Uitspraak · Bestuursrecht
Rechtbank Den Haag, 12 juni 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:30224Zaaknummer SGR 25/4161
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum uitspraak
- 12 juni 2026
- Publicatiedatum
- 19 oktober 2026
- Zaaknummer
- SGR 25/4161
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Beroep van eiser tegen het besluit van verweerder waarbij eiser is gecompenseerd voor de vertraging die hij heeft opgelopen tijdens zijn initiële opleiding tot vlieger. Met het bestreden besluit op bezwaar heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd en gesteld dat de aan eiser toegekende compensatie, op basis van de juiste periode van vertraging en in overeenstemming met de Nota (Regeling compensatie in verband met vertraging tijdens opleidingen luchtvarenden van 11 februari 2016) is berekend. Inkomstenregeling Militairen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder de Nota op consistente en juiste wijze toegepast. Dit heeft verweerder toereikend gemotiveerd in zijn besluitvorming. Dat de Nota dan wel de toepassing daarvan in het geval van eiser heeft geleid tot onevenredige gevolgen in verhouding tot het met het beleid gediende doel, heeft eiser niet onderbouwd en kan daarom niet afdoen aan het standpunt van verweerder. Er is evenmin strijd met het gelijkheids- of het motiveringsbeginsel. Het beroep is ongegrond.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Smeets, rechter, in aanwezigheid van mr.J.R. van Veen, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 12 juni 2026.
| griffier | rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/4161
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 juni 2026 in de zaak tussen
[eiser], uit [woonplaats], eiser
(gemachtigde: mr. F. Bree),
en
de staatssecretaris van Defensie, verweerder
(gemachtigde: mr. J.H.L. Damen).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het besluit van verweerder waarbij eiser is gecompenseerd voor de vertraging die hij heeft opgelopen tijdens zijn initiële opleiding tot vlieger.
Verweerder heeft eiser met het primaire besluit van 16 mei 2024 gecompenseerd voor de vertraging die hij heeft opgelopen tijdens zijn initiële opleiding tot vlieger. Verweerder is met het bestreden besluit van 18 maart 2025 op het bezwaar van eiser bij dat besluit gebleven.
Verweerder heeft op het beroep van eiser gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op de zitting van 2 april 2026 behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: mr. P.A.M. Staal, een kantoorgenoot van eisers gemachtigde en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser heeft tijdens zijn initiële opleiding tot vlieger buiten zijn schuld vertraging opgelopen. Hiervoor is eiser in overeenstemming met de Nota[_49321e79-bf3e-47b4-9d7b-ca566df5e77e] gecompenseerd. Eiser en verweerder verschillen van mening over de vraag of eiser in aanmerking komt voor een volledige schadevergoeding.
Wat heeft verweerder besloten?
3. Met het besluit van 2 februari 2019 (het aanstellingsbesluit) is eiser met ingang van 18 februari 2019 als militair ambtenaar aangesteld bij het beroepspersoneel van de krijgsmacht.[_790a1c89-5e4f-4c16-b3d5-fc80ae383794] In dit besluit staat dat eiser is ingedeeld bij de Koninklijke Luchtmacht met bestemming officier vlieger. In dit besluit staat ook dat op eiser de verplichting rust om gedurende zijn opleiding en daaraan aansluitend een periode van tien jaar deel uit te maken van het beroepspersoneel.[_e45cf758-48fe-4622-b270-4ae47e57e2bb]Tegen dit besluit heeft eiser geen rechtsmiddel ingesteld, waardoor dit besluit in rechte vaststaat.
Verweerder heeft met het primaire besluit vastgesteld dat eiser buiten zijn schuld vertraging[_ca129d84-620c-4a73-8233-f81fab042524] heeft opgelopen tijdens zijn initiële opleiding. Eiser is daarom overeenkomstig de Nota gecompenseerd. Verweerder heeft de opbouw van het puntenaantal van de vliegtoelage aangepast, waardoor eiser met ingang van 14 maart 2024 aanspraak heeft op een vliegtoelage die is gebaseerd op een waarderingsfactor van 30 punten, eisers klikmaand[_fcb4ba22-0359-4054-a717-f8e92c621d23] wordt gewijzigd in oktober. Tevens krijg eiser voor de kwalificatie PIT 5 punten toegekend, waardoor het totaal op 35 punten komt.
Op 4 juli 2024 heeft eiser een besluit ontvangen, waaruit volgt dat de einddatum van fase één is vastgesteld op 13 maart 2034. Hiermee is uitvoering gegeven aan het aanstellingsbesluit.
