Uitspraak · Personen- en familierecht
Rechtbank Den Haag, 14 september 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:30299Zaaknummer C/09/710523 / KG ZA 26-878
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum uitspraak
- 14 september 2026
- Publicatiedatum
- 15 oktober 2026
- Zaaknummer
- C/09/710523 / KG ZA 26-878
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Personen- en familierecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig, Kort geding
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Vonnis. Toevertrouwing. Wijziging voorlopige zorgregeling. Beschuldigingen seksueel misbruik.
5 De beslissing
De voorzieningenrechter:
in conventie en in reconventie
bepaalt dat de minderjarige: [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2022 te [geboorteplaats], voorlopig aan de vrouw zal worden toevertrouwd;
bepaalt dat [minderjarige] voorlopig bij de man zal zijn:
- wekelijks op woensdagmiddag uit school tot na het avondeten;
- wekelijks op zaterdag of zondag van 10.00 uur tot na het avondeten, waarbij de ouders in onderling overleg afstemmen welke dag dit zal zijn, bij gebreke waarvan het de zondag zal zijn;
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.J. Hoekstra – van Vliet en in het openbaar uitgesproken op 14 september 2026.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
Rechtbank den haag
Team handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/710523 / KG ZA 26-878
Vonnis in kort geding van 14 september 2026
in de zaak van
[de vrouw] te [woonplaats],
eiseres in conventie,
gedaagde in reconventie,
advocaat mr. H. Devkinandan te Zoetermeer,
tegen:
[de man] te [woonplaats],
gedaagde in conventie,
eiser in reconventie,
advocaat mr. M.Y.M. Renken te Zoeterwoude.
Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘de vrouw’ en ‘de man’.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties;
- de door de man overgelegde conclusie van antwoord, tevens houdende een eis in reconventie, met producties.
Op 8 september 2026 zijn door zowel de vrouw als de man aanvullende producties ingediend. Zoals reeds op de zitting met partijen is besproken, zal de voorzieningenrechter deze stukken buiten beschouwing laten, nu zij kennisname daarvan – gelet op de te late indiening en de omvang ervan– in strijd acht met de goede procesorde.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 8 september 2026, waarbij zijn verschenen de vrouw, bijgestaan door haar advocaat, de man, bijgestaan door zijn advocaat en [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad). Tijdens de zitting is vonnis bepaald op heden.
2 De feiten
Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad tot december 2024 en hebben met elkaar samengewoond.
Zij zijn de ouders van de minderjarige: [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2022 te [geboorteplaats]. Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige].
Partijen zijn in onderling overleg – met begeleiding van advocaten – in december 2025 een co-ouderschapsregeling voor [minderjarige] overeengekomen. Ook zijn partijen overeengekomen dat het paspoort van [minderjarige] bij de buurvrouw in bewaring ligt en enkel wordt afgegeven aan één van de ouders als beide ouders daarvoor toestemming geven.
De vrouw heeft in januari 2026 een melding bij het consultatiebureau gedaan van een vermoeden van seksueel misbruik. Daarin werd toen geen aanleiding gezien voor een Veilig-Thuis melding. Nadien heeft de vrouw zelf een melding gedaan bij de politie, ook van stalking door de man.
De politie heeft vervolgens Veilig Thuis ingeschakeld. Veilig Thuis heeft een onderzoek verricht. Veilig Thuis heeft met beide ouders gesproken. Daarnaast is op 6 juli 2026 door gespecialiseerde gedragsdeskundigen van Veilig Thuis een kindgesprek met [minderjarige] afgenomen. Uit het verslag van het kindgesprek volgt – samengevat – dat er geen directe signalen van huiselijk geweld en/of kindermishandeling naar voren zijn gekomen en dat [minderjarige] zich gezond en passend bij haar leeftijd ontwikkelt. Geadviseerd is dat ouders een PSO-traject ingaan.
De vrouw heeft de zorgregeling tussen [minderjarige] en de man eind juli 2026 eenzijdig stopgezet. Sindsdien hebben de man en [minderjarige] enkel videobelcontact.
De politie heeft de aangifte van de vrouw van mogelijk seksueel misbruik van [minderjarige] door de man inmiddels voorgelegd aan het Openbaar Ministerie. Daar is nog geen beslissing op genomen.
