in het ziekenhuis is behandeld. Daarbij zouden de artsen ook duidelijk gemaakt hebben dat het beter was geweest als direct een behandeling was ingezet. Dat volgt echter niet uit de medische stukken. Uit de stukken van het ziekenhuis in [plaats 2] wordt ook niet duidelijk welke behandeling [eiseres] heeft gekregen en tot welke resultaten dat heeft geleid. [eiseres] heeft haar stellingen in dit verband niet voldoende onderbouwd.
Het staat dus niet vast dat het HMC voor een andere behandeling had kunnen en moeten opteren, als er gelijk na ontdekking van de hersenbloeding verder onderzoek was gedaan (met MRI) en/of een behandeling was ingezet. Het staat daarom ook niet vast dat er een delay in de behandeling van de hersenbloeding is ontstaan.
De rechtbank zal daarom de gevorderde verklaring voor recht, als bedoeld onder (c) van punt (I) van rov. 4.1, afwijzen. Datzelfde geldt voor de vordering onder III van rov. 4.1.
Conclusie en proceskosten
De rechtbank zal de vorderingen van [eiseres] afwijzen.
[eiseres] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van HMC c.s. worden begroot op:
| - griffierecht | € | 735 | |
| - salaris advocaat | € | 1.306 | (2 punten × € 653) |
| - nakosten | € | 189 | (plus de evt. verhoging zoals vermeld in de beslissing) |
| Totaal | € | 2.230 |
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals uitgewerkt in de beslissing.
6 De beslissing
De rechtbank
wijst de vorderingen van [eiseres] af,
veroordeelt [eiseres] in de proceskosten van € 2.230, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98 plus de kosten van betekening als [eiseres] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
veroordeelt [eiseres] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
verklaart dit vonnis wat betreft de onder 6.2 en 6.3 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. P. Dondorp, mr. P.M. de Keuning en mr. J. van der Lee en in het openbaar uitgesproken op 14 oktober 2026.
Wetsartikelen in deze uitspraak
- Artikel 7:453 BW meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 7:462 BW meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 6:74 BW meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 6:162 BW meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 7:954 BW meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 612 Rv meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 6:119 BW meer uitspraken over dit artikel
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.