Met het bestreden besluit op bezwaar heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd en gesteld dat de aan eiser toegekende compensatie, op basis van de juiste periode van vertraging en in overeenstemming met de Nota is berekend.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser voert aan dat hij recht heeft op een hogere vergoeding van de schade die hij als gevolg van de vertraging heeft geleden, dan de compensatie die hem is toegekend. Volgens eiser moet verweerder ook de gemiste vliegtoelage vergoeden. Eiser beroept zich in dit verband op het gelijkheidsbeginsel. Daarbij verwijst hij naar een aantal besluiten van de Koninklijke Landmacht van 25 januari 2022, die zijn te kwalificeren als buitenwettelijk begunstigend beleid en hem aanspraak geven op volledige schadevergoeding. Hij verwijst naar het civiele schadevergoedingsrecht, waarbij het uitgangspunt geldt dat een benadeelde zoveel mogelijk in de situatie moet worden gebracht waarin hij zou hebben verkeerd zonder de schadeveroorzakende gebeurtenis. Verder stelt hij dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd, omdat verweerder niet inhoudelijk op zijn standpunt is ingegaan. Ook voert hij aan dat de Nota of de toepassing daarvan onevenredig is, mede gelet op de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 15 mei 2025.[_da59b031-d9cf-4123-9f4e-6c0ce8d9005b]
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de Nota op consistente en juiste wijze heeft toegepast. De rechtbank legt hierna uit waarom zij tot dit oordeel komt.
6. Niet in geschil is dat eiser zijn initiële opleiding heeft behaald op 13 maart 2024. Daarna is eiser vanaf 14 maart 2024 voor het eerst een vliegende functie toegewezen. Vanaf dat moment wordt voldaan aan de gestelde voorwaarden in artikel 10, tweede lid onder a, van de IRM[_7b533fb2-e06a-4f82-8031-90a70101e93b] en is de aanspraak op vliegtoelage ontstaan. Verder is niet in geschil dat eiser vertraging heeft opgelopen tijdens zijn initiële opleiding en dat deze vertraging is ontstaan buiten zijn schuld.
Op grond van dwingend recht bestaat geen aanspraak op een vliegtoelage over de periode van vertraging, omdat in die periode niet is voldaan aan de vereisten voor toekenning. Er is daarom geen afzonderlijk te compenseren nadeel. Als dit nadeel in de betreffende periode niet is geleden, is er geen grond voor vergoeding. De vliegtoelage is slechts verschuldigd wanneer de militair daadwerkelijk operationeel is. De Nota voorziet in een compensatie voor de luchtvarende die te maken heeft gekregen met een onvoorziene vertraging in de opleiding, waardoor pas op een later moment voldaan wordt aan de gestelde voorwaarden uit artikel 10, tweede lid, van de IRM.
Niet in geschil is dat de Nota moet worden aangemerkt als buitenwettelijk begunstigend beleid. De bestuursrechter toetst dit aan het evenredigheidsbeginsel als de betrokkene zich daarop beroept. Omdat de beslissingsruimte van het bestuursorgaan bij dit type beleid groot is, leidt dit in beginsel tot een terughoudende toets.[_86fb6cb1-f2f4-4723-9569-6a1c31f7b015] Dat houdt in dat de aanwezigheid en de toepassing van dat beleid als een gegeven wordt aanvaard. Getoetst wordt of het beleid op consistente wijze is toegepast en of fundamentele rechten waarop de betrokkene zich beroept niet zijn geschonden.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder de Nota op consistente en juiste wijze toegepast. Dit heeft verweerder toereikend gemotiveerd in zijn besluitvorming.Dat de Nota dan wel de toepassing daarvan in het geval van eiser heeft geleid tot onevenredige gevolgen in verhouding tot het met het beleid gediende doel, heeft eiser niet onderbouwd en kan daarom niet afdoen aan het standpunt van verweerder.
Gelijkheidsbeginsel
7. Voor zover eiser zich met de verwijzing naar de besluiten uit 2022 beroept op het gelijkheidsbeginsel volgt de rechtbank dit betoog niet. Van strijd met het gelijkheidsbeginsel is sprake wanneer het overheidsorgaan in gelijke gevallen anders handelt. Zoals verweerder heeft toegelicht is geen sprake van vergelijkbare gevallen, omdat de besluiten uit 2022 zijn gebaseerd op een andere juridische grondslag. In de besluiten van 2022 spelen geen toelages. Daarnaast is in die besluiten sprake van het stopzetten van de initiële opleiding die later weer is hervat, terwijl het in eisers situatie ging om een vertragingsperiode waarin eiser met zijn instemming steeds voor korte tijd bij verweerder is tewerkgesteld. Van een ongelijke behandeling van gelijke gevallen is daarom geen sprake.
Motiveringsbeginsel
8. De rechtbank is van oordeel dat het bestreden besluit niet in strijd is met motiveringsbeginsel. Het gaat erom dat verweerder voldoende heeft onderbouwd waarom eiser niet in aanmerking komt voor een volledige compensatie van zijn gemis aan vliegtoelage. Verweerder heeft dit naar het oordeel van de rechtbank toereikend uitgelegd.
Conclusie en gevolgen
9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen aanspraak maakt op volledige vergoeding van zijn gemis aan vliegtoelage. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Smeets, rechter, in aanwezigheid van mr.J.R. van Veen, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 12 juni 2026.
| griffier | rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.