De man heeft op 12 augustus 2026 aangifte gedaan tegen de vrouw wegens het onttrekken van [minderjarige] aan het ouderlijk gezag en op 3 september 2026 van smaad en laster.
De vrouw heeft [minderjarige] tot aan de zitting in dit kort geding thuisgehouden van school.
3 Het geschil
in conventie
De vrouw vordert – zakelijk weergegeven – om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
- te bepalen dat [minderjarige] haar hoofdverblijfplaats bij de vrouw zal hebben;
- te bepalen dat de zorgregeling wordt geschorst tussen [minderjarige] en de man in afwachting van de bodemprocedure en een onderzoek van de Raad voor de Kinderbescherming;
- te bepalen dat de schorsing geldt op straffe van een dwangsom van € 25.000,- alsmede een dwangsom van € 500,- voor iedere dag dat de man zich niet houdt aan het vonnis van de rechtbank, zulks tot een maximum van € 50.000,- is bereikt;
- te bepalen dat de vrouw vervangende toestemming wordt verleend [minderjarige] te laten
behandelen door [coachingpraktijk] en een kinderpsycholoog;
- te bepalen dat de man het paspoort van [minderjarige] zal overhandigen aan de vrouw binnen twee dagen na het door de rechtbank af te geven vonnis;
- te bepalen dat de afgifte van het paspoort geldt op straffe van een dwangsom van € 25.000,- alsmede een dwangsom van € 500,- voor iedere dag dat de man zich niet houdt aan het vonnis van de rechtbank, zulks tot een maximum van € 50.000,- is bereikt;
- de man te veroordelen in de algehele, werkelijke kosten van deze procedure, alsook de nakosten.
Ten aanzien van de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] en de zorgregeling met de man voert de vrouw – samengevat – het volgende aan. De vrouw heeft grote vermoedens van grensoverschrijdend gedrag dan wel seksueel misbruik vanuit de man richting [minderjarige]. [minderjarige]’s gezonde ontwikkeling wordt belemmerd, omdat zij zich bij de man in een onveilige situatie bevindt. De vrouw heeft de volgende concrete zorgen. [minderjarige] moet bij de man in bed slapen en mag de badkamerdeur niet sluiten van hem. Na verblijf bij de man had [minderjarige] last van diverse vaginale klachten en vertoonde zij psychologisch zorgwekkende symptomen en vermoeidheid. Daarnaast vindt de vrouw het zorgwekkend dat [minderjarige] met de geslachtsdelen van een mannelijke pop speelt, en dat de man in een videobelgesprek aan [minderjarige] heeft gevraagd om haar billen te laten zien. De vrouw wenst dat er een raadsonderzoek wordt uitgevoerd om te onderzoeken in hoeverre een zorgregeling met de man in het belang van [minderjarige] is. In de tussentijd dient de zorgregeling te worden geschorst, omdat de veiligheid van [minderjarige] bij de man niet kan worden gegarandeerd.
Met betrekking tot een behandeling bij een kinderpsycholoog of [coachingpraktijk] stelt de vrouw – samengevat – dat zij dit van groot belang acht, omdat zij ervan overtuigd is dat [minderjarige], indien de vermoedens van de vrouw juist blijken te zijn, als gevolg hiervan een trauma heeft of zal ontwikkelen.
Ten aanzien van de afgifte van het paspoort van [minderjarige] voert de vrouw aan dat zij dat nodig heeft om [minderjarige] te identificeren voor de behandeling bij een kinderpsycholoog of een kindercoach.
De man voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.
in reconventie
De man vordert – zakelijk weergegeven – om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
- vast te stellen dat er tussen partijen een co-ouderschapsregeling en een vakantie- en feestdagenregeling geldt zoals door de man omschreven, op straffe van een dwangsom van € 1.000,- per dag dat de vrouw aan dit deel van het vonnis geen gehoor geeft;
- te bepalen dat de geldende zorgregeling met onmiddellijke ingang dient te worden gecontinueerd, doordat de vrouw [minderjarige] de dag na de mondelinge behandeling naar
school brengt en de man [minderjarige] diezelfde dag van school haalt, op straffe van een dwangsom van € 1.000,- per dag dat de vrouw aan dit deel van het vonnis geen gehoor geeft;
- te bepalen dat [minderjarige] voorlopig haar hoofdverblijfplaats (inschrijfadres) bij de man heeft en aan hem wordt toevertrouwd per de datum van het te geven vonnis en te bepalen dat de vrouw zo nodig haar medewerking geeft aan de handelingen die hiervoor nodig zijn, op straffe van een dwangsom van € 1.000,- per dag dat de vrouw aan dit deel van het vonnis geen gehoor geeft;
- te bepalen dat de man de voorwaardelijke machtiging krijgt om de zorgregeling op te schorten en [minderjarige] bij zich te houden, zodra de vrouw opnieuw meldingen doet van (seksueel) misbruik bij derden en instanties, en om in dat geval de vrouw te verbieden om [minderjarige] vervolgens op te halen, op straffe van een dwangsom van
€ 1.000,- per dag dat de vrouw aan dit deel van het vonnis geen gehoor geeft;
- te bepalen dat het paspoort van [minderjarige] voorlopig in het beheer van de man dient te zijn en dat de kennis bij wie het paspoort thans ligt het paspoort op eerste verzoek van de man aan hem dient af te geven;
- de vrouw te veroordelen in de reële proceskosten, door de man begroot op
€ 15.000,- althans de vrouw te veroordelen in de proceskosten, welke kosten door de rechtbank worden begroot, en te bepalen dat de vrouw de kosten binnen 14 dagen na de betekening van onderhavig vonnis aan de man dient te voldoen.
Ten aanzien van de toevertrouwing van [minderjarige] en de zorgregeling voert de man – samengevat – het volgende aan. De man betwist de door de vrouw geuite beschuldigingen van seksueel grensoverschrijdend gedrag dan wel seksueel misbruik nadrukkelijk. Deze beschuldigingen zijn niet onderbouwd met verifieerbare objectieve gegevens. De door de man overgelegde verklaringen van derden, het medisch dossier bij de huisarts en het verslag van Veilig Thuis wijzen er allemaal op dat er geen sprake is van seksueel misbruik. De betrokken instanties, de huisarts en de school van [minderjarige] hebben geen zorgen met betrekking tot de man en hebben geen aanleiding gezien om (verdere) actie te ondernemen. De man maakt zich wel zorgen over het welzijn van [minderjarige] als zij bij de vrouw is. Uit de informatie die de man voorhanden heeft blijkt juist dat er zorgen zijn over het gedrag van de vrouw, verband houdende met haar extreme drang om controle en dwang uit te oefenen over de verzorging van [minderjarige]. De man en [minderjarige] hebben er belang bij dat de zorgregeling onmiddellijk wordt hervat. Daarnaast acht de man het in het belang van [minderjarige] om haar aan hem toe te vertrouwen. Momenteel verneemt de man vaak achteraf belangrijke informatie ten aanzien van [minderjarige], terwijl zowel [minderjarige] als de man er belang bij hebben dat instanties zich direct bij de man melden. Daarnaast vreest de man dat de vrouw met [minderjarige] naar het buitenland vertrekt en indien [minderjarige] aan de man wordt toevertrouwd verkrijgt hij meer juridische zekerheid in het geval van een eventuele internationale kinderontvoering. Om valse meldingen van seksueel misbruik te voorkomen dient de man de machtiging te krijgen om de zorgregeling tussen [minderjarige] en de vrouw op te schorten als de vrouw deze meldingen opnieuw doet bij instanties en derden. Voor zowel de zorgregeling als de toevertrouwing acht de man een dwangsom noodzakelijk, nu de vrouw de afgelopen periode heeft aangetoond dat zij niet meewerkt.
Met betrekking tot de afgifte van het paspoort stelt de man dat het voor de hand ligt dat het paspoort bij hem verblijft, gelet op bovengenoemde feiten en omstandigheden, waaronder de vrees van de man dat de vrouw met [minderjarige] naar het buitenland vertrekt.
Tot slot voert de man ten aanzien van de proceskosten – samengevat – het volgende aan. De vrouw maakt zich met deze zaak schuldig aan smaad en laster, waarmee zij ook [minderjarige] beschadigt. Er dient een signaal te worden afgegeven aan de vrouw dat zij te ver gaat.
De vrouw voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.
4 De beoordeling van het geschil
in conventie en in reconventie
Gezien de samenhang tussen de vorderingen over en weer zullen deze hierna gezamenlijk worden besproken.
Toevertrouwing en zorgregeling
Zoals ter zitting al is besproken, is het in kort geding niet mogelijk om de hoofdverblijfplaats vast te stellen; dat is aan de bodemrechter. De voorzieningenrechter zal de vorderingen van de man en de vrouw die strekken tot bepaling van de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] daarom aanmerken als een vordering tot (voorlopige) toevertrouwing van [minderjarige].
Vast staat dat er bij de vrouw zorgen bestaan over mogelijk seksueel misbruik van [minderjarige]. Zij heeft voorbeelden in de dagvaarding opgenomen die die zorgen volgens haar onderbouwen. De man heeft op zijn beurt grote zorgen geuit over de opvoedsituatie van [minderjarige] bij de vrouw. Volgens hem zijn de verdenkingen jegens hem uit de lucht gegrepen en heeft het staken van de omgang een zeer negatief effect op [minderjarige]. Daarbij komt dat de vrouw in het algemeen overbezorgd is, wat evenmin goed is voor [minderjarige], aldus de man.
De voorzieningenrechter stelt vast dat er wederzijds zorgen zijn over (het welzijn en de gezondheid van) [minderjarige]. Hoewel de vrouw stelt dat deze zorgen aanleiding geven voor een vermoeden van seksueel misbruik, zouden deze zorgen naar het oordeel van de voorzieningenrechter ook een andere verklaring kunnen hebben. De zorgen die door de vrouw zijn geuit leiden immers niet zonder meer tot de conclusie van seksueel misbruik door de man. Zoals de huisarts ook heeft aangegeven kunnen de fysieke klachten van [minderjarige], zoals genitale irritatie en urineweginfecties ook een andere oorzaak hebben. Datzelfde geldt voor de incidentele oververmoeidheid. Dat [minderjarige] na de scheiding bij de man in bed heeft geslapen is weliswaar juist, maar de man heeft daarvoor desgevraagd een verklaring gegeven. Volgens hem is [minderjarige] een moeilijke slaper (wat de vrouw overigens niet gemotiveerd heeft betwist) die – mede door de verhuizing en daarmee samenhangende spanning – liever niet alleen wilde slapen. Hij heeft verder betwist dat hij [minderjarige] onzedelijk heeft benaderd of anderszins seksueel misbruik van haar heeft gemaakt en hij vreest dat de vrouw, vanuit een in haar jeugd opgelopen trauma, haar eigen angsten projecteert op [minderjarige]. In dat kader heeft hij er nog op gewezen dat de huisarts van [minderjarige] contact heeft opgenomen met het Centrum Seksueel Geweld (CSG) voor advies en dat ook van daaruit is aangegeven dat er op basis van de voorgelegde situatie geen verontrustende signalen zijn waargenomen. Het CSG achtte het alleen bijzonder dat [minderjarige] nog bij de man in bed sliep.
De stellingen van partijen staan in deze zaak dus diametraal tegenover elkaar. Het is voor de voorzieningenrechter in deze procedure niet goed mogelijk om feitelijk vast te stellen wat er precies aan de hand is.
De vrouw wil dat de zorgregeling geheel wordt geschorst in afwachting van een raadsonderzoek. Daarbij zou volgens haar moeten worden onderzocht of haar zorgen over [minderjarige] hun grond vinden in seksueel misbruik, zoals zij vreest. Zoals ter zitting ook door de raad is bevestigd, is een raadsonderzoek echter niet het geëigende instrument om vermeend seksueel misbruik te onderzoeken dan wel vast te stellen. Bovendien heeft Veilig Thuis reeds onderzoek verricht naar het vermeende seksueel misbruik. In dat eerste onderzoek, dat dateert van juli 2026, is er een veiligheidsonderzoek gedaan en zijn er geen aanwijzingen voor seksueel misbruik gevonden. De vrouw heeft in dat kader naar voren gebracht dat nadien haar zorgen nog zijn toegenomen. Zij heeft volgens haar inmiddels ook andere gedragssignalen – zoals plasongelukjes – bij [minderjarige] gezien en afwijkend gedrag, waaronder vreemde spelletjes en zij heeft grote spanning geconstateerd rond de videobelcontacten met de man. Dat noopt tot verder onderzoek, zo meent de vrouw, en tot die tijd kan volgens haar geen fysieke omgang plaatsvinden.
Het verzoek van de vrouw om een raadsonderzoek zal worden afgewezen. Duidelijk is geworden dat er inmiddels al een tweede onderzoek loopt van Veilig Thuis. Daarbij zal overigens volgens de man met name worden gefocust op de ex-partnerproblematiek. De voorzieningenrechter gaat ervan uit dat beide partijen ook bij dat onderzoek zullen worden gehoord en hun zorgen over [minderjarige] en elkaar kenbaar kunnen maken. Indien Veilig Thuis daartoe aanleiding ziet, zal zij naar aanleiding van haar bevindingen zeker verdere stappen ondernemen en zo nodig de raad kunnen vragen een raadsonderzoek te starten. Daarom ziet de voorzieningenrechter op dit moment geen aanleiding om al een raadsonderzoek te gelasten.
Naast het Veilig Thuis onderzoek zal het Openbaar Ministerie nog moeten beoordelen of de aangifte van de vrouw wegens seksueel misbruik al dan niet tot vervolging van de man gaat leiden. Dat geeft de komende tijd dus nog veel onzekerheid en spanning bij beide partijen, hetgeen onvermijdelijk zijn weerslag zal hebben op [minderjarige]. De vraag is dan ook wat er de komende periode moet gebeuren: kan de co-ouderschapsregeling direct weer worden hervat, zoals de man wil, moet de zorgregeling voorlopig geheel worden geschorst, zoals de vrouw wenst, of is een andere tijdelijke maatregel meer passend.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat zij het in het belang van [minderjarige] acht dat het contact tussen haar en de man zo spoedig mogelijk wordt hervat. Gelet op de conclusie van het eerste onderzoek van Veilig Thuis en de beoordeling van de situatie door het CSG, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om het contact met de man onder begeleiding te laten plaatsvinden. Daarvoor is er te weinig evidentie dat [minderjarige]’s veiligheid in het geding is. Wel is duidelijk geworden dat de vrouw het momenteel emotioneel niet aankan als [minderjarige] bij de man overnacht. De zorgen van de vrouw zien immers met name op het overnachten (bij de man in bed). Dit veroorzaakt bij haar veel spanning, die zijn weerslag heeft op [minderjarige]. De Raad heeft ter zitting benadrukt dat het voor onbelast contact van de man met [minderjarige] noodzakelijk is dat de vrouw [minderjarige] emotionele toestemming geeft voor het contact met de man. De voorzieningenrechter is daarom van oordeel dat in het belang van de rust en stabiliteit van [minderjarige] overnachtingen bij de man voorlopig achterwege dienen te blijven, totdat partijen in onderling overleg (al dan niet met hulpverlening) meer of anders overeen komen of totdat in een bodemprocedure anders wordt beslist. Daarbij zal vanzelfsprekend de uitkomst van het huidige Veilig Thuis onderzoek een rol van betekenis spelen, evenals de komende beslissing van het Openbaar Ministerie. Hoewel de voorzieningenrechter begrijpt dat deze tijdelijke vermindering van de kwantiteit van het contact voor de man teleurstellend is, acht zij het van groter belang dat het contact kwalitatief goed en onbelast kan plaatsvinden. In dat kader zal de voorzieningenrechter bepalen dat [minderjarige] voorlopig wekelijks op woensdagmiddag uit school tot na het avondeten bij de man zal zijn, en wekelijks op zaterdag dan wel zondag van 10.00 uur tot na het avondeten. De ouders dienen in onderling overleg af te stemmen welke weekenddag dit zal zijn. Indien zij daar niet uitkomen zal de zondag de zorgdag van de man zijn. De voorzieningenrechter zal geen vakantieregeling vaststellen, nu deze kort gedingprocedure zich daar niet voor leent. Zo nodig zal dat in een bodemprocedure aan de orde moeten komen. De voorzieningenrechter tekent nog aan dat zij ervan uitgaat dat partijen dit vonnis zullen nakomen. Het meer of anders gevorderde ten aanzien van de (voorlopige) zorgregeling zal daarom worden afgewezen.
Nu [minderjarige] voorlopig meer bij de vrouw dan bij de man zal verblijven, acht de voorzieningenrechter het in het belang van [minderjarige] om haar voorlopig aan de vrouw toe te vertrouwen. De voorzieningenrechter benadrukt evenwel dat de ouders nog altijd gezamenlijk het gezag uitoefenen, hetgeen meebrengt dat zij beiden evenveel recht hebben op informatie van derden en dat zij belangrijke beslissingen betreffende [minderjarige] gezamenlijk dienen te nemen. De voorzieningenrechter zal de vordering van de vrouw ten aanzien van de toevertrouwing toewijzen, onder afwijzing van de vordering van de man.
De voorzieningenrechter tekent tot slot nog aan dat zij er van uit gaat dat [minderjarige], zoals ter zitting is besproken, inmiddels weer regulier naar school gaat en zal blijven gaan.
Dwangsom
Nu de voorzieningenrechter in dit vonnis een nieuwe (voorlopige) zorgregeling zal vaststellen, ziet zij vooralsnog geen aanleiding om hieraan een dwangsom te verbinden. De voorzieningenrechter zal de over en weer gedane vorderingen op dat punt afwijzen. Dit laat onverlet dat het uitgangspunt is dat deze zorgregeling vanaf heden in het belang van [minderjarige] correct moet worden nagekomen.
Vervangende toestemming behandeling kinderpsycholoog en [coachingpraktijk]
Zoals ter zitting al is besproken, zal de voorzieningenrechter de vordering van de vrouw om aan haar vervangende toestemming te verlenen om [minderjarige] te laten behandelen door [coachingpraktijk] en/of een kinderpsycholoog, afwijzen. Vast staat dat er, in verband met de complexe scheiding van partijen, hulpverlening voor [minderjarige] nodig is. De voorzieningenrechter acht het echter te voorbarig om [minderjarige] aan te melden voor traumatherapie, nu er bij haar (nog) geen trauma is vastgesteld. Het traject ‘Stoere Schildpadden’ via het Kenniscentrum Kind en Scheiding wordt wel passend geacht om [minderjarige] te begeleiden, hetgeen bevestigd is door de Raad. De voorzieningenrechter gaat ervan uit dat partijen [minderjarige] voor dit traject zullen aanmelden.
Afgifte paspoort
De voorzieningenrechter zal de over en weer gedane vorderingen tot (tijdelijke) afgifte van het paspoort afwijzen. Niet gebleken is dat de huidige situatie, waarbij het paspoort bij de buurvrouw verblijft en beide ouders toestemming moeten geven tot (tijdelijke) afgifte van het paspoort, tot problemen leidt. Gegeven de huidige enorme strijd tussen partijen acht de voorzieningenrechter het voorlopig niet wenselijk om het paspoort aan één der partijen af te geven.
Proceskosten
In de omstandigheid dat partijen een affectieve relatie met elkaar hebben gehad en samen de ouders zijn van [minderjarige], wordt aanleiding gevonden om te bepalen dat iedere partij de eigen proceskosten betaalt.
5 De beslissing
De voorzieningenrechter:
in conventie en in reconventie
bepaalt dat de minderjarige: [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2022 te [geboorteplaats], voorlopig aan de vrouw zal worden toevertrouwd;
bepaalt dat [minderjarige] voorlopig bij de man zal zijn:
- wekelijks op woensdagmiddag uit school tot na het avondeten;
- wekelijks op zaterdag of zondag van 10.00 uur tot na het avondeten, waarbij de ouders in onderling overleg afstemmen welke dag dit zal zijn, bij gebreke waarvan het de zondag zal zijn;
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.J. Hoekstra – van Vliet en in het openbaar uitgesproken op 14 september 2026.
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.